ECLI:NL:RBDHA:2026:2938
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiseres, met de Keniaanse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf in Nederland van februari tot mei 2025. Haar aanvraag werd door de IND afgewezen wegens twijfel over haar terugkeer naar Kenia. Eiseres maakte bezwaar, maar dit werd eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank overwoog dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij over een stabiele economische binding met Kenia beschikt, aangezien zij werkloos is en geen bewijs van regelmatig inkomen kon overleggen. Ook de sociale binding met Kenia werd als onvoldoende beoordeeld, ondanks familiebanden en een minderjarig kind, mede door haar relatie met een referent in Nederland.
De rechtbank volgde de beoordeling van de IND dat het samenstel van omstandigheden onvoldoende waarborg biedt voor tijdige terugkeer naar Kenia. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende binding met het land van herkomst.