ECLI:NL:RBDHA:2026:3084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24/10557
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 32, eerste lid, Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst

Eiseres, een Afghaanse vrouw, heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om bij haar schoonzoon in Nederland te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf niet voldoende heeft aangetoond en onvoldoende sociale en economische binding met Afghanistan heeft, waardoor niet aannemelijk is dat zij tijdig zal terugkeren.

Eiseres voerde in beroep aan dat het doel van het verblijf duidelijk is en dat zij wel degelijk bindingen met Afghanistan heeft. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij over voldoende economische binding beschikt, aangezien zij geen inkomsten of vermogen heeft kunnen aantonen. Ook is onvoldoende sociale binding vastgesteld, mede omdat zij weduwe is en geen zorgplicht heeft voor volwassen kinderen of andere familieleden in Afghanistan.

De rechtbank concludeert dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland tijdig te verlaten en verklaart het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/10557

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: Safiullah Alakozai),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F. van Zanden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum voor kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en tevens referent [referent] (hierna: referent), de echtgenote van referent, de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1968 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd voor verblijf bij haar gestelde schoonzoon, referent.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ook heeft eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Afghanistan, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres tijdig zal terugkeren.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van de zoon van eiseres ook afgewezen. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag op dezelfde zitting behandeld onder het zaaknummer NL25.13044.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – twee gronden aan. Ten eerste heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het doel en de omstandigheden van het beoogd verblijf onduidelijk zijn. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte gesteld dat er een risico is op illegale immigratie omdat zij geringe banden met Afghanistan zou hebben.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie [1] beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de gronden voor het weigeren van een visum [2] van toepassing is. De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1.
Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten, toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Afghanistan dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
5.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van zodanige economische binding dat tijdige terugkeer naar Afghanistan redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Zo heeft eiseres aangegeven dat zij op vrijwillige basis werkt als zelfstandig lerares en hieruit geen inkomsten heeft. Ook heeft zij niet met stukken onderbouwd dat zij als religieus tutor werkzaam is en hieruit een inkomen genereert. Verder heeft zij niet met stukken aangetoond dat zij anderszins over een vermogen en/of regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat uit de ‘property ownership letter’ weliswaar blijkt dat eiseres in bezit is van vijf winkels in Afghanistan, maar dat is niet is gebleken dat eiseres ook daadwerkelijk inkomen ontvangt aan de verhuur hiervan. De omstandigheid dat het in Afghanistan als vrouw niet is toegestaan om te werken, maakt niet dat van eiseres niet verlangd kan worden om te onderbouwen dat zij in Afghanistan over een vermogen en/of inkomen beschikt.
5.3.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende sociale binding heeft met Afghanistan. Zo is eiseres weduwe. De stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte twijfelt aan dat eiseres in Afghanistan kinderen heeft, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft namelijk betrokken dat zij in Afghanistan vier volwassen kinderen over wie zij geen zorgplicht heeft, of andersom. Verder is niet gebleken dat eiseres zorg heeft voor andere in Afghanistan verblijvende familieleden of in staat is om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen om tijdig naar het land van herkomst terug te keren. De door eiseres overgelegde verklaring omtrent het gedrag en de betaalde retourvlucht maakt het voorgaande niet anders.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
6. Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen, behoeven de beroepsgronden gericht tegen de andere weigeringsgrond geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862 (Koushkaki).
2.Uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode.