AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het terugkeerbesluit dat de minister van Asiel en Migratie op 31 juli 2025 oplegde aan een Nepalese derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland was gekomen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
Eiser betoogde dat het terugkeerbesluit prematuur was omdat hij nog onder een bevriezingsmaatregel viel en dat het besluit in strijd was met zijn privéleven zoals beschermd onder artikel 8 EVRMPro. De rechtbank oordeelt dat het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en dat het beroep daarop niet-ontvankelijk is. Het nieuwe besluit van 31 juli 2025 is niet prematuur omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtmatig is beëindigd, en de bevriezingsmaatregel slechts een tijdelijke opschorting betrof.
De rechtbank stelt dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het privéleven van eiser. Het feit dat eiser drie jaar rechtmatig werkzaam was in Nederland onder de RTB en een arbeidsovereenkomst heeft, leidt niet tot een verblijfsrecht dat het terugkeerbesluit verhindert. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten wegens de intrekking van het eerdere besluit.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 wordt in stand gelaten en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 31 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Nepalese nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is bij uitspraak van 9 april 2024 toegewezen (NL24.8034). Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft de minister op 1 april 2024 besloten een bevriezingsmaatregel te treffen waardoor eiser gebruik kon blijven maken van zijn rechten op grond van de RTB.
5. Op 31 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 31 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vervolgens nog een nader stuk ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: S.K. Paudyal.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
8. Het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit laatste terugkeerbesluit.
9. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij inhoudelijke beoordeling van dat besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 18.
Het standpunt van eiser
10. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 prematuur is opgelegd, omdat hij nog onder de bevriezingsmaatregel valt, en dus onder de bescherming van de RTB. Hij verwijst in dit verband naar artikel 6 vanPro de richtlijn 2008/115 (de Terugkeerrichtlijn), waaruit volgt dat pas bij illegaal verblijf een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Daarnaast stelt eiser dat hij privéleven heeft opgebouwd in Nederland, waardoor het terugkeerbesluit volgens hem in strijd is met artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een kopie van een arbeidsovereenkomst overgelegd. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij al drie jaar rechtmatig in Nederland werkzaam is.
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Het oordeel van de rechtbank
Is het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 prematuur?
11. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 20244 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
12. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 31 juli 2025 echter niet prematuur. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025.5 Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. De beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
13. Artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof6 volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
14. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 vanPro het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten.7 Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
15. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met onder meer het privéleven van de derdelander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiser is in het voornemen van
4 juni 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. In de door eiser gegeven zienswijze is niets over het privéleven van eiser aangevoerd. Verder is in beroep uitsluitend aangevoerd dat eiser al drie jaar rechtmatig werkzaam is in Nederland op grond van de RTB, onderbouwd met een arbeidsovereenkomst. Deze omstandigheden maken niet dat het privéleven dat eiser gedurende zijn verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Verder is van belang dat het niet gaat om langdurig verblijf en dat de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard waren en dit voor hem ook duidelijk moet zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk.
17. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 31 juli 2025, is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
18. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
19. Bij uitspraak van 1 september 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL23.24758 de voorziening getroffen dat eiser wordt behandeld als ware de tijdelijke bescherming nog op hem van toepassing is en het verboden is om hem uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb. Op 9 april is eveneens een voorlopige voorziening getroffen in de zaak NL24.8034. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2025 ongegrond; en
veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.