De rechtbank Den Haag heeft op 20 januari 2026 een beschikking gegeven inzake de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2011. Na een periode van aanhouding zijn de kinderen in februari 2025 naar hun vader gegaan en wonen daar sindsdien. De minderjarigen gaven aan dat het goed met hen gaat en dat zij niet bij de moeder willen wonen. De rechtbank hechtte veel waarde aan hun mening gezien hun leeftijd en wijzigde de hoofdverblijfplaats naar de vader.
De minderjarigen hebben verzocht geen zorgregeling met de moeder vast te leggen, omdat zij behoefte hebben aan rust en stabiliteit, maar willen wel contact met de moeder wanneer zij dat zelf wensen. De moeder erkent de weerstand van de kinderen en stelt een minimale zorgregeling voor, zoals een wekelijkse avondcontact, maar vreest dat het ontbreken van een regeling tot geen contact kan leiden. De vader benadrukt het belang van rust en stabiliteit en vindt een zorgregeling niet passend.
De Raad voor de Kinderbescherming en de bijzondere curator onderschrijven het belang van eigen regie van de kinderen en achten het vastleggen van een zorgregeling op dit moment niet in hun belang. De rechtbank oordeelt dat verplicht contact met de moeder averechts kan werken en dat de situatie voor de kinderen stabiel is bij de vader. De werkzaamheden van de bijzondere curator worden beëindigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.