ECLI:NL:RBDHA:2026:3251
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens kennelijke ongegrondheid
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 23 juli 2024 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens zijn tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer NL24.29804) en daarnaast een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit eerdere uitspraken blijkt dat het beroep waarop het verzoek betrekking heeft reeds is behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank en dat het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet-ontvankelijk is verklaard.
Gezien deze omstandigheden is het verzoek om voorlopige voorziening blijven liggen en is er geen noodzaak meer voor een voorlopige voorziening. Daarom is het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt als kennelijk ongegrond afgewezen omdat het onderliggende beroep reeds is behandeld en het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.