ECLI:NL:RBDHA:2026:3117

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
C/09/676486 / HA-ZA 24-1023
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1065 lid 1 Rv (oud)Art. 1065 lid 4 Rv (oud)Art. 17 GrondwetArt. 6 EVRMArt. 2 lid 2 BIT
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vernietiging arbitrale vonnissen in investeringsgeschil tussen Argentinië en ICS

Argentinië vorderde de vernietiging van arbitrale vonnissen die ICS Inspection and Control Services Ltd veroordeelden tot betaling van een groot bedrag met rente. De rechtbank oordeelde dat tussen partijen een geldige arbitrageovereenkomst bestond op grond van het bilateraal investeringsverdrag (BIT) tussen Argentinië en het Verenigd Koninkrijk uit 1990. De exclusieve forumkeuzeclausule in de contractuele overeenkomst tussen partijen sloot arbitrage onder het BIT niet uit.

De rechtbank volgde de arbiters in hun oordeel dat de vorderingen van ICS primair gebaseerd waren op het BIT en niet uitsluitend op de contractuele overeenkomst, waardoor arbitrage bevoegd was. De rechtbank verwierp het verweer van Argentinië dat de rentevergoeding van 12,8% samengesteld per jaar excessief en onredelijk was, en oordeelde dat de arbiters hun opdracht niet hadden geschonden door internationaal recht toe te passen bij de rentevaststelling.

De rechtbank benadrukte de terughoudendheid bij toetsing van arbitrale vonnissen en wees erop dat de beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding niet aan haar toekomt. De vorderingen van Argentinië werden afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Argentinië tot vernietiging van de arbitrale vonnissen af en bevestigt de bevoegdheid van de arbiters op grond van het bilateraal investeringsverdrag.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/676486 / HA ZA 24-1023
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
DE REPUBLIEK ARGENTINIËte Buenos Aires, Argentinië,
eisende partij,
advocaat: mr. T. Stouten,
tegen
ICS INSPECTION AND CONTROL SERVICES LTDte Londen, Verenigd Koninkrijk,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M. van de Hel-Koedoot.
Partijen worden hierna Argentinië en ICS genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 oktober 2024 met producties 1 tot en met 38;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 42;
- de akte overlegging aanvullende producties namens Argentinië, met producties 39 tot en met 42;
- de akte overlegging aanvullende producties namens ICS met producties 43 tot en met 46.
1.2.
Op 18 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Argentinië en het Verenigd Koninkrijk hebben op 11 december 1990 een bilateraal investeringsverdrag gesloten met als titel “
Agreement between the government of the United Kingdom (…) and the government of the republic of Argentina for the promotion and protection of investments” (hierna: het BIT). Het BIT is gesloten om investeringen van ondernemers van de ene verdragsluitende staat op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat te stimuleren. In het BIT is onder meer het volgende opgenomen:

Article 2. Promotion and Protection of Investment
(1) Each Contracting Party shall encourage and create favourable conditions for investors of the other Contracting Party to invest capital in its territory, and, subject to its right to exercise powers conferred by its laws, shall admit such capital.
(2) Investments of investors of each Contracting Party shall at all times be accorded fair and equitable treatment and shall enjoy protection and constant security in the territory of the other Contracting Party. Neither Contracting Party shall in any way impair by unreasonable or discriminatory measures the management, maintenance, use, enjoyment or disposal of investments in its territory of investors of the other Contracting Party. Each Contracting Party shall observe any obligation it may have entered into with regard to investments of investors of the other Contracting Party.
(…)
Article 8. Settlement of Disputes between an Investor and the Host State
(1) Disputes with regard to an investment which arise within the terms of this Agreement between an investor of one Contracting Party and the other Contracting Party, which have not been amicably settled shall be submitted, at the request of one of the Parties to the dispute, to the decision of the competent tribunal of the Contracting Party in whose territory the investment was made.
(2) The aforementioned disputes shall be submitted to international arbitration in the following cases:
(a) if one of the Parties so requests, in any of the following circumstances:
(i) where, after a period of eighteen months has elapsed from the moment when the dispute was submitted to the competent tribunal of the Contracting Party in whose territory the investment was made, the said tribunal has not given its final decision;
(ii) where the final decision of the aforementioned tribunal has been made but the Parties are still in dispute;
(b) where the Contracting Party and the investor of the other Contracting Party have so agreed.
(…)
(4) The arbitral tribunal shall decide the dispute in accordance with the provisions of this Agreement, the laws of the Contracting Party involved in the dispute, including its rules on conflict of laws, the terms of any specific agreement concluded in relation to such an investment and the applicable principles of international law. The arbitration decision shall be final and binding on both Parties.
2.2.
Op 30 maart 1997 is in Argentinië een presidentieel decreet uitgevaardigd dat voorzag in een (nieuw) inspectieprogramma ter verbetering van de controle op geïmporteerde goederen (hierna het inspectieprogramma). Het Argentijnse Ministerie van Economische Zaken (het “
Ministeria de Economica y Finanzas Públicas de la República Argentina”, hierna: Mecon) was de regelgevende autoriteit voor het Inspectieprogramma. Op basis van het inspectieprogramma werden goederen bestemd voor import in Argentinië voor verzending naar Argentinië geïnspecteerd door particuliere inspectiebedrijven. Het inspectieprogramma zou worden gecontroleerd door de Nationale Interne Auditcommissie van Argentinië en door een particulier auditbedrijf. Dit particulier auditbedrijf en de particuliere inspectiebedrijven zijn geselecteerd via een nationale en internationale openbare aanbesteding.
2.3.
In de voorwaarden van de aanbesteding was onder meer opgenomen dat de Argentijnse rechter:

shall be the sole jurisdiction (…), thereby relinquishing any claim to the jurisdiction or venue other than (…).
2.4.
ICS won de openbare aanbesteding voor de het controleren van de uitvoering van het inspectieprogramma door de particuliere inspectiebedrijven. Op 11 maart 1998 sloten Argentinië, in het bijzonder Mecon, en ICS daartoe een overeenkomst op grond waarvan ICS voor Argentinië bepaalde door particuliere inspectiebedrijven verrichte douane-inspectiewerkzaamheden binnen het inspectieprogramma zou controleren (hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst is opgesteld in de Spaanse taal. De Overeenkomst was aangegaan voor een termijn van twee jaar en is daarna met een termijn van een jaar verlengd. Artikel 23 van Pro de Overeenkomst bevat een bepaling over geschilbeslechting. In de Spaanse taal luidt dit artikel als volgt:

JURISDICCÍON: Las partes se comprometen a agotar todas las instancias posibles tendientes a resolver los conflictos derivados del presente contrato por la via extrajudicial y a todo evento establecen en calidad de jurisciccíon pactada, la de los Tribunales Federales competentes, constituyendo domicilio especial ‘EL MINISTERIO” en Hipólito Yrigoyen No 250 CAPITAL FEDERAL y “EL AUDITOR” en Av. Santa Fe 1460 Piso 4̊ – Capital Federal, en los que serán válidas todas las notificaciones y/o Comunicaciones que se cursaren.
2.5.
In het arbitrale tussenvonnis van 8 juli 2019 (zie onder 2.10) is artikel 23 van Pro de Overeenkomst als volgt in het Engels weergegeven:

JURISDICTION: The parties agree to exhaust all available remedies aimed at resolving any dispute that may arise from this contract through out-of court means and, at all events, submit to the jurisdiction of the competent Federal Courts, establishing the following special domiciles: the “MINISTRY” at Hipólito Yrigoyen 250, CITY OF BUENOS AIRES, and the “AUDITOR” at Av. Santa Fe 1460, 4th Floor, City of Buenos Aires. All notices and/or communications served at those domiciles shall be valid.
2.6.
De Overeenkomst liep af in maart 2021, waarna ICS nog werkzaamheden onder de Overeenkomst heeft verricht. In november 2001 eindigde het inspectieprogramma, en daarmee ook de samenwerking tussen Argentinië en ICS. ICS heeft de eindfacturen opgemaakt en Argentinië verzocht alle openstaande facturen te betalen.
2.7.
In verband met de economische toestand in het land is Argentinië op 24 augustus 2001 overgegaan tot drastische bezuinigingen op de overheidsuitgaven. Onder meer werden alle publieke organen en entiteiten verplicht om 13% af te boeken op uitstaande betalingsverplichtingen voor ingekochte goederen en diensten. Voorts is op 6 januari 2002 een noodwet uitgevaardigd waarbij de wisselkoers van de Argentijnse peso werd losgekoppeld van de Amerikaanse dollar (hierna: de noodwet). Middels een presidentieel decreet werden vervolgens op 4 februari 2002 alle uitstaande betalingsverplichtingen in buitenlandse valuta’s omgezet in betalingsverplichtingen in peso’s.
2.8.
Tussen ICS en Argentinië is een geschil ontstaan over het antwoord op de vraag of Argentinië had voldaan aan al haar betalingsverplichtingen jegens ICS:
- ICS was van oordeel dat Argentinië ten onrechte een 10% ‘
fee cap’had gehanteerd;
- ICS maakte aanspraak op betaling van de overeengekomen vergoeding in dollars, op basis van de door ICS in dollars opgemaakte facturen;
- ICS stelde dat op haar facturen ten onrechte op basis van het onder 2.5. genoemde presidentiële decreet 13% in mindering is gebracht;
- ICS heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van door haar gestelde additionele werkzaamheden die ICS tussen juni 1999 en juli 2001 heeft verricht.
2.9.
In 2002 heeft ICS een bestuursrechtelijke vordering tot betaling van de openstaande facturen ingediend. Na het uitblijven van een oplossing heeft ICS in 2004 een aanvullende bestuursrechtelijke vordering ingediend. Tussen december 2006 en april 2007 hebben Argentinië en ICS getracht een schikking te treffen.
2.10.
Op 9 juni 2009 is ICS een eerste arbitrageprocedure op grond van het BIT begonnen. Argentinië deed in deze procedure een beroep op de onbevoegdheid van de arbiters. De arbiters verklaarden zich onbevoegd van de vorderingen van ICS kennis te nemen omdat ICS haar vorderingen op grond van artikel 8 lid 2 onder Pro a (i) van het BIT eerst aan de bevoegde Argentijnse rechter had moeten voorleggen, hetgeen niet was gebeurd. Vervolgens heeft ICS in februari 2012 haar vorderingen voorgelegd aan de bevoegde Argentijnse rechtbank. Toen deze niet binnen achttien maanden had geoordeeld, heeft ICS op 21 juli 2014 een tweede arbitrageprocedure aanhangig gemaakt.
2.11.
Argentinië heeft ook in deze tweede arbitrageprocedure een bevoegdheidsincident opgeworpen. Partijen hebben hierover stukken gewisseld, laatstelijk op 20 oktober 2016. De arbiters hebben zich vervolgens bij arbitraal tussenvonnis van 8 juli 2019 (hierna: het arbitrale tussenvonnis) bevoegd verklaard van de vorderingen van ICS kennis te nemen.
2.12.
Argentinië en ICS hebben verder geprocedeerd, waarbij zij schriftelijke conclusies hebben uitgewisseld en zich mondeling hebben uitgelaten, laatstelijk op 14 april 2021. Bij arbitraal eindvonnis van 29 april 2024 (hierna: het arbitrale eindvonnis) hebben de arbiters Argentinië veroordeeld om aan ICS een bedrag van USD 9.707.398,51 te betalen, te vermeerderen met 12,8% samengestelde rente per jaar vanaf de data van de diverse door ICS gestuurde facturen.
2.13.
Het arbitrale eindvonnis is, in verband met een duidelijke rekenfout, op 12 juli 2024 verbeterd, waarbij het door Argentinië aan ICS te betalen bedrag is aangepast naar USD 9.661.390,80.
2.14.
Na de verbetering is het arbitrale eindvonnis op 23 juli 2024 gedeponeerd bij de rechtbank Den Haag. Hierna worden het arbitrale tussenvonnis en het arbitrale eindvonnis tezamen de arbitrale vonnissen genoemd.

3.Het geschil

3.1.
Argentinië vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair de vernietiging van de arbitrale vonnissen;
II. subsidiair de gedeeltelijke vernietiging van het arbitrale eindvonnis voor zover daarin een veroordeling is vervat rente te betalen;
III. de veroordeling van ICS tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.
3.2.
Argentinië legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt zodat de arbitrale vonnissen op de voet van artikel 1065 lid 1 onder Pro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (oud) vernietigd moeten worden. Argentinië voert daartoe het volgende aan. In de Overeenkomst is een exclusief forumkeuzebeding opgenomen voor de rechter in Argentinië en er is geen (daarvan afwijkende) overeenstemming bereikt over arbitrage.
De bepaling in het BIT uit 1990 en het inroepen daarvan door ICS in 2014 in het kader van haar vermeende vordering op Argentinië kan niet worden gezien als het bereiken van overeenstemming over arbitrage. Het BIT houdt een algemeen aanbod in dat dateert van ruimschoots vóór het moment dat partijen ondubbelzinnig een exclusieve forumkeuze overeenkwamen voor alle geschillen die voorvloeien uit de Overeenkomst. De vorderingen van ICS zien op uitleg en nakoming van de Overeenkomst en hadden moeten worden voorgelegd aan de rechter in Argentinië en beoordeeld moeten worden naar Argentijns recht. De arbiters hebben zich dan ook in het arbitrale tussenvonnis ten onrechte bevoegd verklaard van de vorderingen van ICS kennis te nemen.
3.3.
Aan haar subsidiaire vordering tot gedeeltelijke vernietiging van het arbitrale eindvonnis legt Argentinië ten grondslag dat de renteveroordeling in het arbitrale eindvonnis van 12,8% samengesteld per jaar excessief en onredelijk is. De arbiters hebben zich daarmee niet aan hun opdracht gehouden en de beslissing komt neer op veroordeling tot betaling van rente met een punitief karakter en dat is strijdig met de openbare orde. Hierbij beroept Argentinië zich op de vernietigingsgronden genoemd in artikel 1065 lid 1 onder Pro c en e Rv (oud).
3.4.
ICS voert verweer. ICS concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Argentinië, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Argentinië in de kosten van deze procedure. ICS voert daartoe onder meer aan dat ook als in artikel 23 van Pro de Overeenkomst sprake is van een exclusieve forumkeuze en haar vordering voortkwam uit de Overeenkomst, dat niet afdoet aan de overkoepelende bevoegdheid van de arbiters op grond van het BIT. ICS wijst daarbij op de zogenoemde paraplubepaling, de ‘
Umbrella-clause’ in artikel 2 lid 2 BIT Pro op grond waarvan het niet (volledig) nakomen van verplichtingen uit overeenkomst een schending van het BIT kan opleveren.
3.5.
Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank, voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang, hieronder verder in.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat Den Haag de plaats van arbitrage is. Argentinië heeft de ‘
Notice of Arbitration’ van ICS in de tweede arbitrage op 1 augustus 2014 ontvangen, waardoor de arbitrage op deze datum is gestart. De datum ligt voor 1 januari 2015. Dit betekent dat op deze zaak op grond van artikel IV lid 4 Wet modernisering arbitragerecht het oude arbitragerecht van toepassing is. Dit is evenmin tussen partijen in geschil. Op grond hiervan is de rechtbank Den Haag bevoegd van de vorderingen van Argentinië kennis te nemen.
Beoordelingskader
4.2.
Op grond van vaste rechtspraak [1] is de mogelijkheid van aantasting van arbitrale vonnissen beperkt. De rechtbank moet bij haar onderzoek of grond voor vernietiging bestaat, terughoudendheid betrachten. Een vernietigingsprocedure mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep en het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter in principe slechts in sprekende gevallen kan ingrijpen in arbitrale beslissingen. Voor een aantal van de in 1065 Rv (oud) opgenomen gronden geldt echter dat de rechtbank het bestaan daarvan volledig toetst.
Bevoegdheid arbiters
artikel 1065 lid 1 onder Pro a Rv (oud)
4.3.
Argentinië doet een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Bij de toetsing aan artikel 1065 lid 1 onder Pro a Rv (oud) inzake de bevoegdheid van de arbiters moet de rechtbank zich niet terughoudend opstellen. De ratio van dat artikel is dat een partij niet tegen zijn wil wordt afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Dat zou strijdig zijn met het grondrecht neergelegd in artikel 17 van Pro de Grondwet (Gw) en in artikel 6 van Pro het Europees verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De beoordeling door de arbiters van hun bevoegdheid op grond van artikel 1052 lid 1 Rv Pro (oud) vormt derhalve een voorlopig oordeel, dat de rechtbank vervolgens volledig moet toetsen ter bescherming van dat grondrecht. Die toetsing betreft de voorvraag of sprake is van een geldige arbitrageovereenkomst en, in het verlengde daarvan, of partijen niet worden afgehouden van de rechter die de wet hen toekent.
Het BIT
4.4.
Bij de beoordeling van de vraag of de arbiters bevoegd waren van de vorderingen van ICS kennis te nemen, is van belang dat niet in geschil is dat ICS een ‘
Investor’is en dat sprake is van een ‘
Investment’ in de zin van het BIT. ICS is namelijk een onderneming uit het Verenigd Koninkrijk die een overeenkomst sloot met financiële verplichtingen op het grondgebied van Argentinië [2] . Argentinië heeft zich met het BIT als verdragsluitende staat verbonden om dergelijke investeerders bepaalde bescherming te bieden, ook voor wat betreft de nakoming van verbintenissen uit door hen gesloten overeenkomsten. Zo bepaalt artikel 2 lid 2 van Pro het BIT onder meer dat “
Each Contracting Party shall observe any obligation it may have entered into with regard to investments of investors of the other Contracting Party.
4.5.
In dit geval was de Overeenkomst de basis voor de investering van ICS, waarbij Argentinië zelf ook partij was, namelijk Mecon, haar ministerie van economische zaken. Het is van belang om in dat verband Argentinië als verdragsstaat bij het BIT te onderscheiden van Argentinië als contractspartij van ICS. Argentinië als contractspartij van ICS moest haar verplichtingen uit de Overeenkomst nakomen en Argentinië als verdragsstaat moest de in het BIT beschreven bescherming aan ICS bieden. Tot dat laatste behoort op grond van artikel 2 lid 2 van Pro het BIT onder andere de verplichting om haar verplichtingen onder de Overeenkomst na te komen.
Oordeel arbiters
4.6.
ICS heeft in de arbitrale procedure gesteld dat Argentinië haar verplichtingen onder het BIT heeft geschonden. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op de tekortkomingen van Argentinië onder de Overeenkomst, maar ook op andere voor haar nadelige handelingen van Argentinië zoals de noodwet en het presidentiële decreet (zie onder 2.6.) die volgens ICS schendingen van het BIT door Argentinië vormen.
4.7.
De arbiters hebben overwogen dat zij voor wat betreft hun bevoegdheid ‘
prima facie’ moeten beoordelen of de vorderingen van ICS zijn gebaseerd op schendingen van het BIT. Dit houdt volgens de arbiters in dat zij moeten beoordelen of de door ICS gestelde feiten een schending van het BIT kunnen betreffen. Om bevoegdheid aan te kunnen nemen is niet nodig dat de gestelde feiten in deze fase ook worden bewezen en/of dat wordt beoordeeld of daadwerkelijk sprake is van schendingen van het BIT [3] . De arbiters sluiten hierbij, naar eigen zeggen, aan bij andere gelijksoortige arbitrages. De rechtbank volgt de arbiters hierin. Voor de beoordeling van de bevoegdheid kan worden volstaan met beoordeling van de vraag of de vorderingen op het BIT zijn gebaseerd.
4.8.
De arbiters hebben beoordeeld of ICS een beroep heeft gedaan op artikel 2 lid 2 van Pro het BIT. Daarbij hebben de arbiters een onderscheid gemaakt tussen (i) de bezwaren van ICS gericht tegen acties van Argentinië in haar hoedanigheid van soevereine staat, zoals de noodwet en het presidentiële decreet, en (ii) het verwijt van ICS dat Argentinië als contractspartij van het BIT de verplichtingen onder de Overeenkomst niet is nagekomen. In paragraaf 330 van het arbitrale tussenvonnis hebben de arbiters in algemene termen als volgt overwogen:

The Claimant’s[noot Rechtbank: ICS]
claims meet the “prima facie” test because the Claimant seeks relief on the basis of Article 2(2) of the Treaty[noot Rechtbank: het BIT]
. Furthermore, the Claimant’s claims, with the exception of one category of claims, by their nature can only be based on the Treaty. This is so because these claims relate to norms enacted by Argentina or decisions issued by Argentina. As such these are sovereign measures. They are either applicable to, and may therefore affect, the Claimant’s rights and obligations under the Contract or they are not. Such measures are not, however, governed by the Contract. The exception consists in the claims based on the Umbrella Clause, which will be discussed below.
4.9.
Vervolgens hebben de arbiters voor wat betreft de verschillende aspecten van de vorderingen van ICS overwogen dat de vorderingen van ICS daadwerkelijk zijn gebaseerd op het BIT. [4] Voor wat betreft het verwijt van ICS dat Argentinië artikel 2 lid 2 van Pro het BIT heeft geschonden door de verplichtingen uit de Overeenkomst niet na te komen, de claims onder de zogeheten
Umbrella clause, hebben de arbiters in paragraaf 348 van het arbitrale vonnis als volgt overwogen:

Applying what was established in general terms regarding the “prima facie” test, the Claimant’s claims based on the Umbrella Clause meet the “prima facie” test because the Claimant has referred these claims to the Tribunal qua treaty claims,
i. e. based on rights incorporated by reference into Article 2(2) of the Treaty and therefore governed by the Treaty, and not qua Contract claims, i.e. based on rights governed by the Contract.
4.10.
De conclusie van de arbiters was dat zij bevoegd waren van de vorderingen van ICS kennis te nemen. Voor wat betreft de forumkeuze opgenomen in artikel 23 van Pro de Overeenkomst hebben de arbiters in paragraaf 322 van het arbitrale tussenvonnis overwogen dat deze forumkeuze alleen betrekking heeft op vorderingen van ICS die zijn gebaseerd op de Overeenkomst. Omdat de arbiters vervolgens
prima faciehebben geoordeeld dat de vorderingen die in arbitrage werden voorgelegd zijn gebaseerd op het BIT, hebben zij artikel 23 van Pro de Overeenkomst niet toegepast.
Stellingen Argentinië
4.11.
Het verweer van Argentinië is met name gericht op de overwegingen van de arbiters inzake de forumkeuzeclausule. Zij stelt dat artikel 23 van Pro de Overeenkomst een exclusieve forumkeuze betreft met een veel bredere strekking dan door de arbiters aangenomen. Argentinië en ICS zijn overeengekomen dat ieder geschil dat zou kunnen ontstaan uit de Overeenkomst of ieder geschil dat voortvloeit uit de Overeenkomst te allen tijden moet worden voorgelegd aan de Argentijnse rechter. De vorderingen van ICS, die de tekortkomingen van Argentinië als contractspartij onder de Overeenkomst betreffen, vallen onder de forumkeuze, aldus Argentinië, ook als die zijn geformuleerd als schendingen van het BIT. Hetzelfde geldt volgens Argentinië voor de vorderingen van ICS voor zover deze de handelingen van de soevereine staat Argentinië betreffen. Het aanbod tot arbitrage op grond van het BIT is achterhaald door het exclusieve forumkeuzebeding in de Overeenkomst en ICS kon dat dan ook niet meer aanvaarden. Er is dus geen overeenkomst tot arbitrage tot stand gekomen.
4.12.
De rechtbank volgt Argentinië hierin niet. Met de arbiters is zij van oordeel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen vorderingen gebaseerd op de Overeenkomst en vorderingen gebaseerd op het BIT, waarbij sprake kan zijn van een overlap. Een schending van de Overeenkomst kan ook een schending van het BIT inhouden. Vorderingen ingesteld op grond van de Overeenkomst moeten worden voorgelegd aan de Argentijnse rechter en moeten worden beoordeeld aan de hand van de rechtskeuze van partijen in de Overeenkomst voor het Argentijnse recht. Vorderingen ingesteld op basis van het BIT moeten worden beoordeeld aan de hand van het BIT, [5] waarbij moet worden beoordeeld of Argentinië is tekort gekomen in de verplichtingen die zij jegens ICS op grond van het BIT op zich heeft genomen. Dit is iets anders dan de vraag of Argentinië (als contractspartij bij de Overeenkomst) tekort is gekomen bij de uitvoering van de Overeenkomst. De arbiters hebben op dit punt, onder verwijzing naar uitspraken van internationale scheidsgerechten als volgt overwogen (onderstreping door de rechtbank):

320. The distinction between treaty and contract claims is well established. The distinction is obviously of importance, as the Treaty and the Contract contain different jurisdiction clauses. The Tribunal’s analysis below is consistent with a long line of cases.
321. The scope ratione materiae of the arbitral jurisdiction agreed in Article 8 of the Treaty (the “Treaty arbitral jurisdiction”) turns on the interpretation of this agreement to arbitrate under its proper law, which is public international law. Agreements to arbitrate typically define the scope of arbitral jurisdiction by reference to a substantive legal relationship, here the relationship created by the Treaty between the host State and the investor. In that sense, an agreement to arbitrate is accessory to a defined substantive relationship. Any disputes between the Parties about their rights and obligations arising out of this substantive relationship, here the Treaty, are subject to the Treaty arbitral jurisdiction.
322. Article 23 of the Contract provides for the exclusive jurisdiction of Argentinian Courts for disputes about rights arising out of the Contract within the meaning of Article 23. Its scope is thus limited to contractual claims.Article 23 does not exclude arbitral jurisdiction under the Treaty for treaty claims under international law, which Article 23 does not even mention.Rights under the Treaty are not “deriving from the Contract”. The same applies a fortiori to choice of jurisdiction provisions in tender documents, as they relate to matters of the Contract and were superseded by the Contract.
4.13.
In het BIT dat in 1990 is gesloten tussen het Verenigd Koninkrijk en Argentinië is een arbitrageclausule opgenomen. Op het moment dat ICS de arbitrage in 2014 aanhangig heeft gemaakt, heeft zij van het in het BIT gedane aanbod tot arbitrage door de staat Argentinië gebruik gemaakt. Aan de hand van het internationaal publiekrecht en de daarop gebaseerde maatstaven geformuleerd in uitspraken van internationale scheidsgerechten moet worden bepaald of ICS door in de Overeenkomst een forumkeuze voor de Argentijnse rechtbank op te nemen ten aanzien van geschillen tussen haar en de contractspartij Argentinië die “
derivados del presente contrato” dan wel
”may arise from this contract” dan wel “
voortvloeien uit deze overeenkomst” afstand heeft gedaan van de in het BIT opgenomen mogelijkheid tot arbitrage voor geschillen jegens de staat Argentinië die zijn gebaseerd op het BIT. [6] De arbiters hebben in paragraaf 322 overwogen dat artikel 23 van Pro de Overeenkomst arbitrage voor vorderingen gebaseerd op het BIT en daarmee op internationaal recht niet uitsluit [7] . Door vervolgens te oordelen dat de vorderingen van ICS zijn gebaseerd op het BIT hebben zij zich terecht bevoegd verklaard van de vorderingen van ICS kennis te nemen. Dit is in overeenstemming met internationaal publiekrecht en uitspraken van internationale scheidsgerechten.
4.14.
De rechtbank verwijst in dit kader naar het advies van de PG van 14 november 2025 inzake bilaterale investeringsverdragen [8] waarin de PG overweegt dat de meeste BIT’s voorzien in de mogelijkheid van arbitrage en dat de ratio daarvan van oudsher was dat investeerders voor rechtsbescherming tegen maatregelen van de gaststaat niet afhankelijk mochten zijn van gerechten van dat land maar terecht moesten kunnen bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie. Een verdragsrechtelijk arbitragebeding zoals in BIT’s vormt een (open) aanbod tot arbitrage door de gaststaat. De overeenkomst tot arbitrage komt tot stand door aanvaarding van dat aanbod door een investeerder uit de andere verdragsstaat. Met dit open aanbod tot arbitrage heeft een verdragsstaat zich ertoe verbonden de bevoegdheid van een scheidgerecht te aanvaarden en daarmee de bevoegdheid van de eigen overheidsrechter prijs te geven. In de praktijk wordt de arbitrageregeling gezien als een kernelement van een BIT.
4.15.
Dat de arbiters in paragraaf 322 van het arbitraal vonnis nauwelijks ingaan op de bewoordingen van artikel 23 van Pro de Overeenkomst acht de rechtbank niet van belang. Het gaat er immers om of in artikel 23 van Pro de Overeenkomst de mogelijkheid van arbitrage onder het BIT uitdrukkelijk is uitgesloten. Dat is niet geval. Dit betekent dat de rechtbank niet hoeft in te gaan op de bezwaren van Argentinië tegen de door de arbiters gebruikte Engelse vertaling van artikel 23 van Pro de Overeenkomst. Evenmin hoeft de rechtbank in te gaan op de uitleg van de forumkeuzeclausule onder Argentijns recht. Immers aan de hand van internationaal recht moet worden bepaald of de arbiters bevoegd zijn.
4.16.
Argentinië heeft nog gewezen op het arrest van het hof Den Haag van 23 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1218. In dit arrest heeft het hof in r.o. 4.6. overwogen dat een aanbod tot arbitrage in een BIT dat van toepassing was, heeft te gelden tussen partijen omdat het BIT tot stand was gekomen nadat partijen een overeenkomst met een forumkeuzeclausule hadden gesloten. De rechtbank is van oordeel dat uit dit arrest van het hof niet kan worden afgeleid dat a contrario geldt dat als een BIT is tot stand gekomen voordat een overeenkomst met een forumkeuze is gesloten, de forumkeuze prevaleert. De hierboven onder 4.16. aangehaalde overwegingen alsmede overweging 3.15. van de PG in deze zelfde procedure, ondersteunen dit oordeel van de rechtbank.
Conclusie inzake bevoegdheid arbiters
4.17.
De conclusie van de rechtbank is dat het BIT heeft te gelden als een aanbod tot arbitrage door Argentinië en dat ICS dit aanbod met het uitbrengen van de
Notice of Arbitrationheeft aangenomen, waarna een rechtsgeldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen. Artikel 23 van Pro de Overeenkomst staat hieraan niet in de weg, omdat partijen in artikel 23 van Pro de Overeenkomst de mogelijkheid van arbitrage onder het BIT niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten.
Rente
4.18.
In paragraaf 390 van het arbitrale eindvonnis hebben de arbiters als volgt geconcludeerd:

….the Tribunal now concludes that the Respondent has violated the Umbrella Clause of the Treaty, giving rise to a right to reparation under the Treaty and International law.
Dat ICS recht heeft op vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van tekortkomingen Argentinië heeft Argentinië ook niet weersproken.
4.19.
Met instemming van Argentinië hebben de arbiters in paragraaf 445 van het arbitrale eindvonnis vervolgens als volgt overwogen:

Pursuant to Article 38(1) of the ILC Articles, compensatory interest is owed “when necessary in order to ensure full reparation”, and the interest rate and mode of calculation shall be set so as to achieve that result.
4.20.
De arbiters hebben Argentinië vervolgens veroordeeld tot betaling van een samengestelde rente van 12,8% per jaar vanaf de datum van de opeisbaarheid van de niet door Argentinië betaalde facturen van ICS. Per de datum van het arbitrale eindvonnis bedroeg deze rente afgerond USD 140 miljoen. Deze, volgens Argentinië excessieve en onredelijke, renteveroordeling kan volgens haar niet in stand blijven op grond van artikel 1065 lid 1 onder Pro c en onder e Rv (oud).
Artikel 165 lid 1 onder Pro c: schending van de opdracht
Beoordelingskader
4.21.
Als het gaat om de in artikel 1065 lid 1 sub Pro c (oud) opgenomen vernietigingsgrond, inhoudende dat de arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden, moet de rechter terughoudend toetsen. De wetgever heeft de mogelijkheid van aantasting van arbitrale beslissingen immers beperkt willen houden.
4.22.
Een scheidsgerecht kan de opdracht schenden doordat het niet de juiste beslissingsmaatstaf aanlegt. De burgerlijke rechter is, voor zover het gaat om de beslissingsmaatstaf, alleen bevoegd om te controleren of de arbiters de juiste maatstaf hebben aangelegd. Het staat de burgerlijke rechter niet vrij om inhoudelijk te toetsen of de arbiters de aangelegde maatstaf op de juiste wijze hebben toegepast. Dat zou immers neerkomen op een verkapt hoger beroep, waarvoor de vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt.
4.23.
Artikel 1065 lid 4 Rv Pro (oud) bepaalt dat de grond bedoeld in artikel 1065 lid 1 onder Pro c Rv (oud) niet tot vernietiging kan leiden indien de partij die deze aanvoert aan het geding heeft deelgenomen zonder daarop een beroep te doen, hoewel haar bekend was dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht hield.
Stellingen Argentinië
4.24.
De arbiters moesten volgens Argentinië voor het bepalen van de rente Argentijns recht toepassen. Artikel 8 lid 4 van Pro het BIT bepaalt volgens Argentinië dat de arbiters toepassing moesten geven aan het recht van de staat waarin de investering is gedaan, dus het Argentijnse recht. Voorts ziet de vordering op vermeende wanprestatie van Argentinië onder de Overeenkomst en de Overeenkomst wordt beheerst door Argentijns recht. Ook indien in de Overeenkomst geen rechtskeuze was gemaakt, zou op de Overeenkomst volgens de regels van het internationale privaatrecht Argentijns recht van toepassing zijn. Dat Argentijns recht van toepassing is op de Overeenkomst, concluderen ook de arbiters. Omdat de Overeenkomst geen bepalingen bevat over rente, moet worden teruggevallen op nationale Argentijnse wet- en regelgeving over rente. Voor zover artikel 8 lid 4 van Pro het BIT ook verwijst naar beginselen van internationaal recht gaat het hierbij vermoedelijk om algemeen erkende beginselen als bedoeld in artikel 38 van Pro het Statuut van het Internationaal Gerechtshof (IGH). Beginselen die in de meeste, zo niet alle nationale rechtsstelsels worden erkend, zoals bijvoorbeeld dat overeenkomsten moeten worden nagekomen: pacta sunt servanda.
4.25.
Bij het bepalen van de rente hebben de arbiters volgens Argentinië niet het Argentijnse recht toegepast maar zich gebaseerd op eigen opvattingen over het internationale recht. Zij hebben voor het door hen bepaalde rentepercentage van 12,8% aangeknoopt bij de rente die Argentinië betaalde op staatsobligaties en die was over de betreffende periode veel hoger dan de wettelijke rente in Nederland of in Argentinië. Voorts hebben de arbiters samengestelde rente toegewezen, terwijl naar Argentijns recht – zoals de arbiters zelf ook hebben overwogen – alleen enkelvoudige rente wordt toegewezen. Daarbij gaat het om dwingende bepalingen waarvan niet kan worden afgeweken en die van openbare orde worden geacht. Ook naar internationaal recht is het gebruik van samengestelde rente zeer omstreden. Welke beginselen van internationaal recht de arbiters bij het bepalen van de rente hebben toegepast, hebben zij niet toegelicht, aldus nog steeds Argentinië.
Oordeel rechtbank
4.26.
De arbiters hebben in het arbitrale eindvonnis geoordeeld dat de vraag hoeveel rente Argentinië verschuldigd is, moet worden beoordeeld naar internationaal recht [9] . Waar Argentinië stelt dat de arbiters Argentinië hebben veroordeeld tot betaling van openstaande bedragen onder de Overeenkomst, miskent Argentinië dat de arbiters uitdrukkelijk hebben overwogen dat Argentinië de schade moet vergoeden die ICS heeft geleden als gevolg van de schending door Argentinië van haar verplichtingen onder de
Umbrella Clausevan het BIT. Dat de tekortkomingen van Argentinië ook kwalificeren als tekortkomingen onder de Overeenkomst, betekent niet dat van een schending van het BIT geen sprake is.
4.27.
Gelet op de inhoud van artikel 8 lid 4 van Pro het BIT konden de arbiters Argentijns recht, de Overeenkomst en internationaal publiek recht toepassen. Het BIT schrijft niet voor dat de arbiters alleen Argentijns recht konden toepassen voor de vraag of en hoeveel rente was verschuldigd bij toewijzing van schadevergoeding op grond van het BIT. Door de hoogte van de verschuldigde rente over de schadevergoeding voor haar schendingen van het BIT te bepalen aan de hand van internationaal publiek recht hebben de arbiters hun opdracht dan ook niet geschonden.
4.28.
Argentinië lijkt dit overigens ook te erkennen waar ze in de dagvaarding schrijft dat de arbiters naast de nationale wet- en regelgeving ook acht mochten slaan op beginselen van internationaal recht en dat er een rechtsbeginsel bestaat dat schade volledig moet worden vergoed. Aldus laat Argentinië ook de mogelijkheid open dat de arbiters internationaal publiekrecht toepassen. Argentinië lijkt te impliceren dat de arbiters niet het juiste internationale publiekrecht hebben toegepast, waar ze schrijft dat toepassing van het internationale recht er niet toe kan leiden dat duidelijke regels van nationaal recht terzijde worden geschoven, maar daarbij miskent Argentinië dat de rechtbank niet kan oordelen over de wijze van toepassing van de door de arbiters gehanteerde maatstaf.
4.29.
Voorts geldt nog het volgende. Argentinië heeft gesteld dat ze bij de arbiters uitgebreid heeft toegelicht dat en waarom de arbiters Argentijns recht moesten toepassen voor de bepaling van de hoogte van de rente. Zij heeft echter niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat Argentinië in de arbitrale procedure heeft betoogd dat de arbiters gehouden waren enkel Argentijns recht toe te passen voor het vaststellen van de hoogte van de door Argentinië verschuldigde rente en dat het BIT niet de mogelijkheid bood op dit punt internationaal publiekrecht toe te passen. Hiervoor heeft de rechtbank verwezen naar een passage die impliceert dat ook Argentinië meent dat internationaal publiekrecht kan worden toegepast. Wat hier van zij, de omstandigheid dat Argentinië haar bezwaar niet bij de arbiters heeft opgebracht, brengt mee dat het Argentinië op grond van artikel 1065 lid Pro 4 (oud) niet meer vrijstaat dit bezwaar aan de rechtbank voor te leggen. Ook hierop stuit het bezwaar van Argentinië tegen het arbitrale eindvonnis af.
Artikel 1065 lid 1 onder Pro e: strijd met de openbare orde
Beoordelingskader
4.30.
Naar vaste rechtspraak is vernietiging van een arbitraal vonnis op de grond van artikel 1065 lid 1 onder Pro e Rv (oud) slechts mogelijk indien de inhoud of uitvoering van het vonnis strijd oplevert met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd. Ook bij de beoordeling van deze vernietigingsgrond moet de rechter – behoudens voor zover deze vordering is gebaseerd op strijd met hoor en wederhoor – terughoudendheid betrachten. [10]
Stellingen Argentinië
4.31.
Volgens Argentinië hebben de arbiters een punitieve schadevergoeding opgelegd. Er is sprake van een bovenmatige compensatie die de omvang van de geleden schade ver te boven gaat en een bestraffend element bevat. Daarmee komt de opgelegde rentevergoeding in strijd met de compensatoire functie van het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht. Een arbitraal vonnis waarin een dergelijke excessieve vergoeding wordt toegewezen is in strijd met de openbare orde. Ook internationaal wordt het toewijzen van punitieve schadevergoeding expliciet verworpen. Argentinië verwijst onder meer naar Duitsland waar arbitrale vonnissen waarin een punitieve schadevergoeding wordt toegewezen in beginsel niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. De arbiters hebben uitdrukkelijk overwogen dat een renteveroordeling ertoe moet strekken de geleden schade te vergoeden. Zij hebben ook niet overwogen dat de toegewezen rente een punitief karakter heeft. Dat is echter niet beslissend, beslissend is of de rente de facto dusdanig excessief is dat deze in geen verhouding staat tot de werkelijk geleden schade.
Oordeel rechtbank
4.32.
Uit de overwegingen van de arbiters komt niet naar voren dat het door hen toegekende bedrag aan rente een punitief karakter heeft. De arbiters hebben in het arbitrale eindvonnis geoordeeld dat het bedrag dat zij aan rente toewijzen de daadwerkelijke schade is die ICS heeft geleden doordat Argentinië de door haar op grond van de facturen verschuldigde bedragen niet tijdig heeft voldaan (onderstreping van de rechtbank):
“The Claimant has also not proven an actual loss in the sense of having had to borrow all or part of the unpaid amounts to satisfy its obligations. However, the Respondent’s continuous non payment of the amounts due has caused the Claimant no longer to be a paid contractor entitled to payment for his services, but to be instead placed into the position of an unsecured long-term lender of the State of Argentina without receiving the interest that such a lender is entitled to receive.
451. The Respondent’s breach of its promise to pay under the BIT caused this damage and makes Argentina liable under international law to compensate the Claimant for the interest the latter should have received, but did not receive, as an unsecured long-term lender to the State of Argentina.The damage represented by the loss of such interest is thus proven.
4.33.
Dat het gaat om een – ook ten tijde van het arbitrale eindvonnis al – hoog bedrag aan rente, is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de toegepaste rente ondanks de overwegingen van de arbiters punitief van aard was. Argentinië baseert die conclusie op haar stelling dat de rente excessief is en in geen verhouding staat tot de daadwerkelijk geleden schade. De juistheid van het oordeel van de arbiters over de hoogte van de schade (en dat met de toegewezen rente de daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed) ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor. Dat zou neerkomen op een – verkapt – hoger beroep. De rechtbank gaat daarom aan die stelling van Argentinië voorbij.
4.34.
Argentinië heeft nog gesteld dat de arbiters ICS ten onrechte hebben gelijkgesteld aan een obligatiehouder en vervolgens ten onrechte hebben geoordeeld dat een obligatiehouder recht zou hebben op een rente van 12,8%. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Argentinië nog betoogd dat de obligatiehouders, met wie de arbiters ICS vergelijken, door Argentijnse maatregelen nooit een rente betaald hebben gekregen van 12,8%. Ook heeft ze erop gewezen dat naar internationaal publiekrecht de toewijzing van samengestelde rente de uitzondering is. Voor zover Argentinië met deze en ook andere stellingen heeft bedoeld aan de rechtbank voor te leggen dat de schade die ICS heeft geleden niet het door de arbiters vastgestelde bedrag is, gaat de rechtbank ook hieraan voorbij. Hoeveel schade ICS heeft geleden en of de oordelen en overwegingen van de arbiters daarover juist zijn, gaat het toetsingskader van deze procedure te buiten. Het is niet aan de rechtbank om te oordelen of de arbiters een inhoudelijk juiste beslissing hebben genomen.
4.35.
Ook overigens merkt de rechtbank ten overvloede op dat de wettelijke handelsrente in Nederland op dit moment 10,15% bedraagt en dat dit een samengestelde rente is. Voorts is, in het kader van een ambtshalve toetsing van consumentencontracten, een samengestelde rente pas bij een hoogte van meer dan 14% onaanvaardbaar. In het licht hiervan is niet zonder meer duidelijk dat een samengestelde rente van 12,8% zo excessief is dat sprake is van strijdigheid met dwingend Nederlands recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd.
Conclusie ten aanzien van de rente
4.36.
De bezwaren van Argentinië tegen de door de arbiters vastgestelde rente leiden niet tot een (gedeeltelijke) vernietiging van het arbitrale eindvonnis.
Conclusie
4.37.
De slotsom is dat de vorderingen van Argentinië moeten worden afgewezen.
4.38.
Argentinië is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ICS worden begroot op:
- griffierecht
688
- salaris advocaat
9.262
(2 punten × € 4.361 – tarief VIII)
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.139
4.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Argentinië in de proceskosten van € 10.139, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met 98 plus de kosten van betekening als Argentinië niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt Argentinië in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, mr. P. Dondorp en mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395 en HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593.
2.Artikel 1 BIT Pro onder a onder (iii): claims to money which are directly related to a specific investment or to any performance under contract having a financial value (..).
3.Paragraaf 328 arbitraal tussenvonnis.
4.Arbitraal tussenvonnis paragrafen 353 en 361 en de daaraan voorafgaande paragrafen.
5.Zie ECLI:NL:PHR:2025:1247, r.o. 3.15. en 3.16.
6.Zie noot 5.
7.Arbitraal tussenvonnis paragraaf 322.
8.Zie ECLI:NL:PHR:2025:1247, r.o. 3.4. en 3.5.
9.Arbitrale eindvonnis paragraaf 441.
10.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, r.o. 5.4.9.