ECLI:NL:RBDHA:2026:3226
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na verlening verblijfsvergunning EU/EER
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel 'familie en gezin', welke door de minister is afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de procedure heeft de minister aan de rechtbank meegedeeld dat aan eiser inmiddels een verblijfsvergunning EU/EER is verleend op grond van artikel 20 VWEU Pro (Chavez-Vilchez).
De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Gelet op de verlening van de verblijfsvergunning tot 2030, de opheffing van het terugkeerbesluit, de SIS-signalering en het inreisverbod, concludeert de rechtbank dat eiser niet in een materieel gunstigere positie kan komen door het beroep. Ook de door eiser aangevoerde argumenten over de ingangsdatum van de vergunning en het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar bieden geen aanknopingspunten voor procesbelang.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier Y. van Wijk op 18 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na verlening van een verblijfsvergunning EU/EER.