ECLI:NL:RBDHA:2026:3243

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL25.131
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 28 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid

Eiser, van Afghaanse nationaliteit en behorend tot de Pashtun bevolkingsgroep, diende op 8 november 2022 een asielaanvraag in. De minister wees deze op 10 december 2024 af wegens ongeloofwaardigheid van de gestelde ruzie tussen de broer van eiser en de Taliban en de daaruit voortvloeiende problemen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontsnappingsverhaal van eiser ongeloofwaardig zou zijn. De vermeende inconsistenties over de vertrekdatum uit Afghanistan worden verklaard door het gebruik van verschillende kalenders en een mogelijke vertaalslag door de tolk. Ook de kritiek op de ontsnappingspogingen faalt omdat de minister onvoldoende doorvroeg en de verklaringen van eiser aannemelijk zijn.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.131

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 december 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vw.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op 24 maart 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2025 op zitting, achter gesloten deuren, behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer A.S. Abdi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
2.4.
Het vooronderzoek is vervolgens heropend omdat de rechter die het beroep heeft behandeld langdurig afwezig is en een andere rechter daarom op het beroep zal beslissen. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van de partijen aangegeven een nieuwe behandeling op zitting te willen. Vervolgens is het vooronderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. Verder stelt eiser dat hij tot de Pashtun bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de Taliban hem ten onrechte als dader aanwijst voor de moord op drie lijfwachten. Volgens eiser heeft de Taliban hem daarom mishandeld en gedetineerd, terwijl hij niets met de moorden te maken heeft. Eiser verklaart dat de drie lijfwachten wapens en geld vervoerden en hoogstwaarschijnlijk om die reden zijn overvallen en gedood. Omdat hij voor zijn leven vreesde, stelt eiser te zijn gevlucht.
Eiser stelt zich hierbij op het standpunt dat hij geen bescherming tegen de Taliban van de Afghaanse overheid of hogere instanties kan krijgen.
De standpunten van partijen
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de gestelde ruzie tussen de broer van eiser en (een lid van) de Taliban en de problemen die daaruit voortvloeien.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Verweerder vindt de door eiser gestelde ruzie tussen zijn broer en (een lid van) de Taliban en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig.
6. Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit betwist. Een bespreking van wat hij heeft aangevoerd zal – voor zover relevant – hieronder plaatsvinden.
De beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde ruzie tussen zijn broer en (een lid van) de Taliban en de daaruit voortvloeiende problemen
7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde ruzie tussen zijn broer en (een lid van) de Taliban en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn.
7.1.
Daaraan heeft verweerder in het voornemen de volgende vijf redenen ten grondslag gelegd:
1. Eiser heeft inconsistent verklaard over de tijdlijn van gebeurtenissen;
2
.Het is vaag dat eiser zonder zijn broer opeens wel kan ontsnappen;
3. Het hele ontsnappingsverhaal van eiser is niet te volgen en onvoldoende inzichtelijk gemaakt;
4. Eiser heeft niet helder gemaakt waarom zijn moeder wel in Afghanistan kan verblijven en hij niet;
5. Eiser heeft inconsistent verklaard over zijn verblijf na de dood van zijn broer.
7.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de redenen 4 en 5 niet langer aan eiser worden tegengeworpen. De overige drie redenen heeft eiser in beroep gemotiveerd betwist. De rechtbank zal hierna op deze beroepsgronden ingaan.
Reden 1 tijdlijn:
8. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat hij inconsistent heeft verklaard over wanneer hij Afghanistan heeft verlaten en wanneer de problemen, die aanleiding gaven om zijn land te verlaten, zich hebben afgespeeld. Zo heeft eiser
tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij Afghanistan op 31 mei 2022 heeft verlaten, terwijl hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat de problemen die aanleiding waren voor zijn vertrek pas in juli 2022 zijn begonnen. Volgens verweerder mag redelijkerwijs van eiser worden verwacht dat hij helder en eenduidig verklaart over de periode waarin hij zijn land heeft verlaten en de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen. Verweerder meent dat eiser ook in beroep geen verschoonbare reden voor deze inconsistente verklaringen heeft gegeven. Hij heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij in zijn specifieke geval onder invloed van stress inconsistent heeft verklaard.
9. Eiser heeft in de beroepsgronden aangevoerd dat hij tijdens het nader gehoor [2] duidelijk heeft verklaard waarom het niet klopt dat hij in mei 2022 Afghanistan heeft verlaten. Hij heeft toen namelijk uitdrukkelijk aangegeven dat de problemen in de ‘zevende’ maand van 2022 hebben plaatsgevonden en dat hij daarna uit Afghanistan is vertrokken. Dit betekent volgens eiser dat hij in juli 2022 en niet in mei 2022 is vertrokken. In aanvulling op de gronden van beroep heeft eiser op zitting aangevoerd dat hij tijdens het aanmeldgehoor
niet heeft verklaard dat hij op 31 mei 2022 Afghanistan heeft verlaten. Volgens eiser wordt er in Afghanistan een andere kalender dan in Nederland gebruikt. Eiser stelt dat er in de omzetting van de data tussen deze twee kalenders een fout door de tolk moet zijn gemaakt. Daarom is eiser van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
10. Tijdens het aanmeldgehoor is aan eiser gevraagd: “Wanneer hebt u Afghanistan voor het laatst verlaten?”. Hierop heeft eiser volgens het verslag verklaard: “Afghanistan heb ik op
31mei 2022 verlaten.”. Tijdens het nader gehoor is aan eiser gevraagd: “U bent vertrokken uit Afghanistan op
22mei 2022?”. Hierop heeft eiser geantwoord: “Nee dat klopt niet. In de zevende maand van 2022 heeft het incident plaatsgevonden en daarna ben ik weggegaan. Ik ben in de zevende maand vertrokken en ik heb ongeveer drie, vier maanden over de reis gedaan”.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat uitsluitend de datum van uitreis uit Afghanistan ter discussie staat. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in het nader gehoor een datum is voorgehouden (22 mei) die volgens het verslag van het aanmeldgehoor niet door eiser is genoemd (31 mei). Vast staat dat eiser tijdens het nader gehoor niet is geconfronteerd met het verschil in vertrekmaand, zodat hij ook niet in de gelegenheid is gesteld hiervoor een verklaring voor te geven.
10.2.
Naar aanleiding van wat op de zitting door eiser naar voren is gebracht over het verschil in maand van vertrek overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat in Afghanistan voor officiële en civiele doeleinden de Zonne-Hidjri – ook wel de Khayyami , Perzische of Jalali kalender genoemd – wordt gebruikt, die afwijkt van de Gregoriaanse kalender die in Nederland wordt gehanteerd. Het jaar op de Zonne-Hidjri kalender begint op de eerste dag van de lente en bestaat uit twaalf maanden. De eerste zes maanden zijn elk 31 dagen, de volgende vijf 30 dagen, en de laatste maand heeft 29 dagen, maar 30 dagen in schrikkeljaren. [3]
Uit de conversietabel kan worden afgeleid dat Mordad (de vijfde maand) op de Zonne-Hidjri kalender deels samenvalt met juli (de zevende maand) op de Gregoriaanse kalender. [4] Daar komt bij dat Mordad 31 dagen telt en dat niet is uitgesloten dat in het aanmeldgehoor de 31ste van de vijfde maand is omgezet naar 31 mei zonder dat de juiste conversie is uitgevoerd.
Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het verslag van het aanmeldgehoor niet afdoende hoe de gehoormedewerker, die dit verslag heeft gemaakt, tot 31 mei 2022 als de vertrekdatum van eiser uit Afghanistan is gekomen. Niet duidelijk is namelijk of eiser dit zelf heeft verklaard of dat dit een vertaling door de tolk betreft. Tegen die achtergrond vindt de rechtbank de verklaring van eiser dat de datum 31 mei 2022 als gevolg van een (onjuiste) vertaalslag door de tolk is ontstaan niet onwaarschijnlijk.
10.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Reden 2 en 3 ontsnappingsverhaal:
11. Verweerder heeft verder aan eiser tegengeworpen dat niet valt in te zien dat hij bij de eerste ontsnappingspoging uit de gevangenis samen met zijn broer het hek niet kon doorbreken, terwijl hij later alleen daartoe wel in staat was. Daar komt bij dat eiser heeft aangegeven dat het hek tijdens de eerste ontsnappingspoging van stevig metaal was, maar later ineens een verroeste staaf zou hebben. Dit is volgens verweerder niet consistent. Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de ontsnapping precies heeft plaatsgevonden. Het is volgens verweerder namelijk onwaarschijnlijk dat eiser een metalen staaf – gezien de stevigheid van dergelijk materiaal – heeft kunnen breken door er tegen aan te trappen. Ook vindt verweerder het niet logisch dat eiser met zijn handen het hekwerk kon aanraken, maar tegelijkertijd genoeg ruimte had om er met zijn benen tegen te trappen. De verklaring van eiser in beroep dat hij tijdens de twee ontsnappingspogingen een wezenlijk andere geestelijke gesteldheid had, volgt verweerder niet. Het blijft volgens verweerder namelijk onaannemelijk dat een ontsnappingspoging waarbij gebruik werd gemaakt van tweemaal zoveel mankracht niet zou zijn geslaagd, terwijl eiser later alleen wel in staat zou zijn geweest om een zwak punt in het hekwerk te vinden en hier zelfstandig doorheen te breken.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat het onaannemelijk is dat de eerste ontsnappingspoging samen –
waarbij volgens verweerder gebruik werd gemaakt van tweemaal zoveel mankracht – niet is gelukt maar de tweede ontsnappingspoging van eiser alleen wel, aangezien deze vergelijking van verweerder mank gaat. Eiser heeft namelijk verklaard dat bij de eerste poging zijn broer op zijn schouders klom en zijn broer op die manier het hek te bereiken. [5] Hieruit leidt de rechtbank af dat eisers broer bij de eerste poging in zijn eentje heeft geprobeerd het hek te openen. Dit betekent dus dat de kracht die bij beide ontsnappingspogingen beschikbaar was ongeveer gelijk is gebleven, namelijk de kracht van één jongeman.
13. Verder vindt verweerder het bevreemdend dat het hek bij de tweede ontsnappingspoging opeens een verroeste staaf zou hebben. Hierover overweegt de rechtbank dat eiser – zoals hiervoor onder 12 is weergegeven – heeft verklaard dat zijn broer heeft geprobeerd het hek te openen terwijl hij op zijn schouders zat. Ook heeft eiser verklaard dat zijn broer toen heeft gezegd dat “dit is een heel stevig metalen rek, daarmee kunnen we niets bereiken”. [6] Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat eiser bij de eerste ontsnappingspoging niet zelf heeft gezien of de staven/tralies van het hek al dan niet verroest waren. Vervolgens zag eiser bij de tweede ontsnappingspoging dat één van de metalen staven verroest was. [7] Nu eisers broer op dat moment al was overleden, was eiser op dat moment niet in de gelegenheid om zijn broer naar de staat van de staven van het hekwerk bij de eerste ontsnappingspoging te vragen. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij inconsistent heeft verklaard over de staat van (de staven van) het hek voor het raam.
14. De rechtbank stelt vast dat – gelet op wat hiervoor onder 12 en 13 is overwogen – alleen de tegenwerping van verweerder overblijft dat eiser niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de ontsnapping precies heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser hierover onvoldoende bevraagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
14.1.
Op zitting is gebleken dat eiser meer kan verklaren en meer details kan geven over de ontsnapping. Eiser heeft namelijk tijdens de zitting verklaard dat de kamer waarin hij gevangen werd gehouden een soort vensterbank had. Eiser stelt dat hij deze vensterbank kon bereiken door op een emmer (waarop eiser zijn behoefte deed) van meer dan 50 centimeter te klimmen. Verder heeft eiser verklaard dat hij vervolgens door met één hand aan de tralies te hangen en deels met zijn billen op de vensterbank te zitten tegen de tralies kon trappen. Eiser heeft deze verklaringen nader toegelicht door middel van een tekening. [8]
14.2.
Het komt de rechtbank voor dat als de gehoormedewerker meer tijd en ruimte had genomen om eiser meer te bevragen over zijn ontsnappingspoging deze verklaringen ook tijdens het gehoor naar voren waren gekomen. De rechtbank wijst verweerder hierbij op de samenwerkingsplicht die vereist dat, als eiser verklaringen geeft die de gehoormedewerker bevreemdend (kunnen) voorkomen of vragen oproepen, het op de weg van verweerder ligt om daarover verdere vragen te stellen (zoals: “Hoe bedoel je dat?’, “Hoe ben je bij het raam gekomen?”, “Hoe zag de ruimte er uit?) die gedetailleerdere antwoorden bij eiser konden uitlokken. [9] De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet aan eiser kan tegenwerpen dat hij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de ontsnapping precies heeft plaatsgevonden, omdat dit ook het gevolg kan zijn van onvoldoende doorvragen door de gehoormedewerker.
14.3.
De rechtbank wijst verweerder er verder op dat hij ervoor moet waken dat verklaringen ongeloofwaardig worden gevonden enkel omdat de door de vreemdeling
gestelde gebeurtenis hem onwaarschijnlijk voorkomt.
14.3.1.
De EUAA [10] heeft hierover – voor zover relevant – het volgende overwogen:
“An event is not implausible merely because it is unlikely. Unlikely events do happen. A series of consecutive unlikely events can however lead to implausibility, especially when other credibility indicators point in the same direction.” [11]
14.3.2.
Hieruit volgt dat verweerder de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas niet enkel kan baseren op dat het ontsnappingsverhaal van eiser hem onwaarschijnlijk voorkomt dan wel onmogelijk is.
Conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling
15. Het vorenstaande betekent dat verweerder eiser opnieuw zal moeten horen. Hierbij geeft de rechtbank nog aan verweerder mee dat als hij op basis van het te verrichten nader onderzoek (wederom) tot de conclusie komt dat het ontsnappingsverhaal van eiser onwaarschijnlijk dan wel onmogelijk is, verweerder – nu het enkel onwaarschijnlijk zijn van een gebeurtenis niet voldoende is [12] – het asielrelaas van eiser geloofwaardig moet vinden. Immers, verweerder heeft reden 4 en 5 laten vallen, mag reden 1 niet aan eiser tegenwerpen en heeft voor het overige onvoldoende doorgevraagd.

Conclusie en gevolgen

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. Wat partijen verder hebben gesteld behoeft daarom op dit moment geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [13] . Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Eiser verwijst daarbij naar de laatste alinea op pagina 14 van het “Rapport Nader gehoor’ van 7 oktober 2024.
3.Zie het artikel ‘Calendar conversion for real-time systems’, van S.M.T. AlModarresi en N.M. White, in:
4.Zie wederom het artikel ‘Calendar conversion for real-time systems’, van S.M.T. AlModarresi en N.M. White, in:
5.Zie de pagina’s 10 en 20 van het ‘Rapport Nader gehoor’ van 7 oktober 2024.
6.Zie pagina 10 van het ‘Rapport Nader gehoor’ van 7 oktober 2024.
7.Zie pagina 11 van het ‘Rapport Nader gehoor’ van 7 oktober 2024.
8.Deze tekening is door de rechtbank aan het dossier toegevoegd.
9.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2012, C-277/11, in de zaak M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744.
10.European Union Agency for Asylum.
11.Zie paragraaf 2.2.3 van het rapport “Practical Guide on Evidence and Risk Assessment”, van de EUAA van januari 2024, raadpleegbaar via: https://euaa.europa.eu/publications/practical-guide-evidence-and-risk-assessment.
12.Zie rechtsoverweging 14.3. van deze uitspraak.
13.Algemene wet bestuursrecht.