ECLI:NL:RBDHA:2026:3106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3806 en NL26.4431
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 50 VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbArt. 66a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inreisverbod en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring

Eiser werd op 21 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Op diezelfde dag werd tevens een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten. De bewaring werd op 3 februari 2026 opgeheven en vervangen door een andere wettelijke grondslag. De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 22 januari tot 3 februari 2026 onrechtmatig was omdat niet tijdig op de juiste grondslag werd overgegaan, waardoor eiser recht heeft op schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was omdat zijn identiteit en nationaliteit bekend waren. De rechtbank verwierp dit en stelde vast dat eiser bij ophouding geen geldig identiteitsbewijs had, waardoor de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, Vw terecht was. De rechtbank vond dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het niet voldoen aan vertrekplicht, voldoende waren gemotiveerd en dat een lichter middel niet toereikend was.

Ten aanzien van het inreisverbod oordeelde de rechtbank dat dit niet deugdelijk was gemotiveerd, omdat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat eiser naast een vriendin ook ouders en een broer in Nederland heeft. Dit leidde tot vernietiging van het inreisverbod. De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €1.560,- voor de onrechtmatige bewaring en tot vergoeding van proceskosten van €2.802,-.

Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd en eiser krijgt een schadevergoeding van €1.560,- voor onrechtmatige bewaring toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3806 en NL26.4431

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 1). Verweerder heeft op diezelfde dag een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd (bestreden besluit 2).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 1 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 3 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en eiser aansluitend in bewaring gesteld op een andere wettelijke grondslag.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bestreden besluit 1 (NL26.3806)
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Grondslag van de bewaring

2. Op 21 januari 2026 is eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser heeft op 22 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning met het doel ‘familie en gezin’. Op 3 februari 2026 heeft verweerder de maatregel van 21 januari 2026 opgeheven en aansluitend aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd. Het onderhavige beroep heeft betrekking op de eerste maatregel.
2.1.
In een brief aan eisers gemachtigde van 3 februari 2026, en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij niet tijdig, want niet uiterlijk op de tweede dag na 22 januari 2026, eiser op de nieuwe wettelijke grondslag in bewaring heeft gesteld. Volgens verweerder betekent dit dat de bewaring vanaf 22 januari 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd en dat eiser recht heeft op een schadevergoeding over de periode van 22 januari tot en met 3 februari 2026. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond is.
3. Eiser heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring al eerder, namelijk van meet af aan, onrechtmatig was. Over de beroepsgronden die eiser in dit verband heeft aangevoerd, oordeelt de rechtbank als volgt.
Grondslag van de ophouding
3.1.
Eiser voert aan dat hij niet op de juiste grondslag is opgehouden. Volgens eiser wist verweerder ten tijde van de ophouding al wie hij was en daarom stonden zijn nationaliteit en identiteit al vast.
3.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 22 januari 2026 volgt dat eiser op 21 januari 2026 is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Voor een ophouding op grond van dit wetsartikel is vereist dat de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld. De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2026 en voormeld proces-verbaal van ophouding en onderzoek vast dat eiser bij zijn staandehouding en later tijdens het identiteitsonderzoek niet in het bezit was van een geldig identiteitsdocument. Gelet hierop kon verweerder eisers identiteit niet onmiddellijk vaststellen. Verweerder heeft eiser daarom terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw opgehouden.
Bewaringsgronden
3.3.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.4.
Verweerder heeft ter zitting zware grond 3i en de lichte gronden 4c en 4d laten vallen.
3.5.
Eiser voert aan dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser heeft in het jaar 2025 een meldplicht opgelegd gekregen en zich hier aan gehouden. Bovendien is verweerder al zeker een jaar bekend met het woonadres van eiser.
3.6.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze twee zware gronden zich feitelijk voordoen. Bij besluit van 25 september 2025 heeft verweerder een aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘Arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Vast staat dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan zijn uit dit besluit, en een eerder besluit van 3 februari 2025 voortvloeiende vertrekplicht. Eiser heeft zich na ommekomst van de vertrektermijn ook niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten in verband met zijn onrechtmatig verblijf. Dat eiser zich in het verleden aan een opgelegde meldplicht heeft gehouden en verweerder bekend is met eisers woonadres, doet aan de feitelijke juistheid van het voorgaande niet af. Dit betekent dat de twee zware gronden 3b en 3c aan eiser konden worden tegengeworpen.
3.7.
De zware gronden 3b en 3c, in onderling verband en samenhang bezien, konden naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
3.8.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met oplegging van een lichter middel. Hij stelt in dit verband dat de bewaringsmaatregel maar op enkele gronden berust en dat daaruit niet een zodanig onttrekkingsrisico volgt dat er geen meldplicht kon worden opgelegd. Ook in dit verband wijst eiser er op dat hij zich aan een eerder opgelegde meldplicht heeft gehouden en dat hij verblijft op een bij verweerder bekend adres.
3.9.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
3.10.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, gelet op hetgeen onder 3.6 en 3.7 is overwogen, wel degelijk een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Nu eiser zich relatief recent niet heeft gehouden aan de op hem rustende vertrekplicht en niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zijn illegaal verblijf te melden bij de Nederlandse autoriteiten, acht de rechtbank de omstandigheden dat eiser zich in het verleden aan een meldplicht heeft gehouden en hij verblijft op een bij verweerder bekend adres, van onvoldoende gewicht om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd ook geen reden voor de conclusie dat de bewaring onevenredig bezwarend voor hem is geweest. Verweerder heeft de omstandigheid dat eiser in Nederland een vriendin en familie heeft, daartoe onvoldoende kunnen vinden.
4. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat eisers standpunt dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was, niet kan worden gevolgd. De beroepsgronden die eiser in dit verband heeft aangevoerd, slagen niet.
5. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig was. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op het arrest van het Hof in de zaak Adrar, van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Bestreden besluit 2 (NL26.4431)
6. Eiser voert aan dat het inreisverbod niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het inreisverbod maakt dat eiser zijn familie en zijn partner in Nederland in de nabije toekomst niet meer kan bezoeken. Met dit gegeven is onvoldoende rekening gehouden.
7. Nu eiser geen gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende terugkeerverplichting, volgt uit artikel 66a, eerste lid, van de Vw dat verweerder verplicht was eiser een inreisverbod op te leggen. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan verweerder, in afwijking van het eerste lid, om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens het beleid in paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder geen inreisverbod uit als dat een schending van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) betekent. Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt verweerder artikel 8 EVRM Pro-aspecten mee.
Eiser is voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod gehoord. Tijdens dit gehoor heeft hij verklaard over zijn familie en zijn vriendin in Nederland en dat het inreisverbod hem in het contact met dierbaren belemmert. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit tot opleggen van het inreisverbod wel is ingegaan op de omstandigheid dat eiser een vriendin heeft in Nederland, maar niet op het feit dat eiser hier ook ouders en een broer heeft met wie hij altijd heeft samengewoond. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het inreisverbod daarom niet deugdelijk is gemotiveerd. Het inreisverbod is dan ook in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond is en het inreisverbod zal worden vernietigd. Omdat verweerder ter zitting geen aanvullende motivering heeft gegeven, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
Conclusies en gevolgen
8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond.
9. Aan eiser wordt een schadevergoeding toegekend voor 13 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, ter hoogte van € 1.560,- (= 13 x € 120,- (verblijf detentiecentrum)).
10. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond. Bestreden besluit 2 wordt vernietigd.
11. Omdat de beroepen gegrond zijn veroordeelt de rechtbank verweerder in de in verband met de beroepen door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen bij de gevoegde behandeling ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond;
- verklaart het beroept tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- vernietigt bestreden besluit 2;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.560,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.