ECLI:NL:RBDHA:2026:2946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.35717
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:20 Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag minderjarige uit Afghanistan wegens ondeugdelijke motivering

Eiser, een minderjarige uit Afghanistan, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn jonge leeftijd en culturele achtergrond, bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven.

Verweerder achtte de verklaringen over de problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van eisers vader en broer ongeloofwaardig, maar motiveerde dit onvoldoende. De rechtbank stelt dat verweerder niet heeft toegelicht waarom van een kind van 10-13 jaar verwacht mag worden dat het gedetailleerde informatie kan geven over risicovolle familieomstandigheden.

Daarnaast heeft verweerder nagelaten de verklaringen van eiser te toetsen aan de landeninformatie over Afghanistan, wat ook tot ondeugdelijke motivering leidt. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen twaalf weken.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar verweerder wordt wel veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het niet tijdig beslissen en de procedure over het bestreden besluit.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en verweerder krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35717

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).

Procesverloop

1.
Eiser heeft op 5 december 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Op 14 juli 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 1 augustus 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Bij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft op 4 november 2025, in reactie op het bestreden besluit, een aanvullend beroepschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.M. Mamik als tolk, [persoon A] als vertegenwoordiger van Nidos en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2011. Zijn vader is werkzaam geweest als chauffeur van de gouverneur en zijn broer heeft gewerkt bij de inlichtingendienst/veiligheidsdienst. Voor de machtsovername door de Taliban zijn eisers vader en broer gevlucht naar Iran. De Taliban zijn in de periode daarna meerdere malen bij eiser thuis geweest om te vragen naar zijn vader en broer. Eisers broer is op een gegeven moment teruggekeerd naar Afghanistan en kort daarna dood thuis aangetroffen. Eiser denkt dat de Taliban zijn broer hebben vermoord. Eiser heeft vervolgens met zijn familie Afghanistan verlaten en is zijn ouders bij de grens tussen Iran en Turkije kwijtgeraakt. Sindsdien heeft hij geen contact meer met hen.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag
2.1.
Eiser heeft op 1 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn asielaanvraag. Nu verweerder op 22 oktober 2025 alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk.
2.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder niet binnen de voorgeschreven beslistermijn op de asielaanvraag heeft beslist, dat eiser na het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling heeft ingediend, dat eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag en dat het bestreden besluit pas is genomen nadat eiser beroep tegen het niet tijdig beslissen had ingesteld. Dit betekent dat dit beroep niet zonder reden is ingesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met dit beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5, omdat de zaak in zoverre van licht gewicht is).
Beroep tegen het bestreden besluit
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. In dit geval is verweerder met het bestreden besluit niet aan het beroep van eiser tegemoetgekomen. De asielaanvraag van eiser is bij het bestreden besluit namelijk afgewezen als ongegrond. Het beroep richt zich daarom mede tegen het bestreden besluit.
Het bestreden besluit
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van de vader en broer van eiser.
4.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van de vader en broer van eiser acht verweerder ongeloofwaardig. Volgens verweerder vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft summier verklaard over de werkzaamheden van zijn vader en van zijn broer. Uit zijn verklaringen blijkt ook niet van een verband tussen de bezoeken van de Taliban aan de woning van eiser en de werkzaamheden van de vader en broer van eiser. Verder is de verklaring van eiser over de betrokkenheid van de Taliban bij de dood van zijn broer slechts een aanname. Eiser heeft Afghanistan bovendien legaal en zonder problemen kunnen verlaten. Volgens verweerder is er geen aanleiding om eiser een asielvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. Er is bij terugkeer geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging en ook niet van een reëel risico op ernstige schade.
4.3.
Verweerder heeft geen terugkeerbesluit aan eiser opgelegd, omdat eiser minderjarig is en het onderzoek naar de vraag of er adequate opvang is voor hem in Afghanistan, nog loopt.
Het aanvullend beroepschrift
Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte het asielmotief over de problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van eisers vader en broer ongeloofwaardig heeft geacht. In dat kader voert eiser aan dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, meer specifiek zijn jonge leeftijd ten tijde van de problemen in Afghanistan, het met die leeftijd gepaard gaande ontwikkelingsniveau en zijn culturele achtergrond. Gezien het referentiekader heeft verweerder eiser niet mogen tegenwerpen dat eiser te weinig kon vertellen over het werk van zijn volwassen gezinsleden en over de precieze reden voor de belangstelling van de Taliban voor zijn vader en zijn broer. Verder voert eiser aan dat zijn verklaringen passen bij wat uit landeninformatie bekend is over de situatie in Afghanistan. Op basis van de informatie in het Algemeen ambtsbericht uit 2023 is het aannemelijk dat de Taliban op zoek waren naar eisers vader en broer vanwege hun werkzaamheden en dat eiser als familielid daardoor ook werd benaderd en een risico loopt.
Beoordeling van het beroep
6.1.
Verweerder hanteert bij de beoordeling van asielaanvragen de werkinstructie (WI) 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’. Hieruit volgt dat als de vreemdeling een asielmotief niet of onvoldoende kan onderbouwen met objectieve bewijsstukken, verweerder een geloofwaardigheidsbeoordeling verricht om tot een conclusie te komen ten aanzien van de geloofwaardigheid. In die beoordeling moet verweerder kenbaar rekening houden met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling verlangd mag worden. Daarbij speelt het referentiekader van de vreemdeling een rol. Aspecten die daarbij van belang kunnen zijn, zijn: leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst, cultuur, maar ook aspecten zoals het werk dat hij deed, hoe groot zijn leefgebied was en of hij bijvoorbeeld toegang had tot internet, (social) media en dergelijke.
6.2.
Het kenbaar betrekken van het referentiekader vereist allereerst dat verweerder het referentiekader van de vreemdeling in de besluitvorming beschrijft. Verder behelst het kenbaar betrekken van het referentiekader dat verweerder motiveert op welke wijze het beschreven referentiekader van invloed is op het oordeel over hetgeen van de betreffende vreemdeling in zijn algemeenheid verlangd mag worden ter onderbouwing van zijn asielrelaas en op welke wijze de verschillende aspecten uit het referentiekader zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
6.3.
Niet in geschil is dat eiser ten tijde van de gestelde vlucht van zijn vader en broer uit Afghanistan naar Iran, tien of elf jaar oud was. De daaropvolgende gebeurtenissen – de bezoeken van de Taliban aan hun woning, de dood van eisers broer en de vlucht van het gezin uit Afghanistan – hebben naar gesteld plaatsgevonden toen eiser tussen de tien/elf en dertien jaar oud was. Eiser heeft in de beroepsgronden toegelicht dat het in zijn cultuur, vanwege de gezagsverhoudingen en de strikte scheiding tussen ‘het volwassen en het kinderlijke domein’, niet gebruikelijk is dat kinderen worden geïnformeerd over de aard van het werk van hun vader of oudere broer, zeker niet als het gaat om risicovolle onderwerpen. Kinderen worden buitengesloten van zaken die volwassenen aangaan. Verweerder heeft deze stellingen over eisers cultuur op de zitting niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Hierbij wordt betrokken dat eiser zelf tijdens zijn gehoor – in lijn met de stellingen in beroep – al had verklaard dat zijn vader hem niet vertelde over zijn problemen en dat zijn broer eventuele problemen ook niet aan hem zou vertellen.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat hij bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, zoals weergegeven onder 6.3.
In het bestreden besluit – en het daarvan deel uitmakende voornemen – is overwogen dat vanwege eisers referentiekader, waaronder zijn leeftijd, niet van hem wordt verwacht dat hij diepgaand verklaart, dat hij veel details geeft of dat hij zijn asielmotief met veel documenten onderbouwt. Wel verwacht verweerder van eiser dat hij basale informatie kan geven over de werkzaamheden van zijn vader en broer en over de reden dat de Taliban naar hen op zoek zijn, te meer omdat deze aspecten de kern vormen van eisers asielrelaas en de reden zijn geweest voor eisers vertrek uit Afghanistan. Volgens verweerder is eiser er niet in geslaagd de vereiste basale informatie te geven. Eiser heeft namelijk slechts verklaard dat zijn vader werkzaam was als persoonlijk chauffeur van de gouverneur en dat zijn broer werkzaam is geweest bij de inlichtingendienst/veiligheidsdienst. Wat de precieze werkzaamheden van zijn vader waren, welke functie zijn broer had en of en waarom de Taliban langskwamen vanwege het werk van eisers familieleden, kon eiser niet zeggen. Daar komt bij dat de verklaring dat de Taliban achter de dood van eisers broer zitten, slechts een aanname is van eiser.
De rechtbank ziet zonder nadere motivering niet in waarom verweerder van eiser, die ten tijde van de gestelde gebeurtenissen in het land van herkomst nog maar tien tot dertien jaar oud was en tijdens het horen veertien jaar oud, verwacht dat hij meer informatie kan geven over de werkzaamheden van zijn volwassen familieleden en over de precieze reden voor de bezoeken van de Taliban aan zijn woning, dan eiser heeft gedaan. Zeker ook gelet op eisers stellingen over zijn cultuur, waaruit volgt dat kinderen niet worden ingelicht over zaken die volwassenen aangaan. Dat de volgens verweerder summiere verklaringen aspecten betreffen die de kern vormen van eisers asielrelaas en de reden zijn geweest voor zijn vertrek uit Afghanistan, maakt dat niet anders. Gezien eisers jonge leeftijd ligt het, zoals hij stelt, inderdaad voor de hand dat hij hierin is meegenomen door zijn ouders, die deze beslissing voor hem hadden genomen. De rechtbank acht ook van belang dat eiser tijdens de vlucht naar Europa gescheiden is geraakt van zijn ouders en dat tot op heden het contact met zijn familieleden niet is hersteld, zodat eiser nadien ook niet meer de gelegenheid heeft gehad om zijn ouders te bevragen over de werkzaamheden van zijn vader en broer en de reden voor de bezoeken van de Taliban. Verweerder heeft deze omstandigheid niet kenbaar betrokken.
6.5.
De conclusie van de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, brengt mee dat het standpunt van verweerder dat eisers verklaringen over het tweede asielmotief ongeloofwaardig zijn, (ook) ondeugdelijk is gemotiveerd. In dat kader wordt verder overwogen dat eiser onder verwijzing naar het ambtsbericht uit 2023 heeft gesteld dat de Taliban negatieve aandacht hebben voor medewerkers van de voormalige overheid en dat om die reden ook familieleden van deze mensen risico’s lopen. De rechtbank kan uit het bestreden besluit niet opmaken dat verweerder heeft beoordeeld hoe de verklaringen van eiser over zijn asielrelaas passen bij het beeld van Afghanistan zoals dat naar voren komt in landeninformatie. Dit had wel van verweerder verwacht mogen worden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de WI 2024/6. Ook in die zin is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.
6.6.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 22 oktober 2025.
8. Omdat de rechtbank geen mogelijkheid ziet om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, wordt verweerder opgedragen een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor twaalf weken de tijd.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepsgronden en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Samen met de proceskostenveroordeling vanwege het terecht ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, komt de totale door verweerder te betalen proceskostenvergoeding neer op een bedrag van € 2.335,-

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 22 oktober 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 oktober 2025;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Horst - van Dee, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.