ECLI:NL:RBDHA:2026:3000

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.58934
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse man wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging

Eiser, een Nigeriaanse man, diende op 18 september 2025 een asielaanvraag in met het argument dat hij vanwege de moord op zijn broer en een daaropvolgende aanval door leden van de politieke partij PDP vreest voor vervolging bij terugkeer naar Nigeria.

Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank bevestigt dit oordeel na beoordeling van het dossier en het nader gehoor.

De rechtbank oordeelt dat het feit dat eiser aangifte deed bij de politie niet gelijkstaat aan het innemen van een politieke positie. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de PDP nog actief op zoek is naar eiser of dat hij bij terugkeer opnieuw in hun vizier komt. De langdurige periode zonder incidenten en het ontbreken van concrete aanwijzingen wegen zwaar.

Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser bescherming nodig heeft van de Nigeriaanse autoriteiten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de asielaanvraag af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 18 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond [1] .
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, mevrouw Z.K. Botani als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn broer in 2012 is vermoord door mensen verbonden aan de PDP [2] , een politieke partij. Eiser heeft aangifte gedaan bij de politie en is twee weken na deze moord aangevallen door dezelfde mensen. Eiser is na de aanval twee weken behandeld in het ziekenhuis en is hierna gevlucht naar Libië, waar hij twee jaar heeft verbleven. Eiser heeft tussen 2016 en 2020 in Italië verbleven en is in 2022 in Nederland aangekomen. Eiser is niet tijdig overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten. Verweerder heeft hem op 23 oktober 2023 bericht dat hij in de nationale procedure zal worden opgenomen. Eiser vreest bij terugkeer voor mensen die werken voor de PDP.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De problemen naar aanleiding van de moord op eisers broer.
3.1.
Verweerder vindt de asielmotieven geloofwaardig. Verweerder vindt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vrees heeft voor vervolging [3] bij terugkeer naar Nigeria. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt [4] . Zo heeft eiser zijn vrees voor de mensen die werken voor de PDP en politici niet aannemelijk gemaakt. Aan eiser is daarom een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd, gericht op vertrek naar Nigeria. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond [5] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Voor de toepasselijkheid van het Vluchtelingenverdrag is niet vereist dat eiser zelf politiek actief is geweest. Doorslaggevend moet zijn dat de mensen van de PDP het op eiser hebben voorzien vanwege het feit dat hij heeft meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op zijn broer. Eiser wordt door de daders gezien als iemand die zich tegen de politieke partij keerde. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het begrip toegeschreven politieke overtuiging miskend. Over het tijdsverloop van dertien jaar tussen het incident en de asielaanvraag voert eiser aan dat hij in Nigeria kort ondergedoken heeft gezeten en de daders van zijn mishandeling ervan uit zijn gegaan dat eiser de aanval niet heeft overleefd. Het enkele feit dat er gedurende dertien jaar geen nieuwe incidenten zijn voorgevallen, kan geen aanwijzing zijn voor het verdwijnen van de dreiging. Bij een terugkeer naar Nigeria komt eiser opnieuw in de belangstelling te staan en wordt het risico opnieuw actueel. Daarbij heeft verweerder onvoldoende betekenis toegekend aan de ernst van de eerdere aanval en de blijvende lichamelijke en psychische schade van eiser. Tot slot kan eiser geen bescherming krijgen van de Nigeriaanse autoriteiten, zeker gelet op het feit dat het asielmotief geloofwaardig is geacht en hieruit volgt dat de autoriteiten niet in staat waren om eiser effectief te beschermen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Vervolging of ernstige schade
6. De geloofwaardig bevonden elementen moeten door verweerder worden getoetst om na te gaan of een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM aangenomen kan worden. Verweerder maakt hierbij gebruik van actuele landeninformatie om de door de aanvrager gestelde vrees tegen af te zetten. [6]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging bij een terugkeer naar Nigeria. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser geen sprake is van vervolging, nu het geloofwaardig geachte asielmotief niet is te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Het enkele feit dat eiser uit Nigeria komt is onvoldoende om vluchtelingschap aan te nemen. Verweerder heeft terecht gesteld dat aangifte doen bij de politie niet gelijk staat aan het innemen van een politieke positie. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser ook niet is op te maken dat hij in Nigeria een politieke positie heeft ingenomen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard geen problemen te hebben gehad vanwege een politieke overtuiging of eventueel de door hem ontplooide politieke activiteiten [7] en in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiser gesteld dat hij wel problemen heeft ervaren, maar dat deze ontstonden vanwege de politieke activiteiten van zijn broer. Verweerder heeft op grond hiervan terecht geconcludeerd dat eiser zelf geen problemen heeft ervaren vanwege een eigen politieke overtuiging of activiteiten.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom eiser zijn vrees om bij terugkeer naar Nigeria aangevallen te worden door de PDP niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
6.3.
Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in Nigeria problemen heeft ondervonden vanwege de moord op zijn broer en de daarop volgende aanval op hemzelf. Verweerder heeft vervolgens onderzocht of deze omstandigheden bij terugkeer voor eiser een reëel risico op ernstige schade opleveren en gemotiveerd waarom dat volgens hem niet het geval is. Verweerder heeft daarbij argumenten genoemd die steekhoudend zijn. Verweerder heeft terecht betrokken dat eiser en zijn familie sinds de moord op zijn broer en de aanval op hemzelf in 2012 geen problemen hebben ondervonden van de PDP. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de PDP op zoek is geweest naar eiser of dat nu nog is. Zo heeft eiser zelf verklaard dat hij niets heeft vernomen van de mensen die hem hebben mishandeld omdat ze dachten dat hij dood was. Eiser heeft ook verklaard dat zijn familieleden sinds zijn vertrek nooit iets van deze personen hebben vernomen. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd dat hij bij terugkeer naar Nigeria na 13 jaar opnieuw in de belangstelling van de PDP zal komen te staan en daardoor een reëel risico loopt.
6.4.
Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij bij terugkeer weer tegen de PDP zou opstaan, maar zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet is op te maken dat hij een politieke positie heeft ingenomen in Nigeria. Verweerder heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat in het geval van eiser geen sprake is van een risico op toegedichte politieke overtuiging. Eiser heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat het niet uitgesloten is dat hij bij een terugkeer zelf bij de autoriteiten zou vragen of het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op zijn broer heropend kan worden. Verweerder heeft in reactie hierop terecht gesteld dat eiser de afgelopen 13 jaar geen inspanningen heeft verricht om het onderzoek te heropenen of naar de media te gaan. Niet valt in te zien waarom eiser dat nu bij een terugkeer wel zou doen.
6.5.
Verweerder heeft ook terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet alleen vanwege zijn psychische toestand een grotere kans heeft om opnieuw slachtoffer van de PDP te worden. Eiser heeft niet verduidelijkt waar hij slachtoffer van zou kunnen worden en waarom zijn situatie tot een verhoogd risico leidt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de ernst van de eerdere aanval en de blijvende lichamelijke en psychische schade van eiser. Verweerder heeft alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment nog problemen heeft te verwachten van de PDP.
6.6.
Ten aanzien van de bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten heeft verweerder terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bescherming nodig heeft van de autoriteiten in Nigeria. Verweerder heeft immers op goede gronden gesteld dat eiser geen reëel risico loopt vanwege zijn problemen na de moord op zijn broer. Eiser kan gelet op het voorgaande terugkeren naar Nigeria.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.People’s Democratic Party.
3.Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
6.Zie werkinstructie 2014/10, paragraaf 4.1.
7.Pagina 7 van het nader gehoor.