ECLI:NL:RBDHA:2026:3295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675630 / FA RK 24-8148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en aanhouding gezagsverzoek tussen ouders over minderjarige

De vader verzoekt de rechtbank om gezamenlijk ouderlijk gezag en een uitgebreide omgangsregeling met de minderjarige, waarbij omgang plaatsvindt om de twee weken een weekend. De moeder verzoekt om een begeleide omgang vanwege het nog prille vertrouwen en de communicatieproblemen tussen de ouders.

De rechtbank constateert positieve ontwikkelingen in de omgang sinds oktober 2025, waarbij de omgang wekelijks op woensdag onder begeleiding plaatsvindt. De hulpverlener rapporteert een goede en veilige omgang en adviseert uitbreiding. De ouders zijn het eens over uitbreiding, maar de moeder acht begeleiding voorlopig noodzakelijk.

De rechtbank bepaalt een voorlopige omgangsregeling met uitbreiding van de woensdagmiddag tot drie uur per week vanaf 28 januari 2026 en daarna tot zeven uur per week vanaf 25 maart 2026, waarbij de omgang begeleid blijft. De omgangsbegeleiding wordt deels aangepast om de vader te ondersteunen in de invulling van de omgang.

Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden omdat het verloop van de omgangsregeling relevant is voor de beoordeling. Partijen dienen hun beschikbaarheid voor vervolgzittingen te overleggen, waarna verdere beslissingen worden genomen.

Uitkomst: De rechtbank wijst een voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling onder begeleiding toe en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag aan tot nader order.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8148
Zaaknummer: C/09/675630
Datum beschikking: 20 januari 2026

Gezag en verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang

Beschikking op het op 4 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën te Alpen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 19 december 2025, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 22 december 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 22 december 2025, met bijlage, van de zijde van de vader.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Op 23 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [de minderjarige] erkend.
- De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
- Op 11 oktober 2024 zijn de ouders tijdens de mondelinge behandeling van een kort geding– voor zover hier van belang – overeengekomen dat zij akkoord gaan met verwijzing naar BOR Humanitas, dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn op de woensdagen uit school gedurende een uur, hetgeen kan worden uitgebreid als de omgang goed verloopt, en dat de begeleiding in eerste instantie door [naam 2] zal plaatsvinden totdat dit wordt overgenomen door BOR Humanitas.
- Bij vonnis in kort geding van 22 april 2025 heeft de voorzieningenrechter:
 bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn iedere woensdag na school voor een uur, onder begeleiding van mevrouw Van Dam totdat dit wordt overgenomen door BOR Humanitas, waarbij de omgang niet bij de vader thuis zal plaatsvinden en waarbij de vader zal zorgen dat [de minderjarige] na een uur weer bij de moeder is;
 de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van €250,- voor iedere dag dat zij haar medewerking aan bovengenoemde omgangsregeling weigert, tot een maximum van €5.000,- is bereikt.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad –:
te bepalen dat de vader wordt belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;
de moeder te veroordelen tot strikte en nauwgezette nakoming/uitvoering van een omgangsregeling waarbij er omgang is tussen [de minderjarige] en de vader gedurende een weekend per twee weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, alsook van de door de vader voorgestelde verdeling van vakanties en feestdagen.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank te bepalen dat de contacten tussen minderjarige en de vader zullen plaatsvinden in het kader van een begeleide omgangsregeling, waarbij een professionele hulpverlener de contacten gaat begeleiden en dat vanuit de hulpverlening verder vorm wordt gegeven aan de contactregeling.

Beoordeling

Huidige situatie
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de situatie van partijen in positieve zin is gewijzigd ten opzichte van het moment waarop het verzoekschrift en het verweerschrift zijn ingediend. Nadat de ouders in oktober 2024 in het kader van een kort gedingprocedure zijn overeengekomen dat er begeleide omgang zou plaatsvinden in afwachting van begeleiding door BOR Humanitas, bleek het lastig om passende begeleiding te vinden. Dat heeft er mede toe geleid dat de vader in april 2025 opnieuw een kort gedingprocedure is gestart om omgang tot stand te brengen. Uiteindelijk is er in oktober 2025 een hulpverlener van Ambulante Coach betrokken geraakt die de omgang tussen [de minderjarige] en de vader begeleidt. Sindsdien heeft [de minderjarige] wekelijks op woensdag van 12.15 uur tot 13.15 uur omgang met de vader en is er sprake van positieve ontwikkelingen ten aanzien van de omgang. De hulpverlener die de omgang begeleidt geeft aan dat de omgangsmomenten goed, stabiel en veilig verlopen: de vader toont zich betrokken en sluit goed aan bij [de minderjarige] en [de minderjarige] geeft tijdens de omgangsmomenten en daarna aan dat zij langer bij haar vader wil zijn. Ook de moeder heeft een meewerkende en ondersteunende houding en stelt het belang van [de minderjarige] voorop. De hulpverlener geeft daarom uitdrukkelijk aan “geen inhoudelijke of pedagogische redenen te zien om de omgang beperkt te houden tot één uur per week” en adviseert de omgang bij voorkeur stapsgewijs uit te breiden. Ook de ouders staan achter uitbreiding van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De uitbreiding van de omgang stagneert momenteel echter omdat de jeugdconsulent van de gemeente, met wie de financiering van de omgangsbegeleiding moet worden afgestemd, langdurig ziek is en er nog geen vervanger is aangewezen voor de jeugdconsulent.
Omgang
Op de zitting is met de ouders besproken hoe zij de verdere opbouw van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader voor zich zien. De vader vindt begeleiding niet meer nodig, maar is wel bereid daaraan mee te werken als dat wel nodig wordt geacht en heeft ook actief gezocht naar een oplossing voor het geval de huidige begeleider bij gebrek aan financiering niet zou kunnen doorgaan. Uiteindelijk wenst de vader toe te werken naar een regeling waarbij [de minderjarige] een weekend per twee weken bij de vader verblijft. De vader geeft aan dat hij begrijpt dat daarvoor tussenstappen nodig zijn en dat de omgang moet worden opgebouwd, maar ziet daarin een hoger tempo voor zich dan de moeder.
De moeder stelt dat zij volledig achter uitbreiding van de omgang staat en dat zij ziet dat [de minderjarige] behoefte heeft aan meer contact met haar vader. Volgens de moeder dient de omgang in een rustig tempo te worden opgebouwd en is het op dit moment nog nodig dat de omgangsmomenten worden begeleid, ook omdat de ouders nog niet (rechtstreeks) met elkaar kunnen communiceren. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij het moeilijk vindt om over de opbouw van de omgang op langere termijn na te denken omdat de positieve ontwikkelingen nog pril zijn en omdat er sprake is van een turbulent verleden tussen de ouders.
In het licht van het voorgaande heeft de Raad tijdens de zitting gesuggereerd dat het traject Ouderschapsbemiddeling helpend zou kunnen zijn om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. De vader heeft aangegeven dat hij hieraan mee zou willen werken. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de moeder zich door deze suggestie enigszins overvallen voelde en dat een dergelijk traject voor haar op dit moment nog een brug te ver is. Mede met het oog op het verleden tussen de ouders is het voor de moeder nodig dat eerst stappen worden gezet in het opbouwen van de omgang, zodat de moeder haar vertrouwen in de vader op die manier ook kan opbouwen. Omdat de benodigde instemming van beide ouders ontbreekt, kan de rechtbank de ouders niet doorverwijzen naar het traject Ouderschapsbemiddeling. Zoals ook op de zitting is besproken geeft de rechtbank de ouders desalniettemin mee dat de begeleiding op een gegeven ogenblik zal stoppen en dat het belang van [de minderjarige] vergt dat de ouders dan met elkaar kunnen communiceren en de omgang tussen [de minderjarige] en de vader kunnen voortzetten. De rechtbank wijst de ouders erop dat zij zich kunnen aanmelden voor bijvoorbeeld een traject als ouderschapsbemiddeling of andere hulpverlening als zij hulp nodig hebben bij het op gang brengen van de onderlinge communicatie. Mogelijk kan de betrokken hulpverlener de ouders bij een dergelijke aanmelding begeleiden.
Ten aanzien van het opbouwen van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting hebben beide ouders aangegeven dat zij het ermee eens zijn dat de omgang als eerste stap voorlopig wordt uitgebreid naar drie uur per week. De rechtbank is van oordeel dat de begeleiding die nu wordt geboden daarbij nog noodzakelijk is. Op dit moment is er nog erg weinig vertrouwen tussen de ouders en zijn de ouders nog niet in staat om afspraken met elkaar te maken over de omgang. Daarnaast heeft het contact tussen [de minderjarige] en de vader nog nauwelijks vorm gekregen in de omgangsmomenten van één uur. Door deze kortdurende omgangsmomenten hebben [de minderjarige] en de vader slechts beperkt een band kunnen opbouwen en om die band verder te kunnen ontwikkelen is meer tijd nodig. De rechtbank zal daarom bij wijze van
voorlopigeomgangsregeling bepalen dat [de minderjarige] met ingang van 28 januari 2026 gedurende acht weken (dus tot en met 18 maart 2026) iedere week op woensdagmiddag van 12.15 uur tot 15.15 uur omgang met de vader zal hebben. Daarna zal het omgangsmoment verder worden uitgebreid. Vanaf 25 maart 2026 zullen [de minderjarige] en de vader wekelijks omgang met elkaar hebben op woensdagmiddag van 12.15 uur tot 19.15 uur, waarbij [de minderjarige] de avondmaaltijd met haar vader zal eten. Het staat de ouders vrij de omgang verder uit te breiden als ze het daar beiden over eens zijn.
Zoals hierboven is overwogen acht de rechtbank het voorlopig nog noodzakelijk dat de omgangsmomenten begeleid plaatsvinden. Naar de rechtbank begrijpt is er in ieder geval budget beschikbaar voor begeleiding door de betrokken hulpverlener tot en met mei, maar moet er mogelijk aanvullend budget worden aangevraagd in verband met de uitbreiding van de omgangsregeling. Op de zitting heeft de Raad de suggestie gedaan dat er misschien niet voortdurend toezicht nodig is tijdens het omgangsmoment, maar dat het goed zou zijn als de hulpverlener een deel van de tijd die beschikbaar is voor de begeleiding zou besteden aan een kort overleg met de vader voorafgaand aan het omgangsmoment. In die tijd kan de hulpverlener de vader begeleiden bij het nadenken over en kiezen van een goede en passende invulling van de tijd die de vader samen met [de minderjarige] zal doorbrengen. Dat zou betekenen dat de hulpverlener aanwezig is voorafgaand aan en aan het begin van het omgangsmoment, alsook bij de overdracht, en dat het laatste gedeelte van het omgangsmoment onbegeleid plaatsvindt. De rechtbank is – net als de Raad – van oordeel dat deze wijze van begeleiding een goede manier kan zijn om tot een meer afwisselende invulling van de omgangsmomenten te komen en om de ouders voor te bereiden op de toekomst, waarin de begeleiding op enig moment niet meer beschikbaar en/of aanwezig zal zijn.
In afwachting van het verloop van de voorlopige omgangsregeling zal de rechtbank iedere definitieve beslissing over de omgang aanhouden tot 1 maart 2026 pro forma. Partijen dienen uiterlijk op die datum hun verhinderdata voor de maanden juni en juli 2026 over te leggen, waarna een datum voor voorzetting van de behandeling zal worden bepaald.
Gezag
De rechtbank zal eveneens het verzoek ten aanzien van het gezag aanhouden, nu het verloop van de voorlopige omgangsregeling ook voor de beoordeling van dit verzoek relevant is.
*

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , en de vader,
voorlopigbegeleide omgang zal hebben met de vader:
  • vanaf 28 januari 2026 tot en met 18 maart 2026: iedere woensdagmiddag van 12.15 uur tot 15.15 uur;
  • vanaf 25 maart 2026 iedere woensdagmiddag van 12.15 uur tot 19.15 uur, waarbij [de minderjarige] de avondmaaltijd met haar vader eet;
*
bepaalt dat beide advocaten uiterlijk op 1 maart 2026 hun verhinderdata voor de maanden juni en juli 2026 dienen over te leggen;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
de omgang en het gezagaan tot
1 maart 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.