ECLI:NL:RBDHA:2026:3027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL24.17366
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak tijdelijke bescherming en terugkeer

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin werd bepaald dat verzoeker na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.

Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit tijdelijk te schorsen. Na het nemen van een vervangend terugkeerbesluit door verweerder op 28 juli 2025, bleef het verzoek om voorlopige voorziening van kracht ten aanzien van dit nieuwe besluit.

De voorzieningenrechter overweegt dat op 13 februari 2026 reeds uitspraak is gedaan op het beroep zelf, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening is komen te vervallen. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.L. Weerkamp en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.17366

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I. Petkovski)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat verzoeker na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Verzoeker heeft op 20 april 2024 tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder een vervangend terugkeerbesluit genomen. Het verzoek om een voorlopige verzoening heeft van rechtswege mede betrekking op dit vervangende besluit. [1]

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 13 februari 2026, zaaknummer NL24.17365, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.