ECLI:NL:RBDHA:2026:3095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.42382 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbProcedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak rechtbank over beslistermijn in vreemdelingenzaak ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van een opposant tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2025, waarin het beroep van de opposant gegrond werd verklaard. De opposant betwist de door de rechtbank gehanteerde nadere beslistermijn van zestien weken en stelt dat deze in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en de Procedurerichtlijn, omdat het maximale beslistermijn van 21 maanden reeds was verstreken.

De rechtbank beoordeelt in deze procedure uitsluitend of het verzet gegrond is en of de eerdere uitspraak terecht is gedaan zonder zitting. De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is, omdat de nadere beslistermijn van zestien weken in overeenstemming is met eerdere uitspraken en voldoende is gemotiveerd. De rechtbank stelt dat het verzet feitelijk een verkapt hoger beroepschrift betreft, waarvoor de verzetprocedure niet bedoeld is.

De rechtbank concludeert dat het verzet niet slaagt en dat de uitspraak van 28 november 2025 in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter P. Vrolijk en griffier F.S. Ulrich en is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.

Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak over de beslistermijn wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42382 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant], opposant [1]
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [persoon A] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 28 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de beslistermijn van zestien weken voorbijgaat aan de essentie van een beslistermijn, nu het maximale beslistermijn van 21 maanden reeds verstreken is. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Een dergelijke lange nieuwe termijn is bovendien in strijd met de Procedurerichtlijn. Opposant meent dat een beslistermijn van twee weken voldoende tijd moet zijn voor verweerder om een zorgvuldig besluit te nemen.
6. Voorop staat dat de rechtbank de uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn. Deze nadere beslistermijn is in overeenstemming met eerdere uitspraken van deze zittingsplaats van de Rechtbank [3] . De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom in dergelijke zaken een beslistermijn van zestien weken wordt gehanteerd. De omstandigheid dat opposant zich niet kan vinden in dat oordeel, leidt niet tot het oordeel dat het beroep niet zonder zitting kon worden afgedaan. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is. Daarvoor is de verzetprocedure niet bedoeld.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 28 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 januari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:17), 15 december 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14606), 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12749), en 17 september 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:11021)