Verzoekster heeft op 13 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER van 5 juli 2024, bedoeld voor verblijf bij een Nederlands minderjarig kind. Op 19 februari 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op deze aanvraag. Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelt dat de minister door het niet tijdig beslissen en het alsnog nemen van een besluit tijdens het beroep geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan verzoekster. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank in dat geval de proceskosten toewijzen.
De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 467, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepsmatige rechtsbijstand, waarbij een wegingsfactor 'licht' wordt toegepast omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van dit bedrag aan verzoekster.