ECLI:NL:RBDHA:2026:3365

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/09/685583 / HA RK 25-67
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 200 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor hoger beroep tegen afwijzing voorlopig getuigenverhoor in civiele procedure

In deze civiele procedure hebben verzoekers, waaronder Palladyne International Asset Management BV, de rechtbank verzocht om voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor, vanwege een vordering tot schadevergoeding tegen de Staat wegens onrechtmatig strafrechtelijk optreden. De rechtbank wees dit verzoek op 10 december 2025 af, omdat de bewijsverrichtingen uitsluitend bedoeld zouden zijn om bewijs te verkrijgen voor het strafproces dat nog loopt.

Verzoekers stelden dat zij belang hebben bij het horen van getuigen op korte termijn, omdat de feiten zich tussen 2013 en 2016 hebben voorgedaan en getuigenverklaringen na verloop van tijd minder betrouwbaar kunnen worden. Zij benadrukten dat het verzoek niet alleen voor het strafproces is, maar ook om hun civiele vordering te onderbouwen.

De Staat voerde verweer en stelde dat het uitgangspunt is dat tegen beslissingen op verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen geen rechtsmiddel openstaat, en dat toewijzing een doorkruising van het strafproces zou betekenen. De rechtbank oordeelde echter dat het belang van verzoekers bij het instellen van hoger beroep zwaarder weegt en dat het gerechtshof zich over de zaak kan buigen, mede omdat er nog geen jurisprudentie is over dergelijke verzoeken onder het nieuwe bewijsrecht sinds 2025.

De rechtbank besloot daarom verzoekers toe te staan hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor, waarbij ook de samenhang met het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om verstrekking van gegevens werd onderkend. De beschikking werd uitgesproken door mr. D.R. Glass op 18 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank staat verzoekers toe hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/685583 / HA RK 25-267
Beschikking van 18 februari 2026
in de zaak van

1.PALLADYNE INTERNATIONAL ASSET MANAGEMENT BV te Amsterdam,2. [verzoeker 1] te [woonplaats 1] ,3. [verzoeker 2] te [woonplaats 2] ,

verzoekers,
advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, OPENBAAR MINISTERIE, BELASTINGDIENST, FISCALE INLICHTINGEN EN OPSPORINGSDIENST)te Den Haag,
verweerder,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland.
Verzoekers 1 en 2 worden hierna PIAM en [verzoeker 1] genoemd. Gezamenlijk worden verzoekers aangeduid als PIAM c.s. Verweerder wordt de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 19 december 2025;
- het verweerschrift van 22 december 2025;
- het bericht van de Staat van 3 februari 2026;
- de e-mail van PIAM c.s. van 4 februari 2026.

2.De feiten

Strafzaak
2.1.
In april 2013 is een strafrechtelijk onderzoek begonnen naar (onder meer) PIAM en [verzoeker 1] . Bij dagvaarding van 2 september 2025 zijn PIAM en [verzoeker 1] opgeroepen om op 23 oktober 2025 te verschijnen voor de strafrechter in het kader van een regiezitting. De strafzaak loopt op dit moment nog.
Civiele zaak
2.2.
Bij verzoekschrift, ingediend op 21 mei 2025, hebben PIAM c.s. de rechtbank verzocht om twee voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, te weten een voorlopig getuigenverhoor en verstrekking van een afschrift van bepaalde gegevens. Zij hebben daartoe, samengevat, aangevoerd dat zij menen dat zij een vordering tot schadevergoeding hebben op de Staat op grond van onrechtmatige daad, vanwege onrechtmatig strafrechtelijk optreden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek.
2.3.
Bij beschikking van 10 december 2025 (hierna: de Beschikking) heeft de rechtbank deze verzoeken afgewezen. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de door PIAM c.s. verzochte bewijsverrichtingen uitsluitend bedoeld waren om bewijs te verkrijgen dat kan worden gebruikt als verweer in de strafzaak tegen PIAM en [verzoeker 1] . Verder heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat deze strafzaak zou worden verstoord door toewijzing van de door PIAM c.s. verzochte voorlopige bewijsverrichtingen, waarbij het belang van een onverstoorde voortzetting van de strafzaak zo zwaarwegend was, dat deze bewijsverrichtingen daarvoor (op dat moment) moesten wijken.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
PIAM c.s. verzoeken de rechtbank om toestemming te geven hoger beroep in te stellen tegen de Beschikking voor zover die beschikking betrekking heeft op het voorlopig getuigenverhoor (hierna: het appelverzoek). Aan het appelverzoek hebben PIAM c.s. het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.
PIAM c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen de Beschikking voor zover die betrekking heeft op de verstrekking van een afschrift van bepaalde gegevens. De achtergrond van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor is dezelfde als die van het verzoek om de verstrekking van een afschrift van bepaalde gegevens. Het ligt volgens PIAM c.s. dan ook voor de hand om de zaken over deze verzoeken in hoger beroep tegelijk te behandelen.
3.3.
Verder is er nauwelijks jurisprudentie beschikbaar waarin - onder het sinds 1 januari 2025 geldende bewijsrecht - een afgewezen verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor centraal staat. Uit de Beschikking leiden PIAM c.s. af dat de rechtbank van oordeel was dat hun verzoeken prematuur zijn en dat eerst de uitkomst van de strafzaak afgewacht moet worden. Het zou volgens PIAM c.s. de rechtsvorming ten goede komen als een gerechtshof kan toetsen in hoeverre dit zich verhoudt tot de kernbeginselen van het sinds 1 januari 2025 geldende bewijsrecht.
3.4.
Voorts is volgens PIAM c.s. aannemelijk dat er vóór (begin) 2027 geen einduitspraak in de strafzaak zal zijn gedaan. De feiten die zij wensen te achterhalen, hebben zich (hoofdzakelijk) tussen 2013 en 2016 voltrokken. Het is een feit van algemene bekendheid dat verklaringen van getuigen vaak minder gedetailleerd en betrouwbaar zijn naargelang meer tijd is verstreken sinds de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden of dat getuigen zich bepaalde gebeurtenissen in het geheel niet meer kunnen herinneren. PIAM c.s. hebben er daarom belang bij om op de kortst mogelijke termijn de relevante getuigen te horen.
3.5.
PIAM c.s. benadrukken voorts dat zij hun verzoeken niet slechts hebben gedaan om de daarmee te verkrijgen informatie te gebruiken in de strafzaak, maar om vast te stellen of zij een vordering op de Staat hebben.
3.6.
Tot slot zijn de onderzoekswensen van PIAM en [verzoeker 1] inmiddels afgewezen in de strafzaak. Van doorkruising van de strafzaak kan ook daarom geen sprake meer zijn. PIAM c.s. hebben er groot belang bij dat deze nieuwe omstandigheid aan de appelrechter kan worden voorgelegd.
3.7.
De Staat voert verweer. De Staat benadrukt dat het uitgangspunt van de wetgever is geweest om geen rechtsmiddel toe te staan tegen een beslissing op een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. De Beschikking berust op een toepassing van het beoordelingskader uit het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433
(Box consultants c.s./Staat). Volgens de Staat is geen sprake van een omstreden of principiële beslissing of van een geval waarin rechtsontwikkeling is gewenst. Bovendien stelt de Staat zich op het standpunt dat juist nu de onderzoekswensen in de strafzaak zijn afgewezen, het toestaan van voorlopige bewijsverrichtingen een doorkruising oplevert van het strafproces (en de daarin genomen beslissingen).

4.De beoordeling

4.1.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor staat geen hogere voorziening open, tenzij de rechter anders bepaalt (artikel 200 lid 2 Wetboek Pro voor Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat sinds 1 januari 2025 luidt).
4.2.
De wetgever heeft de beslissing om een rechtsmiddel al dan niet toe te laten overgelaten aan de rechter. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (
Kamerstukken II2019/20, 35498, nr. 3, p. 64-65) is het volgende opgenomen:
‘De verzoekende partij kan de rechter vragen om een rechtsmiddel open te stellen als zij bij de (eventuele) afwijzing van haar verzoek vreest dat de feiten die zij opgehelderd wenst te zien of de bewijsmiddelen die zij wil veiligstellen, verloren zullen gaan en die feiten of bewijsmiddelen volgens haar niet op andere wijze of door andere bronnen van informatie kunnen worden verkregen. Voor de verwerende partij kan een zwaarwegend belang tegen het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting reden zijn om de rechter te vragen om hoger beroep of cassatie open te stellen tegen de (eventuele) toewijzing van het verzoek, bijvoorbeeld vanwege het vertrouwelijke karakter van gegevens waarvan inzage wordt verzocht.
Zoals bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de rechter bij zijn beslissing om een rechtsmiddel open te stellen de belangen van partijen in de voorfase van een mogelijke procedure tegen elkaar moeten afwegen met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Voorstelbaar is dat wanneer een partij een relevant bezwaar heeft aangevoerd tegen het delen van informatie, de rechter eerder geneigd zal zijn hoger beroep en cassatie tegen zijn beslissing open te stellen dan wanneer de weigering van een partij om aan het inzageverzoek mee te werken voornamelijk voortkomt uit onwil van die partij.
Hoger beroep en cassatie worden in dit wetsvoorstel vooral beoogd voor die gevallen waarin de vraag of een voorlopige bewijsverrichting moet worden toegestaan omstreden is, principieel ligt of nieuwe vragen opwerpt waarbij enige rechtsontwikkeling gewenst is.’
4.3.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om te bepalen dat hoger beroep openstaat tegen de Beschikking voor zover die betrekking heeft op het voorlopig getuigenverhoor. Daartoe overweegt zij het volgende.
4.4.
De gerechtshoven hebben zich nog niet uitgesproken over beslissingen op een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor onder het sinds 1 januari 2025 geldende bewijsrecht. Hoewel de rechtbank niet overtuigd is dat dit recht aanleiding geeft om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals uiteengezet in het arrest van 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433
(Box Consultants c.s./Staat), wil zij PIAM c.s. niet de mogelijkheid ontzeggen om dit aan het gerechtshof voor te leggen. In hoger beroep kan eventueel aan de orde komen of de rechtbank in de Beschikking terecht aannemelijk heeft geacht dat de door PIAM c.s. verzochte bewijsverrichtingen uitsluitend bedoeld zijn om bewijs te verkrijgen dat kan worden gebruikt als verweer in de strafzaak.
4.5.
Niet in geschil is dat de onderzoekswensen van PIAM en [verzoeker 1] in de strafzaak zijn afgewezen. PIAM c.s. schatten, op basis van informatie van de advocaat die PIAM en [verzoeker 1] bijstaat in de strafzaak, dat er vóór (begin) 2027 geen einduitspraak in de strafzaak (de rechtbank begrijpt: in eerste aanleg) zal zijn gedaan. De rechtbank erkent dat PIAM c.s. er belang bij hebben om te proberen eerder getuigen te horen, nu PIAM c.s. stellen dat zij feiten wensen te achterhalen die (hoofdzakelijk) tussen 2013 en 2016 hebben plaatsgevonden. Of een voorlopig getuigenverhoor leidt tot een doorkruising van het strafproces, zoals de Staat betoogt, kan in hoger beroep aan de orde komen.
4.6.
PIAM c.s. brengen voorts terecht naar voren dat de verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor en verstrekking van een afschrift van bepaalde gegevens samenhangen. Bij e-mail van 4 februari 2026 hebben PIAM c.s. laten weten dat zij hoger beroep hebben ingesteld bij het gerechtshof Den Haag tegen de Beschikking voor zover die ziet op de verstrekking van een afschrift van bepaalde gegevens en voorwaardelijk grieven hebben aangevoerd tegen de Beschikking voor zover die ziet op een voorlopig getuigenverhoor. Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval efficiënt als het gerechtshof Den Haag zich tegelijkertijd over het hoger beroep betreffende beide voorlopige bewijsverrichtingen buigt.
4.7.
Gelet op het voorgaande, hebben PIAM c.s. naar het oordeel van de rechtbank belang bij toewijzing van het appelverzoek. De Staat heeft weliswaar in de procedure die heeft geleid tot de Beschikking bezwaren naar voren gebracht tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, maar de Staat heeft niet aangevoerd dat zijn belangen zich tegen toewijzing van het appelverzoek verzetten.

5.De beslissing

De rechtbank staat PIAM c.s. toe hoger beroep in te stellen tegen de Beschikking voor zover daarbij het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen is afgewezen.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
type: 3053