ECLI:NL:RBDHA:2026:3367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL25.22118
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens niet-tijdig beslissen op aanvraag machtiging verblijf

Verzoeker stelde op 13 mei 2025 beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag van 4 juli 2024 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en kinderen. Op 21 november 2025 nam de minister alsnog een besluit op deze aanvraag. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de minister door het alsnog nemen van het besluit geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoet was gekomen. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten aan de minister opleggen. De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 467, gebaseerd op een puntensysteem en een lichte wegingsfactor, omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig beslissen.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 19 februari 2026 door rechter W.H. Bel.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker wegens niet-tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22118

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 13 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag van 4 juli 2024 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenote en kinderen.
Op 21 november 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.