ECLI:NL:RBDHA:2026:3017

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL26.6969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107a Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen delen strafrechtelijke gegevens met Iraakse autoriteiten

Verzoeker, die tussen 2013 en 2019 driemaal strafrechtelijk is veroordeeld voor terroristische misdrijven en van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om een samenvatting van zijn strafrechtelijke gegevens te delen met de Iraakse autoriteiten. De minister wilde dit doen om diplomatieke garanties te verkrijgen dat verzoeker bij terugkeer naar Irak niet in strijd met artikel 3 EVRM Pro wordt behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van onverwijlde spoed omdat het bezwaar geen schorsende werking heeft en de minister voornemens was de gegevens te delen. De rechter kon echter niet inhoudelijk op het bezwaar ingaan en besloot op basis van een belangenafweging. Het belang van verzoeker om te voorkomen dat zijn strafrechtelijke gegevens worden gedeeld, weegt zwaarder dan het belang van de minister bij een spoedige verwijdering.

De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en verbood de minister om de gegevens te delen totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt het delen van strafrechtelijke gegevens met de Iraakse autoriteiten totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6969

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.V. de Kort).

Procesverloop

Op 15 januari 2026 heeft de minister besloten om op 12 februari 2026 op grond van artikel 107a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een samenvatting van de strafrechtelijke gegevens van verzoeker te delen met de Iraakse autoriteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding
1. Verzoeker is tussen 2013 en 2019 driemaal strafrechtelijk veroordeeld voor terroristische misdrijven. Bij besluit van 28 mei 2019 is zijn Nederlanderschap ingetrokken. Aan verzoeker is ook een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van 20 jaar opgelegd. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden. Sindsdien heeft de minister gewerkt aan de terugkeer van verzoeker naar Irak. In dit verband heeft de minister op 15 januari 2026 besloten om op 12 februari 2026 een samenvatting van de strafrechtelijke gegevens van verzoeker te delen met de Iraakse autoriteiten, met het doel diplomatieke garanties te verkrijgen die inhouden dat verzoeker niet in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM zal worden behandeld bij terugkeer naar Irak.
Is er sprake van spoedeisend belang?
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
2.1.
De voorzieningenrechter kan als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. [2] De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2.2.
De minister is voornemens om op donderdag 12 februari 2026 over te gaan tot het delen van een samenvatting van de strafrechtelijke gegevens van verzoeker met de Iraakse autoriteiten. Het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar heeft geen schorsende werking. Daarom is de vereiste onverwijlde spoed aanwezig.
Heeft het bezwaar redelijke kans van slagen?
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft nu niet kan beantwoorden. De aard van het verzoek en de gronden van het bezwaar lenen zich er niet voor om in deze procedure inhoudelijk te worden beoordeeld. De voorzieningenrechter zal daarom beslissen op basis van een belangenafweging.
Belangenafweging
4. Het belang van verzoeker is erin gelegen dat de samenvatting van zijn strafrechtelijke gegevens niet met de Iraakse autoriteiten wordt gedeeld. Verzoeker voert daarbij aan dat het voorzienbaar is dat de Iraakse autoriteiten aan de hand van de te verstrekken samenvatting erachter zouden kunnen komen dat verzoeker voor deelname aan een aan Islamitische Staat (IS) gelieerde organisatie is veroordeeld. Bij terugkeer naar Irak zal hij in dat geval een risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Ook wordt het risico gelopen dat de familieleden van verzoeker, die in Irak woonachtig zijn, in gevaar worden gebracht, omdat de beschuldiging dat verzoeker zich bij IS heeft aangesloten de perceptie van de hele familie kan aantasten en kan leiden tot collectieve bestraffing.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat de aard en ernst van de gedragingen waarvoor verzoeker is veroordeeld maken dat hij zo spoedig mogelijk uit Nederland moet worden verwijderd, in het belang van de nationale veiligheid. Toewijzing van het verzoek leidt ertoe dat het bezwaar van verzoeker eerst moet worden behandeld. Dat kan tot aanzienlijke vertraging leiden in het proces om diplomatieke garanties te verkrijgen van de Iraakse autoriteiten om het risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling van verzoeker bij terugkeer naar Irak weg te nemen. Daarnaast is de rechtspraak in Nederland openbaar, en is er in de media ook de nodige berichtgeving over de strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker geweest. Het is op die manier ook mogelijk om van zijn strafrechtelijke veroordelingen op de hoogte te raken. Verzoeker heeft zelf ook verklaard dat hij er al in 2014 vanuit ging dat zijn strafrechtelijke veroordeling voor terroristische misdrijven bekend was bij de Iraakse autoriteiten.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het belang van verzoeker zwaarder wegen dan de belangen van de minister. Het delen van de samenvatting van de strafrechtelijke gegevens van verzoeker met de Iraakse autoriteiten is onomkeerbaar. In het geval deze gegevens al met de Iraakse autoriteiten worden gedeeld vóór op het bezwaar van verzoeker is beslist, wordt de effectiviteit van dit rechtsmiddel aangetast. De minister kan dan immers niet meer beslissen om de strafrechtelijke gegevens alsnog niet te delen, omdat dat dan al is gebeurd. Ook de effectiviteit van een eventuele beroepsprocedure wordt hiermee aangetast. Hoewel het belang van de minister om verzoeker zo spoedig mogelijk te verwijderen uit Nederland begrijpelijk is, moet dit belang om die reden in dit geval wijken voor het belang van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat de samenvatting van zijn strafrechtelijke gegevens niet mag worden gedeeld met de Iraakse autoriteiten totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister ook in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
7.1.
Verzoeker wordt definitief vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Voor terugbetaling of vergoeding van het griffierecht op grond van artikel 8:82 van Pro de Awb bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt de minister om een samenvatting van de strafrechtelijke gegevens van verzoeker met de Iraakse autoriteiten te delen totdat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.