Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3332

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696013 / JE RK 25-2120
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot aan zijn meerderjarigheid. De minderjarige verblijft bij een jeugdhulpinstelling en heeft positieve ontwikkelingen doorgemaakt, zoals verbeterd contact met zijn moeder en inzet op dagbesteding en opleiding.

Desondanks is de moeder niet in staat de volledige zorg te dragen en is de minderjarige nog steeds afhankelijk van de structuur en begeleiding van de instelling. De minderjarige heeft nog behandeling nodig voor agressieproblematiek en het gedwongen kader blijft noodzakelijk om hem te motiveren en de benodigde hulp te bieden.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan en dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot aan zijn meerderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/696013 / JE RK 25-2120
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,gevestigd te Leiden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [instelling 1] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 januari 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 januari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 april 2025 een trajectmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 22 april 2025 tot 22 juli 2025 en aansluitend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2026. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, kort en zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd. In juni 2025 is [de minderjarige] overgeplaatst van [instelling 2] naar een open groep bij [instelling 1] en sindsdien is er sprake van een positieve verandering bij [de minderjarige] . Hij is rustiger, minder in conflict en doet zijn best om aan zichzelf te werken. [de minderjarige] is met zijn begeleiding bezig met het regelen van dagbesteding. Hij heeft verschillende baantjes gehad, maar het lukt hem nog niet om die vol te houden. Verder is [de minderjarige] bezig met school en wil hij graag een opleiding gaan doen. Het contact tussen [de minderjarige] en zijn moeder is verbeterd en hij gaat vaker naar huis. De moeder is echter niet in staat om de volledige zorg voor [de minderjarige] te dragen. [de minderjarige] heeft baat bij de structuur en duidelijkheid die hij krijgt bij [instelling 1] en is recent verhuisd van een groepswoning naar een zelfstandigheidswoning. Er wordt gezien dat [de minderjarige] wel nog behandeling nodig heeft voor zijn agressieproblematiek zodat hij begrijpt waar zijn agressie vandaan komt en hij daar beter mee om kan gaan. Het gedwongen kader is nog nodig om [de minderjarige] te blijven motiveren om aan zichzelf te werken en hem de begeleiding en hulpverlening te kunnen bieden die hij nodig heeft.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De afgelopen periode heeft [de minderjarige] hard aan zichzelf gewerkt en positieve stappen gezet bij [instelling 1] . Hij is bezig met het regelen van dagbesteding, wil weer een opleiding gaan doen, werkt aan zijn zelfstandigheid en heeft goed contact met zijn moeder. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] nog wel behandeling nodig heeft voor zijn agressieproblematiek. Verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is nog nodig om de praktische zaken, dagbesteding en hulpverlening voor [de minderjarige] te regelen voor zijn meerderjarigheid en hem te blijven motiveren om daaraan mee te werken.
4.3.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom tot aan zijn meerderjarigheid verlengen, dus tot [geboortedatum] 2026.
4.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
4.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot [geboortedatum] 2026;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [geboortedatum] 2026;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. C.M. Koole, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 27 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.