ECLI:NL:RBDHA:2026:2987
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel aan terugkeervoornemen
Eisers, Turkse staatsburgers, hebben visa voor kort verblijf aangevraagd om hun dochter en haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens redelijke twijfel over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren naar Turkije en onvoldoende aantonen van het doel en de omstandigheden van het verblijf.
Eisers stelden dat zij voldoende sociale en economische binding met Turkije hebben, waaronder familie, onroerend goed, inkomsten uit werk en pensioen, en zorg voor een hulpbehoevende moeder. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder in redelijkheid mocht twijfelen aan deze bindingen, mede omdat kinderen meerderjarig zijn, er ook bindingen met Nederland en Duitsland zijn, en de economische onderbouwing onvoldoende was.
Daarnaast vond de rechtbank dat het besluit zorgvuldig tot stand was gekomen ondanks enkele slordigheden en dat het horen in bezwaar terecht was achterwege gebleven omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en eisers kregen geen visum, geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen kort verblijf wordt ongegrond verklaard en de aanvragen worden definitief afgewezen.