ECLI:NL:RBDHA:2026:3236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AWB 21 3738
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar

Eiser, een Amerikaanse nationaliteit dragende internetpagina-maker, werd op 24 april 2021 geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar vanwege het overschrijden van de vrije termijn in Nederland. Hij betwistte het besluit en voerde aan dat hij niet bewust de termijn had overschreden en dat zijn werkzaamheden voor een Nederlands bedrijf zijn verblijf rechtvaardigen.

De rechtbank overwoog dat het beroep inhoudelijk behandeld moest worden ondanks onduidelijkheid over de uitvoering van het terugkeerbesluit en de status van het inreisverbod. De werkzaamheden van eiser via internet zijn niet plaatsgebonden en bieden geen grond om het besluit te vernietigen. Ook de persoonlijke omstandigheden en reiservaringen van eiser rechtvaardigen geen ander oordeel.

De rechtbank vond geen aanwijzingen voor een refoulementrisico en concludeerde dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod rechtmatig zijn. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/3738

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 24 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1987 en bezit de Amerikaanse nationaliteit.
2. Op 24 april 2021 is eiser door de politie Amsterdam, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel, gehoord naar aanleiding van de vaststelling dat hij de vrije termijn zoals bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 met meer dan drie dagen heeft overschreden en Nederland niet onmiddellijk heeft verlaten. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij werkzaam is als maker van internetpagina’s, onder meer voor een Nederlands bedrijf. Ook voert hij aan dat hij niet bewust de vrije termijn heeft overschreden en dat hij het droevig vindt dat hij een inreisverbod heeft gekregen aangezien hij na diverse perikelen met reizen naar allerlei landen juist bewust heeft gekozen voor een verblijf in de Europese Unie.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Gelet op het tijdstip van deze uitspraak overweegt de rechtbank allereerst in het kader van het procesbelang dat geen duidelijkheid bestaat over de vraag of eiser reeds gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit, en de vraag of het inreisverbod vervolgens al is verlopen. Desondanks zal de rechtbank de zaak inhoudelijk behandelen. Als het inreisverbod in stand blijft, kan namelijk niet worden uitgesloten dat dit gevolgen heeft voor de mogelijkheden om indien nodig opnieuw een inreisverbod aan eiser uit te vaardigen.
5. In wat eiser aanvoert kan geen reden worden gevonden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Eiser onderkent dat hij de vrije termijn heeft overschreden. De omstandigheid dat hij onder meer voor een Nederlands bedrijf werkt is geen aanleiding voor een ander oordeel aangezien eiser zijn werkzaamheden kennelijk via het internet verricht zodat dit niet aan een plaats gebonden is. Ook eisers ervaringen met reizen en zijn wens om in de Europese Unie te verblijven maken niet dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
6. Ambtshalve oordelend ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten vanwege een refoulementrisico.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.