ECLI:NL:RBDHA:2026:3099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.32620 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen vernietiging besluit verblijfsvergunning, beroep niet-ontvankelijk verklaard

De zaak betreft een verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025, waarin het beroep van de geopposeerde gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd.

De minister stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond was, omdat zij onvoldoende rekening had gehouden met een besluit van 7 juli 2024 waarin een verblijfsdocument aan de geopposeerde zou worden verstrekt. De rechtbank stelde vast dat dit besluit inderdaad in het procesdossier aanwezig was en dat het niet meenemen daarvan tot een onjuiste conclusie had geleid.

De rechtbank verklaarde het verzet van de minister gegrond, waardoor de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van een niet tijdig genomen besluit, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank deed daarom geen inhoudelijke uitspraak over het beroep en wees een vergoeding van proceskosten af.

De uitspraak werd gedaan door rechter P. Vrolijk en griffier F.S. Ulrich op 3 februari 2026 te Rotterdam. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, maar een verzetschrift kan binnen zes weken worden ingediend.

Uitkomst: Het verzet van de minister is gegrond verklaard en het beroep van de geopposeerde niet-ontvankelijk verklaard wegens het reeds genomen besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32620 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de minister van Asiel en Migratie, opposant

(gemachtigde: [persoon A] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025 in het geding tussen
[naam], geopposeerde [1] , tevens eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [persoon B] ),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 20 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep kennelijk gegrond was. Volgens opposant heeft de rechtbank bij haar beoordeling van de zaak onvoldoende aandacht besteed aan de inhoud van het procesdossier, waarin zich een besluit van 7 juli 2024 op de aanvraag van geopposeerde bevindt. In dit besluit staat dat opposant aan de hand van de aanvraag van geopposeerde een verblijfsdocument zal verstrekken. Opposant stelt dat de rechtbank, door deze informatie niet in haar beoordeling te betrekken, ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een besluit dat niet tijdig is genomen.
6. De rechtbank stelt vast dat zich in het procesdossier een besluit bevindt van 7 juli 2024 van opposant, waarin staat dat aan de persoon namens wie geopposeerde een aanvraag heeft ingediend een verblijfsvergunning zal krijgen. Door de inhoud van dit gedingstuk niet in de beoordeling te betrekken, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de uitkomst van de zaak zonder redelijke twijfel vaststond. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het beroep kennelijk gegrond was.
7. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

8. Partijen is de gelegenheid geboden op een zitting te worden gehoord. Zij hebben niet aangegeven van die gelegenheid gebruik te willen maken. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
9. Nu eiser op de aanvraag op 7 juli 2024 een besluit heeft ontvangen, is er geen sprake van een besluit op een aanvraag dat niet tijdig is genomen. Dit betekent dat de ingebrekestelling, die betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit, zonder betekenis is.
10. Gelet op het reeds genomen besluit van verweerder is de rechtbank van oordeel dat er voor eiser geen procesbelang bestaat. De rechtbank verklaart het beroep van eiser daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk zal behandelen. Eiser komt niet in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).