AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk risico bij terugkeer naar Kenia
Eiseres, samen met haar twee minderjarige dochters, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege bedreigingen door haar ex-partner, lid van de Mungiki-groep, en problemen met haar stiefvader. Tevens vreesde zij voor vrouwenbesnijdenis van haar dochters en discriminatie vanwege hun moslimnamen.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij en haar kinderen een actueel en zwaarwegend risico lopen bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks termijnoverschrijding en behandelde de inhoudelijke gronden.
De rechtbank vond dat de vrees voor de ex-partner niet actueel was, mede omdat de invloed van de Mungiki-groep is afgenomen en de groep niet actief is in de regio van eiseres. Ook de vrees voor vrouwenbesnijdenis werd niet aannemelijk geacht, omdat de overgelegde landeninformatie onvoldoende concreet was toegespitst op de situatie van de kinderen.
Verder werd het interne vluchtalternatief naar een andere regio in Kenia als redelijk beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat de belangen van de kinderen voldoende waren meegewogen en dat geen schending van artikel 8 EVRMPro was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22241
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de asielaanvraag van haar en haar twee minderjarige kinderen.
1.1.
Eiseres heeft op 6 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen. Als tolk was aanwezig E. Nsabimbona. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
2. Op 24 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder daarbij verzocht toe te lichten op welke landeninformatie hij de standpunten ten aanzien van de Mungiki-groep en de vrouwenbesnijdenissen in Kenia heeft gebaseerd.
2.1.
Bij brief van 16 december 2025 heeft verweerder uiteengezet welke landeninformatie is betrokken bij de totstandkoming van het besluit. De gemachtigde van eiseres heeft hier op 13 januari 2026 schriftelijk op gereageerd.
3. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL25.22240 (het beroep van [naam 1] , de partner van eiseres), op 12 februari 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig E. Nsabimbona.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
4. Eiseres heeft de Keniaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1991. Zij heeft samen met haar partner twee minderjarige dochters: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2023. De nationaliteit van beide kinderen is onbekend. Eiseres heeft – kort samengevat – aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij problemen heeft ondervonden met haar stiefvader en haar ex-partner [naam 2] . Beiden hebben eiseres mishandeld en bedreigd. Haar stiefvader dwong haar om zonder scholing te werken. [naam 2] , die lid was van de Mungiki-groep, heeft haar beschuldigd van diefstal en heeft gedreigd haar te vermoorden. Bij terugkeer vreest eiseres voor de Mungiki-groep en vreest zij voor haar dochters vanwege het risico op vrouwenbesnijdenis. Ook maakt ze zich zorgen over de mogelijke problemen vanwege haar christelijke geloof en de islamitische namen van haar dochters.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met haar ex-partner [naam 2] , lid van de Mungiki-groep;
problemen met haar stiefvader; en
eiseres’ dochters zijn niet besneden.
5.1.
Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar haar identiteit niet omdat zij die niet met documenten heeft aangetoond. Dat eiseres problemen heeft met haar ex-partner [naam 2] en met haar stiefvader vindt verweerder wel geloofwaardig. Ook vindt verweerder het geloofwaardig dat de dochters van eiseres niet zijn besneden. Echter vindt verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de geloofwaardig geachte asielmotieven een vrees heeft voor vervolging [2] of reëel risico op ernstige schade loopt [3] bij terugkeer naar Kenia. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat haar vrees voor haar ex-partner [naam 2] en voor haar stiefvader actueel en zwaarwegend is. Ook vindt verweerder dat eiseres de vrees voor vrouwenbesnijdenis niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiseres in beroep?
6. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten onrechte vindt verweerder de identiteit van eiseres ongeloofwaardig enkel vanwege het ontbreken van identiteitsdocumenten. Vluchtelingen kunnen vaak geen documenten overleggen. Daarnaast stelt eiseres dat de vrees voor haar ex-partner [naam 2] nog steeds actueel is. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het tijdsverloop van 11 jaar haar persoonlijke vrees wegneemt. Bovendien is de Mungiki-groep nog steeds actief en is het een van de meest prominente bendes. [4] Verder heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de spanningen tussen moslims en christenen in Kenia. Als christelijke vrouw met moslimkinderen, die als buitenechtelijk zullen worden gezien, bevindt zij zich samen met haar kinderen in een kwetsbare positie. Ook heeft verweerder niet gemotiveerd welke nationaliteit haar kinderen hebben. Eiseres voert aan dat de vrees voor haar stiefvader ook nog steeds actueel is en dat het door verweerder gestelde interne vluchtalternatief onvoldoende is onderzocht. Verder stelt eiseres dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat haar dochters geen risico lopen op besnijdenis en verwijst daarbij naar recente landeninformatie van de UK Home Office [5] , een rapport van Human Rights Watch [6] en een rapport van Orchid Project [7] . Ten slotte stelt eiseres dat verweerder de belangen van haar kinderen onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft een onjuiste beoordeling van artikel 8 vanPro het EVRM [8] gemaakt nu terugkeer zou leiden tot scheiding van hun vader.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid van het beroep
7. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit dateert van 15 april 2025. Voor het indienen van een beroepschrift geldt in dit geval een termijn van vier weken. [9] Eiseres had dus tot en met 13 mei 2025 om een beroepschrift in te dienen. Eiseres heeft op 15 mei 2025 beroep ingesteld. De beroepstermijn was op dat moment al verstreken, waardoor het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het beroep weliswaar te laat is, maar dat gelet op de aangevoerde omstandigheden, namelijk ziekte en onderbezetting, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
8. Nu de rechtbank het beroep ontvankelijk acht, beoordeelt zij of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Mocht verweerder de identiteit van eiseres ongeloofwaardig vinden?
9. Voor zover verweerder de identiteit van eiseres ongeloofwaardig vindt, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit, hetgeen afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid daarvan. Daargelaten of verweerder de identiteit van eiseres ongeloofwaardig heeft mogen achten, leidt dit in het onderhavige geval niet tot een ander oordeel. Het asielrelaas van eiseres is immers verder geloofwaardig geacht. De gestelde ongeloofwaardigheid van de identiteit heeft dan ook geen gevolgen voor de beoordeling van het asielrelaas en de daarop gebaseerde besluitvorming.
Mocht verweerder vinden dat eiseres bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?
10. Ten aanzien van de door eiseres gestelde vrees voor haar ex-partner, die lid zou zijn van de Mungiki-groep, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat deze vrees niet (meer) actueel is. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres sinds zij in 2013 uit Kenia is vertrokken geen contact meer heeft gehad met haar ex-partner [10] . Eiseres heeft geen concrete aanwijzingen overgelegd waaruit blijkt dat zij persoonlijk nog wordt gezocht of bedreigd. Dat zij al geruime tijd op de vlucht is, maakt dit niet anders. Daarnaast volgt uit de door verweerder aangehaalde landeninformatie [11] dat de invloed van de groepering in de laatste jaren sterk is afgenomen en dat de groep niet langer een significant risico vormt in het alledaags leven. Ook zou de groep hoofdzakelijk actief zijn in Centraal Kenya en Nairobi en volgt niet uit de informatie dat de groep actief is in Nyanza, de regio waar eiseres vandaan komt. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit de door eiseres aangevoerde landeninformatie geen ander beeld naar voren komt waardoor van een risico bij terugkeer uitgegaan zou moeten worden. De bronnen van eiseres weerspreken immers niet dat de invloed van de Mungiki-groep sterk is afgenomen. Ook volgt uit deze documenten niet dat de Mungiki-groep actief is in Nyanza.
11. Eiseres stelt dat zij vanwege haar relatie met een moslimman en de moslimnamen van haar dochters negatieve aandacht zullen trekken in een christelijke omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiseres heeft immers niet onderbouwd waaruit blijkt dat zij en haar dochters vanwege hun moslimnamen in de negatieve belangstelling zullen komen te staan en dat daarom van gegronde vrees voor vervolging uit moet worden gegaan. Ook het betoog van eiseres dat haar kinderen als buitenechtelijke kinderen beschouwd zullen worden en daarom te maken kunnen krijgen met discriminatie en negatieve sociale attitudes, heeft eiseres niet concreet onderbouwd.
12. Ten aanzien van de gestelde problemen met de stiefvader heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiseres zich in Kenia in een ander deel van het land kan vestigen waar zij geen problemen met haar stiefvader hoeft te vrezen. Niet is gebleken dat het voor eiseres en haar kinderen onmogelijk of onredelijk is zich elders te vestigen, nu zij niet heeft onderbouwd waarom het in strijd is met culturele normen en waarden om zich ergens anders te vestigen, zodat verweerder dit vestigingsalternatief in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres de vrees voor de besnijdenis van haar kinderen niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de door verweerder aangehaalde landeninformatie volgt dat het aantal besnijdenissen in Kenia aan het dalen is [12] , dat de overheid actief optreedt om deze praktijk te bestrijden [13] en dat er tevens beschermingsmechanismen zijn en NGO’s actief zijn die ondersteuning bieden [14] . Verweerder heeft mogen vinden dat de documenten die eiser in beroep heeft overgelegd niet tot een ander oordeel leiden. Zo heeft eiseres onvoldoende geconcretiseerd dat de aangevoerde landeninformatie op haar kinderen van toepassing is en dat deze de vrees voor besnijdenis aannemelijk maken. Uit de documenten volgt weliswaar dat er geweld wordt gepleegd tegen vrouwen en meisjes en dat vrouwenbesnijdenis nog steeds voorkomt, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de vrees voor besnijdenis van haar kinderen met deze stukken onvoldoende geïndividualiseerd.
Heeft verweerder de belangen van de kinderen voldoende bij de beoordeling betrokken?
14. Nu de asielaanvraag van de partner van eiseres is afgewezen en zijn beroep ook ongegrond is verklaard [15] , heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een schending van artikel 8 vanPro het EVRM. Het gezin wordt immers niet gescheiden en het staat eiseres en haar partner vrij om het gezinsleven voort te zetten in Kenia dan wel Gambia.
Conclusie en gevolgen
15. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen in stand blijft.
16. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4.Ter onderbouwing verwijst eiseres naar een rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada van september 2025,
5.UK Home Office, 2025,
6.Human Rights Watch, 2025,
7.Orchid Project, 2025,
8.Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
9.Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw.
10.Verslag van het nader gehoor van 6 juni 2024, p. 33.
11.Immigration and Refugee Board of Canada, 16 april 2018,