ECLI:NL:RBDHA:2026:3231

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
09-121046-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 11b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor deelname aan criminele organisatie en handel in soft- en harddrugs

De rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 2004, die zich schuldig heeft gemaakt aan handel in soft- en harddrugs, bezit van harddrugs en deelname aan een criminele organisatie. De feiten vonden plaats tussen februari 2022 en juni 2023 in Zoetermeer en Benthuizen. De verdachte heeft de feiten bekend en is vrijgesproken van bezit van cocaïne, heroïne en amfetamine wegens ontbreken van NFI-testrapporten.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, waaronder het misbruik van kwetsbare personen en minderjarigen binnen de organisatie, de maatschappelijke ontwrichting door de drugscriminaliteit en de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid. De verdachte is een first offender zonder eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en vertoont positieve ontwikkelingen sinds de voorlopige hechtenis.

Op basis van het reclasseringsrapport en de persoonlijke omstandigheden is besloten het jeugdstrafrecht toe te passen, gezien de jonge leeftijd en de mogelijkheid tot pedagogische beïnvloeding. De verdachte is veroordeeld tot 240 dagen jeugddetentie, waarvan 72 dagen reeds in voorarrest zijn doorgebracht. Een deel van 168 dagen is voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding, dagbesteding, schuldhulpverlening en middelencontrole.

Daarnaast zijn diverse inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder een geldbedrag van €1.970 en een iPhone 7, verbeurd verklaard. Andere goederen zoals een bromfiets, elektronica en sleutels zijn teruggegeven. De verdachte heeft afstand gedaan van bepaalde drugs en een mes. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer jeugdstrafzaken van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 dagen jeugddetentie, waarvan 168 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-121046-23
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[de verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. M. Grimmelikhuijsen en de raadsman van de verdachte is mr. L.A. Nooijen te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 7 juni 2023 te Zoetermeer en/of Benthuizen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of methamfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde cocaïne en/of methamfetamine en/of heroïne en/of MDMA en/of MDA en/of MDEA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te Benthuizen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 6,4 gram MDMA en/of MDA en/of MDEA (XTC), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA en/of
- 2 gripzakjes cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- 1 gripzakje heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- 1 gripzakje amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of MDA en/of MDEA en/of cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 7 juni 2023 te Zoetermeer en/of Benthuizen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk meermalen althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 7 juni 2023 te Zoetermeer en/of Benthuizen althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3 en 4. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van het tenlastegelegde bezit van cocaïne, heroïne en amfetamine omdat testrapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ontbreken.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van het onder feit 2 ten laste gelegde bezit van cocaïne, heroïne en amfetamine. De raadsman heeft verzocht om de verdachte daarvan, om dezelfde reden als door de officier van justitie genoemd, vrij te spreken.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 1, 2, 3 en 4 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk ter terechtzitting van 5 februari 2026 bekend. Daarnaast heeft de raadsman geen (algehele) vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten (met uitzondering van één onderdeel van feit 2) eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH4R023025 (onderzoek Cassis), van de politie eenheid eenheid Den Haag, districtsrecherche Zoetermeer Omegateam, met bijlagen (doorgenummerd pagina
1. t/m 1436).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
t.a.v. alle feiten:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 februari 2026;
t.a.v. feit 1, 3 en 4 ook:
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 mei 2023, p. 367-399;
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 mei 2023, p. 477-483;
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juni 2023, p. 699-708;
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 juni 2023, p. 709-717;
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 juni 2023, p. 785-796.
t.a.v. feit 2:
2. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 7 juni 2023,
p. 328-332;
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 juni 2023, p. 695-697;
4. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 6 oktober 2023, p. 1424-1436.
Partieel vrijspraak feit 2
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, bij
gebrek aan NFI-testrapporten, dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bezit
van cocaïne, heroïne en amfetamine.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 1 februari 2022 tot en met 7 juni 2023 te Zoetermeer en Benthuizen, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd
hoeveelheden van materialenbevattende cocaïne, heroïne, methamfetamine, MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde cocaïne, methamfetamine, heroïne, MDMA en MDA en MDEA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 7 juni 2023 te Benthuizen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 6,4 gram MDMA (XTC), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
3
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 7 juni 2023 te Zoetermeer en Benthuizen, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 7 juni 2023 te Zoetermeer en Benthuizen, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere
n) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro en vierde lid
van deOpiumwet.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de
bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte
daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht en rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 168 dagen jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft te kennen gegeven dat hij zich in de eis van de officier van justitie kan vinden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het meest recente reclasseringsrapport en uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenDe verdachte heeft zich, samen met anderen, gedurende een periode van ongeveer 16 maanden schuldig gemaakt aan de handel in soft- en harddrugs. De verdachte vormde gedurende die periode samen met anderen een criminele organisatie die deze handel tot doel had. Daarnaast heeft hij harddrugs in zijn bezit gehad. Met de handel in soft- en harddrugs heeft de verdachte, samen met zijn medeverdachten, misbruik gemaakt van kwetsbare personen, die gemakkelijk overgehaald konden worden om voor de verdachte en zijn medeverdachten te werken of met hen samen te werken. De organisatie waar de verdachte aan deelnam, had minderjarige lopers in dienst en er werden ook drugs verstrekt aan minderjarige gebruikers. Door mee te doen met het verspreiden van drugs heeft de verdachte ook voor overlast gezorgd en voor onveiligheid van anderen op de plekken waar die handel plaatsvond, waaronder in woningen en op straat. Ook heeft hij met zijn medeverdachten de gezondheid van gebruikers in gevaar gebracht.
Het gebruik van verdovende middelen is (zeer) schadelijk voor de volksgezondheid. Het gebruik hiervan leidt bij sommige gebruikers tot een hardnekkige verslaving die veelal bekostigd wordt door het plegen van strafbare feiten door deze gebruikers. Bovendien gaat de grootschalige handel in soft- en harddrugs zelf ook gepaard met criminaliteit, die de maatschappij ontwricht en regelmatig tot ernstige incidenten leidt. De verdachte heeft hieraan een bijdrage geleverd. De rechtbank rekent hem dat aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Fivoor van 30 oktober 2025. Kort samengevat volgt uit het rapport dat het risico op recidive als gemiddeld wordt ingeschat. Er zijn risico’s op het gebied van dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, het ontbreken van een steunend netwerk en middelengebruik. De verdachte heeft baat bij de ondersteuning en begeleiding zoals ingericht in het schorsingstoezicht. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis is hij niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De verdachte woont momenteel begeleid en ontvangt praktische ondersteuning op gebied van woonvaardigheden en de weg naar zelfstandigheid. Daarnaast krijgt hij ambulante
begeleiding, waarbij er aandacht is voor zijn sociale netwerk, dagbesteding, gezinssituatie en het omgaan met tegenslagen. De verdachte werkt nu als zzp’er en heeft een inkomen, maar omdat hij in het verleden vaak geen zinvolle dagbesteding had, hij na korte tijd met een baan stopte en hij geen startkwalificatie heeft, is het verplichten tot het volgen van een opleiding en/of het hebben van betaald werk geïndiceerd. Ook is het wenselijk dat schuldhulpverlening wordt ingezet om de financiële vaardigheden van de verdachte te vergroten en wenselijk is ook dat het drugsgebruik van de verdachte wordt gemonitord middels middelencontroles. Indien nodig, kunnen er interventies worden ingezet gericht op het middelengebruik. Verder is een meldplicht bij de reclassering geïndiceerd om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden.
Wat betreft de vraag of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, wijst de reclassering op indicaties die pleiten voor het toepassen daarvan, maar ook op enkele contra-indicaties. Alles afwegend komt de reclassering uiteindelijk tot het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarbij weegt de reclassering de jonge leeftijd van de verdachte mee, het feit dat hij first offender is wat betreft feiten als de tenlastegelegde en dat hij nog lijkt te kunnen profiteren van een pedagogische benadering vanuit de hulpverlening, waarbij wordt ingezet op zijn transitie naar volwassenheid. Er wordt met name gezien dat er winst te behalen valt wat betreft de impulsiviteit van de verdachte, het organiseren van zijn eigen gedrag en het nemen van verantwoordelijkheid daarvoor en schoolgang, in welk verband hij nog ontwikkelingstaken heeft te vervullen. Dit maakt dat betrokkenheid van de volwassenreclassering passend is, waarbij een jong-volwassenen-aanpak wordt toegepast.
Indien de verdachte wordt veroordeeld, adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een verplichting tot meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verplichting tot het hebben van dagbesteding en een verplichting tot meewerken aan schuldhulpverlening, aan middelencontrole en aan ambulante begeleiding.
De reclasseringswerker heeft daaraan ter zitting toegevoegd dat de verdachte inmiddels een eigen woning heeft gekregen. Daarom adviseert zij de bijzondere voorwaarde van begeleid wonen te vervangen door de voorwaarde dat de verdachte mee moet werken aan ambulante woonbegeleiding van Tom in de buurt of Cardea.
De verdachte heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat hij met een eenmanszaak werkzaam is in de bouw, hij nog van plan is een startkwalificatie te gaan behalen en hij af en toe nog softdrugs gebruikt.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR-zaken
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd gedurende een langere periode waarin hij de eerste maanden minderjarig was en op een gegeven moment de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven.
De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte nog ontwikkeltaken heeft te vervullen en bovendien nog lijkt te kunnen profiteren van een pedagogische benadering vanuit de hulpverlening, waarbij wordt ingezet op zijn transitie naar volwassenheid. Er is dus nog ruimte voor pedagogische beïnvloeding bij de verdachte. De rechtbank acht het van belang gebruik te maken van de pedagogische
mogelijkheden zolang die er nog zijn.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met zestien maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
In dit geval houdt de rechtbank in strafverlagende zin rekening met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van bewezen verklaarde feiten, de overschrijding van de redelijke termijn (zoals hiervoor al overwogen) en de duurzame positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij ter terechtzitting van 5 februari 2026 volledige openheid van zaken heeft gegeven en dat hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis niet meer met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.
Gezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank vindt dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Alles afwegend acht de rechtbank - conform de eis van de officier van justitie - een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de 72 dagen die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Een gedeelte van 168 dagen wordt voorwaardelijk opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals (ter terechtzitting van 5 februari 2026) geadviseerd door de reclassering. Deze voorwaarden zijn gericht op de voortzetting van de begeleiding zoals die al plaatsvindt alsook op het behouden van structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te blijven ontwikkelen en langs die weg ook herhaling van het plegen van strafbare feiten kan worden voorkomen.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

De inbeslaggenomen voorwerpen
Beslaglijst
1970 EUR IBN: 07-06-2023 (omschrijving: PL1500-2023141182-G2966048)
KVI’s
Steekwapen (mes) X-Treme X-2003 (KVI PL1500-2023141182-41)
Verdovende mid (Xtc) 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-52)
Verdovende mid 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid (Xtc) 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-42)
Verdovende mid (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid (KVI PL1500-2023141182-42)
Verdovende mid 7 stuks (KVI PL1500-2023141182-42)
Verdovende mid 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-67)
Verdovende mid 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-31)
Verdovende mid 4 stuks (KVI PL1500-2023141182-52)
Verdovende mid 10 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Sleutels bromfiets (KVI PL1500-2023141182-26)
Kentekenbewijzen 2 x en bos sleutels (KVI PL1500-2023141182-29)
Bromfiets Kymco Agility 50 (KVI PL1500-2023141182-137)
Smartwatch (KVI PL1500-2023141182-83)
Computer (Notebook) Hp Hewlett-Packyard (KVI PL1500-2023141182-77)
Computer (Notebook) Hp (KVI PL1500-2023141182-76)
Computer (Tablet) Apple iPad (KVI PL1500-2023141182-72)
Computer (Tablet) Apple iPad (KVI PL1500-2023141182-81)
Communicatieap (Telefoon) Samsung (KVI PL1500-2023141182-59)
Communicatieap (Smartphone) Apple iPhone 7 (KVI PL1500-2023141182-53)
Reisdocument (Ovjaarkaart) 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-69)
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp, te weten het geldbedrag van € 1.970,-, zal worden verbeurd verklaard.
Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht een beslissing te nemen over de in beslag genomen voorwerpen die niet op de beslaglijst staan, maar waarvan wel een kennisgeving van inbeslagneming (kvi) is opgemaakt. Zij heeft gevorderd dat de navolgende in beslag genomen voorwerpen verbeurd worden verklaard: de drugs/medicatie, de dealtelefoon, het mes en de bromfiets en aanverwante zaken. Zij heeft voorts gevorderd dat de overige in beslag genomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om teruggave van het geldbedrag van € 1.970,-, nu niet vast is komen te staan dat dat geldbedrag afkomstig is van de bewezen verklaarde feiten en er geen strafvorderlijk belang meer is, en om teruggave van de bromfiets en aanverwante zaken (sleutels en kentekenbewijzen) en de elektronica, met uitzondering van de dealtelefoon. De verdachte heeft op de zitting van 5 februari 2026 afstand gedaan van de inbeslaggenomen medicatie/drugs, het mes en de reisdocumenten (op naam van anderen dan de verdachte).
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Teruggave
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder 14 tot en met 22 genummerde voorwerpen en de teruggave aan de rechthebbenden van de onder 24 genummerde voorwerpen.
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde geldbedrag (van € 1.970,-) moet worden verbeurdverklaard omdat het een voorwerp betreft dat aan de verdachte toebehoort en dat geheel of grotendeels door middel van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten is verkregen. Het geldbedrag bevond zich in een aan de verdachte toebehorend Louis Vuitton-tasje waarin ook (deal)hoeveelheden harddrugs zijn aangetroffen.
De rechtbank zal voorts de dealtelefoon (KVI PL1500-2023141182-53, iPhone 7, genummerd 23) verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.
Afstand door verdachte
Nu de verdachte ter zitting afstand heeft gedaan van de in beslag genomen medicatie/drugs en het mes, zal de rechtbank daarover geen beslissing nemen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 33, 33a, 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2, 3, 10, 11, 11b van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 4:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
240 (TWEEHONDERDVEERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
door de rechtbank vastgesteld op 72 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
168
(HONDERDACHTENZESTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
een twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de reclassering;
2. gedurende de proeftijd meewerkt aan ambulante woonbegeleiding van Tom in de Buurt en/of Cardea of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van drugs en alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door E25 of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
5. zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of een opleiding, met een vaste structuur;
6. gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor, de reclassering, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de inbeslaggenomen goederen
teruggave
gelast de teruggave aan de veroordeelde van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
Sleutels bromfiets (KVI PL1500-2023141182-26)
Kentekenbewijzen 2 x en bos sleutels (KVI PL1500-2023141182-29)
Bromfiets Kymco Agility 50 (KVI PL1500-2023141182-137)
Smartwatch (KVI PL1500-2023141182-83)
Computer (Notebook) Hp Hewlett-Packyard (KVI PL1500-2023141182-77)
Computer (Notebook) Hp (KVI PL1500-2023141182-76)
Computer (Tablet) Apple iPad (KVI PL1500-2023141182-72)
Computer (Tablet) Apple iPad (KVI PL1500-2023141182-81)
Communicatieap (Telefoon) Samsung (KVI PL1500-2023141182-59)
gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
Reisdocument (Ovjaarkaart) 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-69)
verbeurdverklaring
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en onder 23 genummerde voorwerpen, te weten:
1970 EUR IBN: 07-06-2023 (omschrijving: PL1500-2023141182-G2966048) en
Communicatieap (Smartphone) Apple iPhone 7 (KVI PL1500-2023141182-53);
afstand
stelt vast dat door de veroordeelde van de navolgende in beslag genomen voorwerpen afstand is gedaan:
Steekwapen (mes) X-Treme X-2003 (KVI PL1500-2023141182-41)
Verdovende mid (Xtc) 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-52)
Verdovende mid 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid (Xtc) 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-42)
Verdovende mid (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid 3 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
Verdovende mid (KVI PL1500-2023141182-42)
Verdovende mid 7 stuks (KVI PL1500-2023141182-42)
Verdovende mid 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-67)
Verdovende mid 2 stuks (KVI PL1500-2023141182-31)
Verdovende mid 4 stuks (KVI PL1500-2023141182-52)
Verdovende mid 10 stuks (KVI PL1500-2023141182-60)
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, rechter, tevens kinderrechter,
en mr. E. Rabbie, rechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.