De zaak betreft een verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025, waarin het beroep van de geopposeerde gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd.
De minister stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond was, omdat zij onvoldoende rekening had gehouden met een besluit van 7 juli 2024 waarin een verblijfsdocument aan de geopposeerde zou worden verstrekt. De rechtbank stelde vast dat dit besluit inderdaad in het procesdossier aanwezig was en dat het niet meenemen daarvan tot een onjuiste conclusie had geleid.
De rechtbank verklaarde het verzet van de minister gegrond, waardoor de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van een niet tijdig genomen besluit, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank deed daarom geen inhoudelijke uitspraak over het beroep en wees een vergoeding van proceskosten af.
De uitspraak werd gedaan door rechter P. Vrolijk en griffier F.S. Ulrich op 3 februari 2026 te Rotterdam. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, maar een verzetschrift kan binnen zes weken worden ingediend.