ECLI:NL:RBDHA:2026:3021
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opschorting executie en opheffing beslag in executiegeschil
Deze zaak betreft een executiegeschil over de tenuitvoerlegging van een vonnis van 13 maart 2024, waarbij eisers zijn veroordeeld tot betaling aan gedaagde van een aanzienlijk bedrag wegens gebrekkig opgeleverd werk.
Eisers vorderen in kort geding dat de executie van het vonnis wordt opgeschort en dat het beslag op twee woningen wordt opgeheven. Zij stellen dat sprake is van een kennelijke feitelijke en juridische misslag in het vonnis en dat het beslag disproportioneel is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag en dat de belangenafweging uitwijst dat het belang van gedaagde bij nakoming van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van eisers bij het behoud van de bestaande situatie. Eisers beschikken over een andere woning waar zij kunnen verblijven, en er is onvoldoende onderbouwing dat de ene woning meer verhaal biedt dan de andere.
De vorderingen worden daarom afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eisers af en veroordeelt hen in de proceskosten.