ECLI:NL:RBDHA:2026:3271

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL26.6290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding

Eiser, een Spaanse nationaliteit dragende persoon, werd op 1 december 2025 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 12 februari 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het onderzoek sloot.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Uit eerdere uitspraken bleek dat de maatregel tot 12 januari 2026 rechtmatig was. De vraag was of het voortduren daarna onrechtmatig was.

Eiser stelde dat de overheid onvoldoende voortvarend had gehandeld, omdat er geen rappellering bij de Spaanse autoriteiten had plaatsgevonden, waardoor de bewaring onnodig lang duurde. De rechtbank oordeelde echter dat de overheid voldoende voortvarend had gehandeld, zoals blijkt uit regelmatige vertrekgesprekken en het tijdig aanvragen van een vluchtaanvraag, waarna eiser op 12 februari 2026 werd uitgezet.

De ambtshalve toetsing bevestigde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6290

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: Y.J.P. Woertman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 12 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Spaanse nationaliteit.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 12 januari 2026 dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen, rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 12 januari 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft namelijk op geen enkel moment gerappelleerd of aangedrongen bij de Spaanse autoriteiten om de LP [3] -aanvraag snel af te handelen. Hierdoor heeft de voortduring van de maatregel van bewaring onnodig lang geduurd, aldus eiser.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder regelmatig vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser, laatstelijk op 5 februari 2026. Verder volgt uit het voortgangsrapport dat verweerder op 4 februari 2026 een vluchtaanvraag heeft gedaan en zijn op dezelfde dag een akkoord en de vluchtgegevens ontvangen, waarna eiser op 12 februari 2026 is uitgezet naar Spanje. Dat verweerder niet heeft gerappelleerd bij de Spaanse autoriteiten, betekent niet dat verweerder heeft stilgezeten en onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 16 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24100 en 16 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:683.
3.Laissez-passer.