ECLI:NL:RBDHA:2026:3041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
24/2923
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 4 PwArt. 18 lid 9 PwArt. 6 lid 3 MaatregelverordeningArt. 12 lid 1 onder a MaatregelverordeningArt. 12 lid 2 Maatregelverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel verlaging bijstandsuitkering wegens verwijtbaar ontslag

Eiser, die vijf jaar bij dezelfde werkgever had gewerkt, werd op 27 januari 2023 ontslagen en ontving vanaf 25 april 2023 een bijstandsuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Delft legde hem een maatregel op van 50% verlaging van zijn bijstandsuitkering over de periode van 25 april tot 24 mei 2023, omdat hij verwijtbaar algemeen geaccepteerde arbeid had verloren.

Eiser voerde aan dat hij niet op de hoogte was van het ontslag en ziek was, en dat hij de ontslagbrief niet had ontvangen. Hij stelde ook dat hij over het ontslag had geprocedeerd wat tot een schikking had geleid. De rechtbank weigerde echter het alsnog overleggen van correspondentie met de werkgever en oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij zich had ingezet om zijn baan te behouden.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet had gereageerd op een bericht van zijn werkgever en dat hij de verplichting tot het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet was nagekomen. Er waren geen dringende redenen om van de maatregel af te zien of deze te matigen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de maatregel van 50% verlaging van de bijstandsuitkering wegens verwijtbaar ontslag en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2])

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde maatregel op grond van de Participatiewet. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het genomen besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 4 mei 2023 heeft het college eisers bijstandsuitkering met 50% over de periode van 25 april 2023 tot en met 24 mei 2023 verlaagd. Met het bestreden besluit van 13 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de kantoorgenoot van eisers gemachtigde, mr. Z. Eker, en gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser had vijf jaar bij dezelfde werkgever gewerkt. Hij is ontslagen op 27 januari 2023. Eiser heeft met ingang van 25 april 2023 een bijstandsuitkering toegekend gekregen.
4. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft het college eiser op grond van artikel 12, eerste lid, onder a, van de Maatregelverordening Participatiewet Delft 2021 (Maatregelverordening) een maatregel opgelegd van 50% over de periode van 25 april 2023 tot en met 24 mei 2023. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser verwijtbaar algemeen geaccepteerde arbeid heeft verloren en dat daarmee sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de kosten van het bestaan. Verweerder ziet geen dringende redenen op grond waarvan in dit geval van de maatregel had moeten worden afgezien.
5. Voor de relevante regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage.
6. Eiser voert aan dat aan hem ten onrechte een maatregel is opgelegd. Hij was niet op de hoogte van het ontslag en hij was ziek. Ter zitting heeft eisers gemachtigde hieraan toegevoegd dat eiser de ontslagbrief niet heeft ontvangen. Eiser heeft over het ontslag geprocedeerd. Dat heeft geleid tot een schikking. Er is dan ook geen sprake van strafontslag. Eiser heeft gecorrespondeerd met zijn werkgever, net voor of net na het besluit. Die correspondentie heeft eiser niet aan de rechtbank overgelegd, maar als de rechtbank daarin toestemt kan hij deze stukken alsnog indienen.
6.1.
De rechtbank stemt niet in met het alsnog overleggen van de correspondentie die eiser met zijn werkgever heeft gevoerd. Niet gebleken is dat eiser deze niet in een eerder stadium heeft kunnen indienen.
6.2.
Het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom is het in beginsel aan de bijstandverlenende instantie, in dit geval het college, om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan. Het college moet dus aannemelijk maken dat eiser de verplichting in artikel 18, vierde lid, onder a, Pw, niet is nagekomen.
6.3.
In het rapport maatregel ongenoegzaam besef van 4 mei 2023 staat het volgende vermeld over de gang van zaken rond het ontslag. Eiser had werk- en privé-problemen en het ging psychisch niet goed met hem. Hij heeft zich diverse malen ziek gemeld. Hij heeft op 16 december 2022 een brief van zijn werkgever ontvangen dat hij zich te vaak ziek had gemeld, dat hij te kort aanwezig was op het werk, dat hij drie maal te laat was gekomen en hij onvoldoende functioneerde. Daarna zijn nog gesprekken gevoerd met de werkgever. Half januari 2023 heeft eiser nog gewerkt. Op 18 januari 2023 moest eiser bij een zakelijke meeting van het bedrijf aanwezig zijn, in opdracht van zijn leidinggevende. Eiser heeft zich echter in de ochtend van die dag ziek gemeld. Op 23 januari 2023 ontving eiser een bericht van zijn werkgever maar hij heeft hierop niet gereageerd. Op 27 januari 2023 is eiser ontslagen, per aangetekende brief. Op 7 april 2023 heeft eiser weer contact opgenomen met zijn werkgever.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gang van zaken zoals beschreven in de rapportages van 4 mei 2023 niet heeft betwist. Dat eiser, zoals hij stelt niet op de hoogte was van het ontslag, maakt niet dat het ontslag niet of minder verwijtbaar is. Er waren al diverse problemen die ook al in een gesprek tussen werkgever en eiser waren besproken. Vervolgens heeft hij na een ziekmelding niet gereageerd op het bericht van zijn werkgever van 23 januari 2023, waar na hij ontslagen is. Eiser stelt niet dat hij dat bericht niet heeft ontvangen. Niet gebleken is dat eiser zich heeft ingezet om zijn baan te behouden, bijvoorbeeld door naar aanleiding van het bericht van 23 januari 2023 met zijn werkgever in gesprek te gaan. Dat eiser zich niet heeft ingezet om zijn baan te behouden kan hem worden verweten, zodat eiser de verplichting tot het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid uit artikel 18, vierde lid, onder a, van de Pw niet is nagekomen. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij over zijn ontslag heeft geprocedeerd en dat in die procedure is geschikt, maar hij heeft dit eerst ter zitting naar voren gebracht en daarvan geen stukken overgelegd. Die procedure en de uitkomst daarvan kunnen dan ook geen rol spelen in deze procedure. Dat eiser ziek was ten tijde van het ontslag heeft hij evenmin onderbouwd.
6.5.
In wat eiser aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen die het college, gelet op bijzondere individuele omstandigheden, aanleiding had moeten geven om de opgelegde maatregel nader af te stemmen of te matigen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Maatregelverordening.
6.6.
Het betoog van eiser slaagt niet.
6.7.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in verband met het in de periode van één jaar voorafgaand aan het melden voor een bijstandsuitkering verwijtbaar verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en tweede lid, van de Maatregelverordening gehouden een maatregel van 50% gedurende een maand op te leggen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Op grond van artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet (Pw) legt het college in ieder geval een maatregel op overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid, in het geval de belanghebbende een van de verplichtingen die zijn vermeld in het vierde lid (geharmoniseerde verplichtingen) niet nakomt. In het vierde lid, aanhef en onder a, van de Pw is de volgende verplichting opgenomen: het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
Het college ziet op grond van artikel 18, negende lid, van de Pw af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
In artikel 6, derde lid, van de Maatregelverordening is bepaald dat het college een maatregel kan matigen, als het daarvoor dringende redenen heeft.
Op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Maatregelverordening wordt, indien een belanghebbende in de periode van maximaal één jaar voorafgaand aan de melding voor de aanvraag om een bijstandsuitkering, een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en mede als gevolg van deze gedraging een beroep op bijstand wordt gedaan, bij de volgende gedraging een maatregel opgelegd: het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid.
In artikel 12, tweede lid, van de Maatregelverordening is bepaald dat de maatregel 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bedraagt, indien sprake is van een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.