ECLI:NL:RBDHA:2026:3110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
09/225343-25, 09/296651-25 (ttz gev.) en 09/078167-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verdachte voor meerdere diefstallen, rijden zonder rijbewijs en weigering bloedonderzoek

De rechtbank Den Haag heeft op 3 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere diefstallen, rijden zonder rijbewijs en het weigeren van een bloedonderzoek. De feiten betreffen onder meer diefstal uit woningen, diefstal van een personenauto en een elektrische fiets, en het rijden in een gestolen voertuig zonder rijbewijs.

Tijdens de terechtzitting op 20 januari 2026 zijn de tenlasteleggingen besproken. De rechtbank sprak verdachte vrij van twee feiten wegens onvoldoende bewijs, waaronder diefstal uit een woning en diefstal van lege blikjes en flesjes. Voor de overige feiten, waaronder de diefstallen uit woningen, diefstal van de auto, rijden zonder rijbewijs en weigering bloedonderzoek, achtte de rechtbank de bewijsvoering wettig en overtuigend.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 300 dagen op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De straf is lager dan geëist vanwege een andere bewezenverklaring dan door de officier van justitie. Daarnaast werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. Het beslag op een fles parfum werd verbeurd verklaard. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege verlenging van de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor meerdere diefstallen, rijden zonder rijbewijs en weigering bloedonderzoek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/225343-25, 09/296651-25 (ttz. gev.) en 09/078167-24 (tul)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. van Rookhuizen en van hetgeen door raadsman van de verdachte mr. M. van Olffen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in dagvaarding I met parketnummer 09/225343-25 die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 januari 2026 en dagvaarding II met parketnummer 09/296651-25. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Vrijspraak dagvaarding II, feit 1 en 3
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding II onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 tenlastegelegde. Zo is niet vast te stellen dat het verdachte is geweest die de woning heeft betreden. De enkele omstandigheid dat op camerabeelden een persoon ’s nachts op straat in de directe omgeving van de woning met een voorwerp klikkende bewegingen maakt in de richting van geparkeerde voertuigen is op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de verdachte in de woning is geweest en dat het de verdachte was die de autosleutel uit de woning heeft weggenomen.
Ten aanzien van feit 3
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewijs ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde op zichzelf mager is, maar dat het in samenhang met alle andere feiten en omstandigheden in het dossier voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De officier van justitie heeft in dat verband gewezen op de omstandigheid dat de verdachte is aangetroffen met plastic tassen vol lege blikjes en flesjes en dat hij in het verleden veelvuldig is gecontroleerd omdat hij in tuinen op zoek gaat naar flesjes en blikjes. Daarnaast zijn er die nacht in de straat meerdere diefstallen gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden vragen oproepen, het dossier voor een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde onvoldoende bewijsmiddelen bevat. Niet is komen vast te staan dat de tassen die de verdachte tijdens zijn aanhouding bij zich had de (lege) plastic flessen en blikjes bevatten, die uit de schuur aan de [adres 2] zijn weggenomen. Daarnaast is er geen enkele aanwijzing dat verdachte bij of in de schuur aan de [adres 2] is geweest. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van feit 3 te komen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de bij dagvaarding II onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde en het bij dagvaarding II onder 4 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 en 4 tenlastegelegde en bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Ten aanzien van dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025280933, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 81).
Feit 1 en 2
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 19 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 7-8):
Op dinsdag 19 augustus 2025 om 15:39 uur hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn:
Aangever
Voornamen: [voornamen]
Voorvoegsel: [voorvoegsel]
Achternaam: [achternaam]
Hij deed aangifte namens slachtoffer [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 1968.
"Ik doe aangifte van woninginbraak. Ik ben namens mijn moeder gemachtigd tot het doen van deze aangifte. Mijn ouders zijn woonachtig op [adres 3] .
Op maandag 18 augustus 2025, omstreeks 00:00 uur, kwam mijn broertje thuis. Hij heeft de auto van mijn moeder (Fiat 500)geparkeerd tegenover perceel nummer 3. Hij is toen de woning in gegaan. Mijn broertje is rond een uur of 01:30 uur naar boven gegaan om naar bed te gaan.
Op dinsdag 19 augustus 2025, 12:00 uur werd mijn broertje wakker. Hij wilde toen zijn schoenen pakken. Hij kon deze niet vinden. Toen zocht hij naar contant geld wat mijn ouders voor hem hadden achter gelaten. Het geld lag linksboven in de keukenla. Mijn broertje had het geld onder een bakje gelegd zodat het niet meteen in het zicht lag. Hij heeft heel de la overhoop gehaald om te zoeken maar, kon het geld niet vinden. Toevallig belde ik mijn vader. Hij vertelde mij dat er in hun huis was ingebroken. Mijn vader heeft meteen de camerabeelden bekeken. Hier was op te zien dat er een man de achterdeur open doet en naar binnen loopt. Ik zag dat hij een tas in zijn handen had. Ik zag op de beelden dat de man na 5 min weer naar buiten kwam lopen.
De volgende goederen zijn weggenomen:
Hermes schoenen a 800 euro
800 Contant geld
De auto sleutel en auto van mijn moeder( Fiat 500). Kenteken [kenteken] .
Zonnebril Dita Flight 006 a 560 euro
Luchtje one million a 150 euro
Een honden reismand zwart/grijs van kleur.
2. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte [de verdachte] , opgemaakt op 19 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 32-34):
Op dinsdag 19 augustus 2025, omstreeks 21:00 uur, waren wij, verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met incidentenafhandeling in het centrum van Den Haag. Alle onderstaande straten bevinden zich in Den Haag.
Om 21:09 uur reden wij op de Carnegielaan toen er een ANPR-hit binnenkwam. Wij zagen meteen dat het om grijze Fiat 500 voorzien van kenteken [kenteken] betrof en deze hit rood oplichtte. Wij zagen dat er onder stond dat het voertuig vanmorgen was gestolen en dat het voertuig was gehit op de Torenstraat in de richting van kerk. Wij reden in de richting van de Elandstraat, toen ik, verbalisant [verbalisant 2] een grijze
Fiat 500 voorbij zag rijden in de richting van de Waldeck Pyrmontkade . Wij draaiden met ons voertuig de Elandstraat op en wij zagen dat het kenteken overeenkwam met de ANPR-hit van het gestolen voertuig.
Later aan het politiebureau bleek de verdachte te zijn:
- [de verdachte] , Geboren [geboortedatum 1] 1976 (49) te [geboorteplaats] (Nederland).
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde later dat de sleutel van het voertuig was gestolen
bij een woninginbraak.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 23):
Ik bekeek de camerabeelden, welke vrijwillig waren afgestaan door de aangeefster voor onderzoek. Ik zag dat er een man in de tuin liep. De man kan ik als volgt
omschrijven :
- Man;
- Kort haar;
- Gezichtsbeharing;
- Hemd;
- Blote armen;
- Tattoo op linker bovenarm;
- lange broek;
- Lichte schoenen.
Ik zag dat de man richting de deur, welke toegang gaf tot de woning, toe liep. Ik
zag dat de man even wachten en om zich heen keek. Ik zag dat de man met zijn
linkerhand de deurklink pakte en deze naar beneden deed. Ik zag dat de deur open
ging. Ik zag dat de man de deur verder open deed en om 03:12:36 uur naar binnen liep.
Om 03:17:19 uur zag ik dat de man weer naar buiten liep. Ik zag dat de man weer terug kwam rennen om de deur dicht te doen. Ik zag dat de man weg liep met een voorwerp in zijn rechterhand. Ik zag dat de man op de camerabeelden sterke gelijkenissen had met de aangehouden verdachte [de verdachte] . Ik herkende
de man aan zijn korte haar, gezichtsbeharing en de tatoeage op zijn linker bovenarm.
4. Het proces-verbaal van conclusie onderzoek dactyloscopische sporen, opgemaakt op 20 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 75):
Delictinformatie: Gekwalificeerde diefstal in/uit woning
Datum onderzoek: 19 augustus 2025
Plaats delict: [adres 3]
[afbeelding van tekst verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Feit 2
5. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 20 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 12):
Op woensdag 20 augustus, om 18.32 uur, werd door mij, verbalisant
voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning van de verdachte [de verdachte] .
Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:
Woonkamer :
- Flesje parfum van het merk One Million. Deze stond voor de bank, links achterin de woonkamer op een kastje.
Feit 3 en 4
6. Het proces-verbaal van rijden onder invloed, opgemaakt op 20 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 16-18):
Andere aanleiding
Naar aanleiding van een ANPR-hit van een gestolen voertuig kreeg bestuurder een
stopteken middels de rode stoptransparant.
Identiteitsgegevens van de verdachte
De verdachte gaf mij, [verbalisant 3] ( [nummer] ), op te zijn genaamd:
Achternaam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornamen verdachte]
Geboren: [geboortedatum 1] 1976
Bevel bloedonderzoek
Op dinsdag 19 augustus 2025 om 21:21 uur, Bureau Jan Hendrikstraat, Jan Hendrikstraat 85, 2512 GK 's-Gravenhage, heb ik, [verbalisant 3] ( [nummer] ) , daartoe in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen ambtenaar, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarbij de verdachte is meegedeeld, dat een weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. Dit bleek uit: verdachte heeft bij de voorgeleiding van de hulpofficier van justitie aangegeven mee te werken aan het bloedonderzoek. Nadat de politiearts ter plaatse kwam gaf de verdachte aan toch niet mee te willen werken. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 3] (schaal 8) hem het bevel gegeven mee te werken aan het bloedonderzoek en deelde ik hem mede wat de eventuele nadelige gevolgen voor hem waren. Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij alsnog niet mee ging werken aan het bloedonderzoek.
Geen enkel rijbewijs
Aan de verdachte was nimmer enig rijbewijs afgegeven.
7. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [de verdachte] , opgemaakt op 20 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 47-48):
V: Daarnaast heb je geen rijbewijs. Waarom rij je dan in een auto?
A: Ja ik weet niet mevrouw.
V: Vond je dat je in staat was een voertuig te besturen?
A: Nee.
V: Hierop volgt dan een bloedproef om te kijken hoeveel THC er dan in je bloed zit.
Deze heb je geweigerd. Waarom?
A: Ik laat me niet zomaar prikken weetje. Nee.
Ten aanzien van dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025135324, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 95).
Feit 2
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 25 april 2025, voor zover inhoudende (p. 20-21):
Op 25 april 2025 omstreeks 5:15 uur ben ik erachter gekomen dat er is ingebroken in mijn woning. Ik ben op 25 april 2025 omstreeks 00:15 uur naar bed gegaan. De voordeur zat dicht. De achterdeur was wel dicht maar zat niet op slot.
Ik werd wakker van de deurbel. Ik ben naar beneden gelopen en heb de deur geopend. Ik zag dat er een politieagent voor de deur stond. Ik hoorde de politieagent zeggen dat er zojuist een laptop was gevonden waar mijn naam op stond. Ik ben vervolgens met de politieagent door de woning gelopen.
Ik zag dat de achterdeur open stond. Toen ik door de woning liep zag ik dat mijn werktas weg was. Ik zag dat er in de tas van mijn partner was gerommeld. Ik zag dat de laptop en werktelefoon van mijn partner wegwaren. Ik zag dat mijn steamdeck, welke op het kastje onder de televisie stond, weg was.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 april 2025, voor zover inhoudende (p. 25):
Op vrijdag 25 april 2025, omstreeks 04:50 uur, waren wij, verbalisanten gekleed in uniform en belast met de surveillancedienst in het werkgebied van Zuiderpark. Wij werden door de meldkamer gestuurd naar de Prins Clausstraat ter hoogte van
nummer 53 in Wateringen, aldaar zou zich volgens de melder vreemde geluiden worden gehoord.
Ter plaatse zagen wij een persoon lopen, dit betrof een donker getinte man met een zwarte rugzak. Deze persoon bleek later te zijn: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1976, woonachtig op de [adres 1] .
Ik, verbalisant [verbalisant 4] , opende de rugtas welke [achternaam verdachte] met zich voerde. Ik zag dat in deze rugtas diverse telefoons bevonden, een laptop en een 'steamdeck'.
Ik toonde [achternaam verdachte] een telefoon, welke enkel ontgrendeld kon worden middels een cijfercode. Ik vroeg [achternaam verdachte] of hij deze kon ontgrendelen. Ik hoorde dat hij zei dat hij dit niet kon, omdat hij de pincode niet wist. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , opende de volgende telefoon, op de achtergrond van deze telefoon zag ik een foto van een gezin waarop een blanke man, vrouw en kind stonden afgebeeld. Ik vroeg
[achternaam verdachte] of hij deze mensen kende. Ik hoorde dat hij zei dat dit niet het geval was.
Aan het bureau opende ik 1 van de in beslaggenomen laptops. Ik zag dat de laptop nog aan stond en ik zag de naam " [aangever 2] " staan. In de voor mij beschikbare systemen had ik een hit op de naam en kwam ik uit op: [aangever 2] geboren [geboortedatum 3] 1986 (38) te
Voorburg. Ik zag dat deze persoon woonachtig was op de [adres 4] . Ik zag dat deze locatie op zo'n 200 meter was van waar ik eerder de verdachte [achternaam verdachte] staande had.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 april 2025, voor zover inhoudende (p. 29):
Op vrijdag 25 april 2025 werd onder een persoon een zwarte rugtas met diverse goederen aangetroffen. Ten aanzien van de goederen welke in de rugtas zaten werd onderzoek gedaan. Tevens werd telefonisch contact gelegd met de aangever om nadere informatie te ontvangen omtrent de gestolen goederen en hieruit bleek het volgende:
Mobiele telefoon, Samsung, kleur lichtblauw met een screensaver van een man, vrouw en een kind. Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat dit de familie [aangever 2] betreft.
Rugtas, in de rugtas zaten allemaal papieren van [aangever 2] , tevens verklaarde [aangever 2] telefonisch dat het een rugtas betrof met aan de zijkant handvatten Mobiele telefoon , Samsung met sticker " [aangever 2] ", dit betreft de voornaam van de aangever
Mobiele telefoon, Samsung met op het beeldscherm [partner aangever 2] , dit betreft de partner van de aangever
Laptop, merk HP met op het beeldscherm de naam [aangever 2]
Steamdeck
Laptop, merk Lenovo, ik hoorde de aangever telefonisch zeggen dat wanneer je de laptop aanzet er een blauw scherm tevoorschijn komt met de tekst Bitlocker.
Feit 4
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , adres: [adres 5] , opgemaakt op 25 april 2025, voor zover inhoudende (p. 53):
Ik doe aangifte van diefstal van mijn fiets. Op vrijdag 25 april 2025 wilde ik naar mijn werk. Toen ik naar de schuur liep zag ik dat mijn elektrische fiets weg was. Mijn fiets staat altijd in de schuur. De schuur is aan de achterzijde van het huis en grenst aan het huis en aan de tuin. De deur van de schuur klemt en kan niet op slot.
5. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [de verdachte] , opgemaakt op 3 november 2025, voor zover inhoudende (p. 91-92):
Uit de schuur bleek vervolgens een elektrische fiets, weg te zijn genomen. Vertel eens?
A: Ja, dat zou kunnen.
V: Wat heb je gedaan met de elektrische fiets?
A: Die heb ik verkocht. Ergens daar. Een dief is het ook een keer zat.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding I, feit 1
Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte zelf heeft ontkend dat hij de auto wilde stelen en dat hij de auto heeft gevonden. Volgens de verdediging zou hooguit sprake zijn van joyriding.
De rechtbank overweegt dat de stelling van de verdachte dat hij de auto ergens heeft gevonden zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Ditzelfde geldt voor de diefstal uit de woning. De verdachte is aangehouden op dezelfde dag als de dag dat de diefstal uit de woning heeft plaatsgevonden, het voertuig waar verdachte in zat is het ontvreemde voertuig, op de camerabeelden is een man te zien die sterke gelijkenissen vertoont met de verdachte en binnenin de woning is een vingerafdruk van de verdachte gevonden. De verklaring van de verdachte is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen onaannemelijk en ongeloofwaardig. Ten aanzien van het verweer dat er geen sprake zou zijn van diefstal omdat de verdachte niet de wil had om het voertuig te stelen overweegt de rechtbank dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op diefstal dat hieruit het opzet van de verdachte kan worden afgeleid. De rechtbank verwerpt het verweer.
Dagvaarding I, feit 2
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is van braak, verbreking of inklimming, dan wel het gebruik van een valse sleutel omdat de achterdeur van de woning niet op slot was. Voorts wordt ontkend dat verdachte in de woning is geweest en dat daarom vrijspraak dient te volgen. De enkele – niet onderbouwde - stelling dat de verdachte niet in de woning is geweest wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat de tenlastegelegde braak dan wel verbreking of inklimming niet kan worden bewezen. De achterdeur zat niet op slot en op de camerabeelden is ook te zien dat verdachte de achterdeur opendoet en naar binnen gaat, zonder dat sprake is van braak, verbreking of inklimming. De rechtbank zal de verdachte dan ook van die onderdelen van het tenlastegelegde vrijspreken.
Dagvaarding II, feit 4
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de fiets. Dit zou blijken uit het tijdsverloop en het feit dat de verdachte lopend is aangehouden, met zijn rugzak en een boodschappentas.
De rechtbank overweegt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij niet in de woning is geweest, maar wel denkt dat hij in de schuur is geweest. Hij verklaart dat hij de fiets heeft verkocht, terwijl hij zichzelf – in die context – een dief noemt. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast is komen te staan dat de verdachte de elektrische fiets heeft gestolen uit de schuur. Niet is komen vast te staan dat de verdachte een fietssleutel heeft weggenomen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte alle bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten en de bij dagvaarding II onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten en de bij dagvaarding II onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1
hij op 19 augustus 2025 te 's-Gravenhage
eenauto van het merk Fiat
met kenteken [kenteken] , die aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 19 augustus 2025 te 's-Gravenhage,
in een woning te weten [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of
tegen de wil van de rechthebbende bevond,
omstreeks 03:12 uur, Hermes schoenen en 800 euro contant geld en de autosleutel van een auto met kenteken [kenteken] en zonnebril Dita Flight en luchtje one million en
honden reismanddie aan [slachtoffer]
[slachtoffer] , toebehoorden heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
3
hij, op 19 augustus 2025 te ’s-Gravenhage, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Fiat 500, voorzien van kenteken [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;
4
hij op 19 augustus 2025 te 's-Gravenhage als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto Fiat 500, voorzien van kenteken [kenteken] ) heeft
gereden op de weg, Elandstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde
autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een
rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat
motorrijtuig behoorde.
De in deze te
nlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
Dagvaarding II
2
zaak 2
hij op 25 april 2025 te Wateringen, gemeente Westland, in een woning, de [adres 4] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, telefoons en laptops en een steamdeck, die aan [aangever 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
zaak 4
hij op 25 april 2025 te Wateringen, gemeente Westland, op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 5] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een elektrische fiets die aan [aangever 3] , toebehoorde heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte van die straf het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit een woning, bij wijze van insluiping gepleegd, diefstal van een personenauto, diefstal van een elektrische fiets op een besloten erf bij wijze van insluiping gepleegd, het niet meewerken aan een bloedonderzoek ex art. 163 WVW Pro 1994 en het rijden zonder rijbewijs. Bij de diefstallen heeft hij niet alleen materiële schade veroorzaakt, maar ook een forse inbreuk gemaakt op de privacy en veiligheidsgevoelens van de bewoners. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen. De verdachte heeft echter enkel rekening gehouden met zijn eigen geldelijk gewin. Daarnaast heeft de verdachte gereden in het door hem gestolen voertuig terwijl hij geen rijbewijs heeft, met alle gevaren van dien. Ook heeft hij geweigerd een bloedonderzoek te ondergaan nadat daar door de politie aanleiding toe werd gezien. Voor dit alles heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen, de rechtbank rekent hem dit aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 januari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor diefstallen al dan niet met braak. De verdachte lijkt niet te leren van de straffen die hem eerder zijn opgelegd. De rechtbank houdt hier in het nadeel van verdachte rekening mee. Tevens blijkt dat de verdachte op 6 januari 2026 is veroordeeld, waarbij de proeftijd van de hem voorwaardelijk opgelegde straf waarvoor bij onderhavige zaak tenuitvoerlegging is gevorderd is verlengd. De rechtbank houdt gelet op de veroordeling van 6 januari 2026 rekening met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 6 november 2025, waaruit volgt dat sprake is van verslavingsproblematiek, problemen op het gebied van huisvesting, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren, financiën en van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden en om het huidige toezicht dat is opgelegd bij parketnummer 09/078167-24 te verlengen.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan met de oplegging van een gevangenisstraf. De straf die de rechtbank zal opleggen is lager dan de officier van justitie heeft geëist. Dit is gelegen in het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank, mede gelet op het advies van de reclassering geen aanleiding. Ten aanzien van dagvaarding I, feit 4 wordt volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.585,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu er geen concrete bedragen zijn vermeld.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp door middel van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 7 januari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/078167-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 31 mei 2024 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging gevorderd, omdat de politierechter bij de zitting van 6 januari 2026 de proeftijd met één jaar heeft verlengd.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal, gelet op het feit dat de politierechter in deze rechtbank op 6 januari jl. de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf met één jaar heeft verlengd, de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 57, 63, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht;
- 107, 163, 176, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten en de bij dagvaarding II onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 4:
diefstal, op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
300 DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:
bepaalt dat ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;
de vordering van de benadeelde partij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK parfum (Goednummer: PL1500-2025280503-3374839, Cosmetica Parfumerieën Paco Rabanne One million, goud flesje parfum 200ml);
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 31 mei 2024, gewezen onder parketnummer 09/078167-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. R. Wieringa, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Dagvaarding I (09/225343-25)
1
hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te 's-Gravenhage en auto van het merk Fiat
met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer]
[slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te 's-Gravenhage,
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres 3]
[adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of
tegen de wil van de rechthebbende bevond,
omstreeks 03:12 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
Hermes schoenen en/of 800 euro contant geld en/of de autosleutel van een auto
met kenteken [kenteken] en/of zonnebril Dita Flight en/of luchtje one million en/of
honden reismand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer]
[slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel
van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
3
hij, op of omstreeks 19 augustus 2025 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Fiat 500, voorzien van kenteken [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
4
hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te 's-Gravenhage als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto Fiat 500, voorzien van kenteken [kenteken] ) heeft
gereden op de weg, Elandstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde
autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een
rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat
motorrijtuig behoorde;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd.
Dagvaarding II (09/296651-25)
1 1
zaak 1
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Wateringen, gemeente Westland, in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de Prins Hendrikstraat 64,
alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
geld en/of autosleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan S.M.
van Ekelenburg, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
zaak 2
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Wateringen, gemeente Westland, in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 4] ,
alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
telefoons en/of laptops en/of een steamdeck, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
zaak 3
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 april 2025 tot
en met 25 april 2025 te Wateringen, gemeente Westland, in een woning en/of op
een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 2] , alwaar
verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een
boor, (lege) frisdrankflessen en/of blikjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
zaak 4
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Wateringen, gemeente Westland, in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 5] , alwaar
verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een
elektrische fiets en/of een fietssleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.