ECLI:NL:RBDHA:2026:3260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/09/698632 / JE RK 26-155
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.4 JeugdwetArt. 6.1.6 JeugdwetArt. 6.1.2 JeugdwetArt. 1:265a BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlening van een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige die onder toezicht is gesteld. De kinderrechter in Noord-Holland verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak door naar Den Haag.

Tijdens de zitting op 17 februari 2026 bleek dat het verzoek geen reguliere machtiging tot uithuisplaatsing bevatte, terwijl deze noodzakelijk is voor een onder toezicht gestelde minderjarige. Tevens ontbrak een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper en was het hulpverleningsplan niet ondertekend door de minderjarige of betrokken hulpverleners. De minderjarige gaf aan graag in een open kader bij de zorginstelling te willen blijven.

Gezien deze gebreken en het belang van de minderjarige besloot de kinderrechter de behandeling aan te houden tot 4 maart 2026, zodat de ontbrekende stukken kunnen worden aangeleverd en de voorwaarden met de minderjarige besproken kunnen worden. Tevens werd de moeder, die gedetineerd is, recht op kosteloze rechtsbijstand toegekend en haar advocaat opgeroepen voor de volgende zitting.

Uitkomst: De behandeling van het verzoek tot voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wordt aangehouden tot 4 maart 2026 vanwege procedurele gebreken en ontbrekende stukken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698632 / JE RK 26-155
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp; aanhouding
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. D.J. Klock uit Haarlem.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
thans gedetineerd te [land] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats, feitelijk verblijvende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft zich bij beschikking van 29 januari 2026 onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en heeft de zaak doorverwezen naar de rechtbank Den Haag.
1.2.
De kinderrechter neemt de voornoemde beschikking en de hierin genoemde stukken mee in de beoordeling.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat en bijgestaan door een H. Broekhuizen, tolk in de Poolse taal;
- [naam 1] , namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van advocaat en de tolk, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .
2.3.
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 5 november 2025 met ingang van 5 november 2025 de voorlopige voogdij over [minderjarige] , en de benoeming van de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers als voogdes, zoals bepaald in de beschikking van 21 juli 2025, ingetrokken. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling tot 5 november 2026 en een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 20 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de gecertificeerde instelling enkel een verzoek heeft gedaan tot verlening van een voorwaardelijke machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] . In het verzoek ontbreekt echter een verzoek tot een ‘reguliere’ machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter overweegt dat uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 mei 2025 volgt dat de voorwaardelijke machtiging, zoals neergelegd in artikel 6.1.4 Jeugdwet (Jw), in beginsel geen machtiging is in de zin van artikel 1:265b Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 6.1.6, zevende lid, Jw jo. 1:265b BW geldt dat immers pas dat in het geval de voorwaardelijke machtiging wordt geëffectueerd, deze machtiging een machtiging is zoals bedoeld in artikel 1:265b BW voor een onder toezicht gestelde minderjarige. [1] Een vrijwillige uithuisplaatsing zonder machtiging zoals bedoeld in artikel 1:265 BW Pro kan alleen indien er sprake is van (voorlopige) voogdij. De voorlopige voogdij over [minderjarige] is echter met ingang van 5 november 2025 beëindigd en [minderjarige] is onder toezicht gesteld. Ingevolge artikel 1:265a BW geschiedt uithuisplaatsing van een minderjarige die onder toezicht is gesteld uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing. Nu [minderjarige] onder toezicht stond en de wet geen ruimte laat voor een vrijwillige uithuisplaatsing van een onder toezicht gestelde minderjarige, is de kinderrechter van oordeel dat naast een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp eveneens een machtiging in de zin van artikel 1:265b BW noodzakelijk is.
4.2.
De kinderrechter heeft hiernaast ter zitting vastgesteld dat de vereiste instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper, zoals is bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, Jw, niet voor de zitting door de gecertificeerde instelling is ingediend. De gecertificeerde instelling heeft de instemmingsverklaring ter zitting meegenomen, maar zowel de kinderrechter als [minderjarige] en haar advocaat hebben hier geen kennis van kunnen nemen.
4.3.
Ook heeft de kinderrechter ter zitting vastgesteld het hulpverleningsplan van 23 december 2025 dat door de gecertificeerde instelling is ingediend, niet is ondertekend door [minderjarige] , de betrokken jeugdbeschermer of de behandelcoördinator. Hoewel de betrokken jeugdbeschermer ter zitting heeft aangegeven over een ondertekend hulpplan te beschikken, begrijpt de kinderrechter uit hetgeen [minderjarige] ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij niet bekend is met de inhoud van het hulpverleningsplan en dus niet de voorwaarden weet waar zij zich in het kader van de voorwaardelijke machtiging aan moet houden.
4.4.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] ter zitting heeft aangegeven wel graag bij [zorginstelling] (in een open kader) te willen blijven en dat zij op dit moment niet langer de wens heeft om terug te keren naar [land] . De moeder is op dit moment gedetineerd in [land] en de vader heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, waardoor [minderjarige] niet bij hen kan verblijven. De kinderrechter ziet daarom in het belang van [minderjarige] aanleiding om het verzoek van de gecertificeerde instelling aan te houden tot de zitting van 4 maart 2026 om 16:00 uur, opdat in de periode tot deze zitting de gebreken in het verzoek geheeld kunnen worden, de noodzakelijke stukken ingediend kunnen worden en de voorwaarden voor de voorwaardelijke machtiging met [minderjarige] besproken kunnen worden.
4.5.
De kinderrechter overweegt als laatste dat ter zitting is besproken dat de huidige machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] verloopt op 20 februari 2025 en dat hierna een nieuwe machtiging noodzakelijk zou zijn om haar plaatsing bij [zorginstelling] (in het open kader) voort te zetten. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij gelet op het voornoemde uiterlijk donderdag 19 februari 2026 een spoedverzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal doen. De kinderechter overweegt dat dit verzoek tevens ter zitting van 4 maart 16:00 uur behandeld zal kunnen worden. In lijn met de lopende pilot kosteloze rechtsbijstand heeft de moeder bij dit verzoek recht op kosteloze rechtsbijstand. De advocaat van [minderjarige] heeft ter zitting naar voren gebracht dat mr. [naam 2] eerder bij de moeder als procesbewaker betrokken is geweest. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om mr. [naam 2] op te roepen voor de volgende zitting in de rol van advocaat van de moeder.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder met haar advocaat mr. [naam 2] en [minderjarige] en haar advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. N.B. Haverhoek van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, in het gerechtsgebouw aan Prins Clauslaan 60 te Den Haag, op 4 maart 2026 te 16:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1304.