ECLI:NL:RBDHA:2026:2929

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
25_719
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668 BWArt. 24 WWArt. 27 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen opzegging dienstverband

Eiseres diende een aanvraag in voor een WW-uitkering nadat zij per 4 november 2023 werkloos werd. Verweerder wees de uitkering af wegens verwijtbare werkloosheid, omdat eiseres zelf ontslag had genomen terwijl zij redelijkerwijs had kunnen blijven werken.

Eiseres stelde dat zij mondeling overeenkwam dat het dienstverband per 30 oktober 2023 zou eindigen en dat zij slechts op verzoek van de werkgever nog enkele dagen werkte. De rechtbank constateerde echter dat eiseres op 1, 3 en 4 november 2023 nog arbeid verrichtte, waardoor de arbeidsovereenkomst stilzwijgend werd voortgezet volgens artikel 7:668 BW Pro.

De rechtbank oordeelde dat het aan eiseres te wijten is dat de arbeidsovereenkomst niet werd voortgezet en dat zij verwijtbaar werkloos is geworden. De vordering tot toekenning van de WW-uitkering werd daarom afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [naam 1]).

Inleiding

Bij besluit van 15 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat de uitkering op grond van de WW per 4 november 2023 niet tot uitbetaling komt omdat eiseres verwijtbaar werkloos is.
Bij besluit van 23 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door een tolk Spaans, mr. Z. Eker, waarnemend voor de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder. Tevens is verschenen de door eiseres opgeroepen getuige [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres heeft op 28 februari 2024 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Op haar aanvraag heeft zij vermeld dat zij per 4 november 2023 werkloos is geworden uit haar dienstverband bij [bedrijfsnaam] B.V (verder: werkgever).
2. Verweerder heeft bij het primaire besluit op deze aanvraag beslist dat de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt omdat eiseres verwijtbaar werkloos is. Volgens verweerder heeft eiseres zelf ontslag genomen, terwijl aan de voortzetting van de dienstbetrekking niet zodanige bezwaren waren verbonden dat dit van eiseres niet gevergd kon worden.
3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Verweerder stelt dat er op en na 4 november 2023 nog steeds sprake was van een lopend arbeidscontract en dat eiseres dus had kunnen blijven werken bij de werkgever. Eiseres heeft aangegeven dat het arbeidscontract op 31 oktober 2023 was afgelopen, maar gebleken is dat eiseres op 1, 3 en 4 november 2023 nog heeft gewerkt, zodat, gelet op het bepaalde in artikel 7:668 van Pro het Burgerlijk Wetboek, na 1 november 2023 een zelfde arbeidscontract was gaan lopen als eerder was afgesloten.
4. Eiseres voert aan dat zij mondeling met de werkgever was overeengekomen dat zij haar werkzaamheden tot november 2023 zou voortzetten. De werkgever heeft haar niet schriftelijk geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent volgens eiseres de arbeidsovereenkomst op 30 oktober 2023 van rechtswege is beëindigd. Bovendien heeft de werkgever mondeling aangegeven de arbeidsovereenkomst niet te zullen verlengen. Dat zij op expliciet verzoek van de werkgever nog enkele dagen arbeid heeft verricht maakt dat volgens eiseres niet anders. Het was immers volgens eiseres duidelijk dat het uitgangspunt was dat de arbeidsovereenkomst na 30 oktober 2023 niet meer zou worden verlengd. Verder kan volgens eiseres uit de inhoud van het WhatsApp bericht van 6 november 2023 niet worden geconcludeerd dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst toch nog mogelijk was.
Verder stelt eiseres dat de arbeidsovereenkomsten en de ontslagbrief nimmer aan haar zijn verstrekt en zijn deze niet ondertekend. Nu de arbeidsovereenkomsten niet zijn ondertekend en de werkgever niet heeft aangetoond dat deze aan haar zijn verstrekt, dient aangenomen te worden dat deze overeenkomsten later, en dus valselijk, zijn opgemaakt. Ook de ontslagbrief van 1 november 2024 is achteraf opgemaakt. Deze stukken dienen daarom geheel opzij te worden gesteld.
5.1.
Op grond van 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer, zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
5.2.
In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv blijvend een bedrag op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.
5.3.
Ingevolge artikel 7:668, vierde lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de arbeidsovereenkomst geacht voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden voortgezet, indien de arbeidsovereenkomst (…) na het verstrijken van de tijd (…) door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
In het dossier zit een tweetal arbeidsovereenkomsten tussen eiseres en haar werkgever waarin staat vermeld dat eiseres in dienst treedt met ingang van 7 januari 2023 voor de duur van 7 maanden en met ingang van 7 augustus 2023 voor de duur van 7 maanden. Beide arbeidsovereenkomsten zijn wel door de werkgever, maar niet door eiseres ondertekend. De rechtbank gaat er van uit dat er wel een dienstverband bestond, nu eiseres feitelijk bij de werkgever heeft gewerkt en zij blijkens de specificaties over de hele periode vanaf januari 2023 ook loon heeft ontvangen. Daarbij komt dat eiseres heeft verklaard dat zij de overeenkomst niet kon tekenen omdat daarin abusievelijk was opgenomen dat zij Colombiaanse is, waarmee vast staat dat zij in ieder geval op de hoogte was van de (inhoud van de) arbeidsovereenkomst.
In het dossier bevindt zich voorts een brief van de werkgever waarin hij aan eiseres bevestigt dat eiseres per 1 november 2023 niet meer werkzaam voor het bedrijf van de werkgever omdat zij per die datum een nieuwe baan heeft gevonden. De werkgever heeft desgevraagd aan verweerder verklaard dat eiseres vanaf die datum werkzaam had kunnen blijven, onder dezelfde voorwaarden. De werkgever heeft dit ter zitting bevestigd. Dat de ontslagbrief valselijk zou zijn opgemaakt is niet gebleken.
Daarmee dient er naar het oordeel van de rechtbank van uit te worden gegaan dat eiseres het dienstverband zelf heeft opgezegd, terwijl aan de voortzetting van de dienstbetrekking niet zodanige bezwaren waren verbonden dat dit van eiseres niet gevergd kon worden.
6.2.
Ook als uitgegaan wordt van het standpunt van eiseres is er reden om aan te nemen dat eiseres per de datum in geding verwijtbaar werkloos is. Daarvoor geldt het volgende. Eiseres stelt dat zij in januari 2023 is begonnen, dat zij geen arbeidsovereenkomst had en dat mondeling met de werkgever is overeengekomen dat het dienstverband per 30 oktober 2023 zou worden beëindigd. Voor deze stelling heeft de rechtbank geen onderbouwing gevonden, maar zelfs als hiervan wordt uitgegaan is de rechtbank van oordeel dat er ook na 30 oktober 2023 nog sprake was van een arbeidsovereenkomst. Immers, de rechtbank constateert met verweerder dat eiseres op 1, 3 en 4 november 2023 nog werkzaamheden heeft verricht en dat de werkgever op 6 november 2023 aan eiseres vroeg of ze die dag nog kwam. Gelet op het bepaalde in artikel 7:668 van Pro het BW betekent dit dat, ook onder de door eiseres gestelde omstandigheden, vanaf 1 november 2023 een zelfde arbeidsovereenkomst is gaan lopen als in januari 2023 en dat de arbeidsovereenkomst daarmee is verlengd. Nu eiseres na 4 november 2023 niet meer heeft gewerkt, terwijl er nog een lopende arbeidsovereenkomst was, is het aan eiseres te wijten dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet.
6.3.
Dat uit de uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam zou kunnen worden afgeleid dat een aantal dagen arbeid verrichten niet leidt tot een stilzwijgende verlenging, volgt de rechtbank niet. In die betreffende zaak lag de vraag voor of sprake was van een stilzwijgende verlenging waardoor de arbeidsovereenkomst moest worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betreft een andere casus dan die van eiseres. Daarnaast heeft de kantonrechter in die zaak juist ook geoordeeld dat voor de periode dat er na de einddatum van de overeenkomst arbeid is verricht er wel een tijdelijke arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.
6.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande eiseres zelf heeft opgezegd en daarmee verwijtbaar werkloos geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Niet is gebleken dat er sprake is van een situatie waarin dit eiseres niet in overwegende mate kan worden verweten. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW was verweerder gehouden de uitkering niet tot uitbetaling te laten komen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.