ECLI:NL:RBDHA:2026:3273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL25.22240
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 29 VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verkrachtingsbeschuldiging en onvoldoende vreesbesnijdenis dochters

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege een onterechte beschuldiging van verkrachting door zijn stiefmoeder en de dreiging van besnijdenis van zijn dochters bescherming zocht. Verweerder wees de aanvraag af omdat de beschuldigingen niet geloofwaardig waren en de vrees voor besnijdenis onvoldoende was onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks de termijnoverschrijding. De rechtbank vond dat verweerder terecht de beschuldigingen van verkrachting ongeloofwaardig had bevonden, mede vanwege inconsistenties in de verklaringen van eiser en het ontbreken van bewijs. Ook was de vrees voor besnijdenis van de dochters onvoldoende geconcretiseerd en niet aannemelijk gemaakt met betrekking tot de situatie in Kenia.

Verder concludeerde de rechtbank dat de belangen van de kinderen en het gezinsleven niet werden geschaad, mede omdat het gezin niet gescheiden wordt en er mogelijkheden zijn om in Kenia of Gambia te verblijven. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid van de verkrachtingsbeschuldiging en onvoldoende aannemelijkheid van de vrees voor besnijdenis van de dochters.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22240

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 6 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig S. Diaby.
2. Op 24 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder daarbij verzocht toe te lichten op welke landeninformatie hij het standpunt ten aanzien van de vrouwenbesnijdenissen in Kenia heeft gebaseerd.
2.1.
Bij brief van 16 december 2025 heeft verweerder uiteengezet welke landeninformatie is betrokken bij de totstandkoming van het besluit. De gemachtigde van eiser heeft hier op 13 januari 2026 schriftelijk op gereageerd.
3. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL25.22241 (het beroep van [naam 1] , de partner van eiser), op 12 februari 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
4. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Na het overlijden van eisers vader is de broer van zijn vader, eisers oom, met eisers moeder getrouwd. Ook nam eisers oom een tweede vrouw, [naam 2] , die problemen veroorzaakte en ruzie maakte met eisers moeder. [naam 2] verklaarde verliefd te zijn op eiser en zocht herhaaldelijk seksuele toenadering, eiser wees die af. Op een gegeven moment heeft zij eiser beschuldigd van verkrachting, waarna hij door meerdere mensen ernstig is mishandeld en in het ziekenhuis belandde. Toen hij uit het ziekenhuis werd ontslagen is hij gevlucht. Eiser heeft vernomen dat er aangifte tegen hem is gedaan. Bij terugkeer vreest eiser veroordeeld te worden voor de onterechte beschuldiging van verkrachting. Ook vreest hij voor de besnijdenis van zijn twee dochters.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
beschuldigingen wegens verkrachten stiefmoeder; en
eisers dochters zijn niet besneden.
5.1.
Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet omdat eiser dit niet met documenten heeft aangetoond. Dat eiser beschuldigd is van verkrachting van zijn stiefmoeder vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende documenten gegeven en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [2] Ook vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3] Wel vindt verweerder het geloofwaardig dat eisers dochters niet zijn besneden. Echter heeft eiser niet onderbouwd waarom hij vreest voor de vrouwenbesnijdenis van zijn dochters. Ook vindt verweerder dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn nationaliteit en herkomst een vrees heeft voor vervolging [4] of reëel risico op ernstige schade loopt [5] bij terugkeer naar Gambia. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten onrechte vindt verweerder de verklaringen over de aangifte van de beschuldiging van verkrachting inconsistent. Bovendien is het al dan niet doen van een aangifte volgens eiser geen reden voor zijn vrees, maar een aan bijkomende factor naar aanleiding van de redenen voor zijn vrees. Verder stelt eiser dat het niet doen van aangifte van de mishandeling voortkomt uit een gebrek aan vertrouwen in een eerlijke rechtsgang in Gambia en kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen. In dat licht betwist eiser ook de juistheid van de door verweerder gebruikte landeninformatie en wijst hij op de publicaties van Amnesty International van 2023 [6] . Dat eiser onduidelijk geweest is over het jaar van zijn vertrek uit Gambia is te verklaren door zijn laaggeletterdheid, stress en culturele verschillen in het belang dat aan jaartallen wordt gehecht. Daarnaast stelt eiser dat zijn vrees voor vervolging reëel is omdat zijn stiefvader en oom door omkoping een partijdige rechtsgang kunnen afdwingen. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn dochters geen risico lopen op besnijdenis en verwijst daarbij naar recente landeninformatie van de UK Home Office [7] , een rapport van Human Rights Watch [8] en een rapport van Orchid Project [9] . Ten slotte stelt eiser dat verweerder de belangen van zijn kinderen, die geen Gambiaanse nationaliteit hebben, onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag en artikel 3 en Pro artikel 8 van Pro het EVRM [10] . Bovendien blijkt nergens uit dat eiser toegang heeft tot Kenia en zich daar zou kunnen vestigen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid van het beroep
7. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit dateert van 15 april 2025. Voor het indienen van een beroepschrift geldt in dit geval een termijn van vier weken. [11] Eiser had dus tot en met 13 mei 2025 om een beroepschrift in te dienen. Eiser heeft op 15 mei 2025 beroep ingesteld. De beroepstermijn was op dat moment al verstreken, waardoor het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het beroep weliswaar te laat is, maar dat gelet op de aangevoerde omstandigheden, namelijk ziekte en onderbezetting, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
8. Nu de rechtbank het beroep ontvankelijk acht, beoordeelt zij of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Mocht verweerder de beschuldigingen wegens verkrachting van eisers stiefmoeder ongeloofwaardig vinden?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beschuldigingen wegens verkrachting van eisers stiefmoeder niet geloofwaardig zijn.
9.1.
Zo heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over of er aangifte tegen hem is gedaan van verkrachting. Eiser heeft eerst verklaard dat hij vreest dat er aangifte tegen hem zal worden gedaan als hij terugkeert naar Gambia [12] . Vervolgens verklaart eiser dat hij denkt dat er al aangifte is gedaan [13] . Later stelt hij dat het broertje van eisers oom hem heeft verteld dat er aangifte is gedaan [14] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze verklaringen terecht inconsistent mogen vinden. Dat eiser aanvoert dat de aangifte geen betrekking heeft op het asielrelaas heeft, volgt de rechtbank niet nu eiser zelf heeft verklaard dat hij bij terugkeer vreest dat er aangifte tegen hem zal worden gedaan en hij dan zal worden vervolgd [15] .
9.2.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat het niet inroepen van hulp van de autoriteiten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Eiser stelt dat hij geen vertrouwen heeft in een eerlijke rechtsgang in Gambia en daarom geen hulp heeft ingeroepen nadat hij ernstig zou zijn mishandeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar de publicatie van Amnesty International van 2023. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met die verwijzing niet aangetoond dat er sprake zou zijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht in Gambia en dat het inroepen van hulp daarom bij voorbaat zinloos zou zijn. In het bericht staat dat dat er vertragingen waren in het bieden van toegang tot gerechtigheid voor mensenrechtenschendingen die hebben plaatsgevonden tijdens het presidentschap van [naam 3] , voornamelijk schendingen van het recht op vrijheid van meningsuiting en mediavrijheid. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het in zijn geval om een vergelijkbare situatie zou gaan en hij slachtoffer zou zijn van een mensenrechtenschending ten tijden van het presidentschap van president [naam 3] .
9.3.
Tot slot heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over wanneer hij uit Gambia is vertrokken. Eiser heeft eerst verklaard dat hij in 2015 uit Gambia is vertrokken [16] en in 2017 in Italië asiel heeft aangevraagd [17] . In de correcties en aanvullingen heeft hij dit gecorrigeerd en gesteld dat hij in 2012 of 2013 uit Gambia is vertrokken. [18] Tijdens het nader gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat het in 2011 was. [19] Uit het Eurodac systeem volgt echter dat eiser in maart 2014 al in Italië was en daar toen asiel heeft aangevraagd. [20] Dat eiser aanvoert dat deze onduidelijkheden te verklaren zijn door zijn laaggeletterdheid, stress en culturele verschillen, heeft verweerder niet hoeven volgen. Er zit immers een groot verschil tussen de jaartallen die eiser genoemd heeft.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
10. Zoals overwogen in rechtsoverweging 9. tot en met 9.3. heeft verweerder de beschuldigingen wegens verkrachting van eisers stiefmoeder ongeloofwaardig mogen vinden. Ten aanzien van deze asielmotieven heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade [21] . De gronden van eiser die zien op deze asielmotieven slagen daarom al niet.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor besnijdenis van zijn dochters niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de door verweerder aangehaalde landeninformatie volgt dat het aantal besnijdenissen in Kenia aan het dalen is [22] , dat de overheid actief optreedt om deze praktijk te bestrijden [23] en dat er tevens beschermingsmechanismen zijn en NGO’s actief zijn die ondersteuning bieden [24] . Verweerder heeft mogen vinden dat de documenten die eiser in beroep heeft overgelegd niet tot een ander oordeel leiden. Zo heeft eiser onvoldoende geconcretiseerd dat de aangevoerde landeninformatie op zijn kinderen van toepassing is en dat deze de vrees voor besnijdenis aannemelijk maken. Uit de documenten volgt weliswaar dat er geweld wordt gepleegd tegen vrouwen en meisjes en dat vrouwenbesnijdenis nog steeds voorkomt, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de vrees voor besnijdenis van zijn kinderen met deze stukken onvoldoende geïndividualiseerd.
Heeft verweerder de belangen van de kinderen voldoende bij de beoordeling betrokken?
12. Nu de asielaanvraag van de partner van eiser is afgewezen en het beroep van haar ook ongegrond is verklaard [25] , heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Het gezin wordt immers niet gescheiden en het staat eiser en zijn partner vrij om het gezinsleven voort te zetten in Kenia dan wel Gambia. Ten aanzien van eisers betoog dat nergens uit blijkt dat hij toegang heeft tot Kenia, heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij hier niet op in heeft hoeven gaan nu het uiteindelijk aan DT&V is om dit te beoordelen. De rechtbank volgt verweerder hierin. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Vw.
3.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw.
4.Op grond van het artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.Op grond van het artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6.Amnesty International, 2023, The state of the word’s human rights; Gambia 2023.
7.UK Home Office, 2025,
8.Human Rights Watch, 2025,
9.Orchid Project, 2025,
10.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
11.Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw.
12.Verslag van het nader gehoor van 6 juni 2024, p. 6.
13.Idem, p. 12
14.Idem, p. 12.
15.Idem, p. 6.
16.Verslag van het aanmeldgehoor van 4 augustus 2023, p. 11-12.
17.Idem, p. 13.
18.Correcties en aanvullingen aanmeldgehoor, 3 oktober 2023.
19.Verslag van het nader gehoor, p. 9.
20.Verslag van het aanmeldgehoor, p. 12.
21.Als bedoeld in de artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw.
22.28 Too Many, december 2016,
23.UNICEF, april 2021,
24.Idem.
25.NL25.22241.