ECLI:NL:RBDHA:2026:3378

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL25.62091
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 64 VwArt. 29 VwArt. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag ouders en eerste aanvraag minderjarige kinderen wegens ongeloofwaardigheid inter-kastehuwelijk

Eisers, ouders met de Indiase nationaliteit en hun minderjarige kinderen, hebben asiel aangevraagd in Nederland vanwege problemen die zij verwachten te ondervinden door het inter-kastehuwelijk van de ouders. De ouders hadden eerder in 2016 een asielaanvraag ingediend die was afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van hun verhaal.

De opvolgende aanvraag van de ouders werd door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond en de eerste aanvraag van de minderjarige kinderen als ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de ouders geen oprechte inspanning hebben geleverd om hun aanvraag te onderbouwen, dat hun verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn en dat zij hun aanvraag niet tijdig hebben ingediend zonder geldige reden.

Voor de minderjarige kinderen is vastgesteld dat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat het medische argument voor uitstel van vertrek wegens epilepsie onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het bestreden besluit, zonder toekenning van proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvragen van ouders en minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62091

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[de moeder],V-nummer: [V-nummer 1], moeder
, [de vader]V-nummer: [V-nummer 2], vader en hun minderjarige kinderen [minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer 3], [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer 4], en [minderjarige 3], V-nummer: [V-nummer 5],
samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag.
1.1.
Eisers hebben op 3 december 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 december 2025 de opvolgende aanvraag van de ouders in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond [1] . De eerste aanvraag van de minderjarige kinderen heeft verweerder met het bestreden besluit afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: vader, de gemachtigde van eisers, R.B. Raj als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers hebben de Indiase nationaliteit. Moeder en vader hebben eerder in 2016, voordat de kinderen werden geboren, een asielaanvraag ingediend en daaraan ten grondslag gelegd dat zij in India problemen ondervinden van hun inter-kastehuwelijk. Verweerder heeft deze gestelde problemen ongeloofwaardig geacht, de aanvraag afgewezen en deze afwijzing staat in rechte vast. [2]
2.1.
De ouders hebben aan hun opvolgende asielaanvraag opnieuw het inter-kastehuwelijk en dezelfde problemen als bij hun vorige aanvraag ten grondslag gelegd. Zij verwachten nu dezelfde problemen voor hun kinderen. Voor de minderjarige kinderen is het hun eerste asielaanvraag en zij zullen bij terugkeer naar India problemen ondervinden door het huwelijk van hun ouders en het feit dat zij nog nooit in India zijn geweest. Bovendien lijdt [minderjarige 1] aan epilepsie en zij staat hiervoor onder behandeling in Nederland.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van vader twee asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege het huwelijk van vader en moeder.
Het asielrelaas van moeder bevat volgens verweerder alleen het motief identiteit, nationaliteit en herkomst.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde problemen vanwege het huwelijk niet geloofwaardig. Redengevend hiervoor is dat vader geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. [3] Daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. [4] Ook heeft vader zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring. [5] Vader kan ook in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. [6] Verweerder heeft beide aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers bij hun aanvraag en tijdens de gehoren alleen aangelegenheden hebben genoemd die niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of zij recht hebben op een asielvergunning. [7] Ook hebben eisers hun aanvraag enkel ingediend om hun uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen. [8] Tot slot hebben eisers een opvolgende aanvraag ingediend, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. [9]
3.2.
Verweerder heeft in de asielaanvragen van de minderjarige kinderen een ambtshalve toets gemaakt en geconcludeerd dat zij niet in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, nu zij geen bijzondere, individuele omstandigheden hebben aangedragen. [minderjarige 1] krijgt geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), nu de gestelde medische problemen niet zijn onderbouwd met documenten.
3.3.
Aan de minderjarige kinderen is ook een terugkeerbesluit opgelegd, gericht op India. De ouders hebben in de vorige procedure al een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd gekregen.
Wat vinden eisers in beroep?
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Ten eerste werpt verweerder ten onrechte tegen dat eisers geen oprechte inspanning hebben geleverd om hun herhaalde asielaanvraag te staven. Dat hun aanvraag aanvankelijk onvolledig was, kan eisers niet worden tegengeworpen. Eisers hebben hun aanvraag vanuit bewaring ingediend en daardoor waren zij in hun mogelijkheden beperkt om hun aanvraag te onderbouwen met documenten. Eisers wisten niet dat zij bij hun gehoren stukken moesten meenemen en hebben bij die gelegenheid aangegeven deze alsnog, eventueel in beroep, in te zullen dienen. Ten tweede voeren eisers aan dat hun verklaringen wel een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat de verklaringen in de vorige procedure ongeloofwaardig zijn geacht, betekent niet dat verweerder in de huidige procedure kan volstaan met een verwijzing naar de vorige procedure. De vader heeft verklaard dat hij inmiddels ouder is van drie kinderen. Eiser heeft hier niet oppervlakkig over verklaard. Daarbij heeft verweerder de individuele omstandigheden van eisers onvoldoende betrokken. Ten derde mag eisers niet worden tegengeworpen hun aanvraag niet zo spoedig mogelijk te hebben gedaan. Verweerder miskent namelijk dat eiser gedurende een lange periode door het COA, DT&V en sociale werkers is geïnformeerd dat hij geen opvang meer zou krijgen en dat van hem verwacht werd dat hij Nederland zou verlaten en dat hij niet in staat was de kosten voor rechtsbijstand te dragen. Ten vierde werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij verschillende keren met onbekende bestemming is vertrokken naar Duitsland. Na de vorige afwijzing zag eiser zich immers genoodzaakt om onderdak te vinden in Duitsland en hij voelde zich onder druk gezet door verschillende instanties. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de minderjarige kinderen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning en [minderjarige 1] niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek wegens haar epilepsie. Tot slot heeft verweerder ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd geconcludeerd dat eisers bij terugkeer naar India geen reëel risico op ernstige schade lopen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank oordeelt dat verweerder de asielaanvraag van eisers heeft kunnen afwijzen. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.
Mocht verweerder vaders gestelde problemen vanwege het inter-kaste huwelijk ongeloofwaardig vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat vaders gestelde problemen vanwege het inter-kaste huwelijk niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft tegen kunnen werpen dat vader geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen door aanvankelijk een onvolledige aanvraag in te dienen en vervolgens de gestelde problemen onvoldoende te onderbouwen met verklaringen en geen bewijsstukken over te leggen. Het is vader tijdens de vorige asielaanvraag en ook tijdens zijn aanvullende gehoor meerdere malen duidelijk gemaakt dat het belangrijk is om documenten over te leggen. [10] Uit de houding van vader blijkt ook niet van een oprechte inspanning om zijn aanvraag te onderbouwen, nu hij tot op heden geen documenten heeft overgelegd aan verweerder.
7. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat vaders verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zoals onder rechtsoverweging 2. al is overwogen, staat de ongeloofwaardigheid van de problemen vanwege het inter-kaste huwelijk van eisers in rechte vast. De gestelde problemen die hun kinderen als gevolg van dat huwelijk zullen ondervinden bij een terugkeer naar India, zijn op geen enkele manier onderbouwd en kunnen reeds hierom niet tot een ander oordeel leiden.
8. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat vader zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hij hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven. In beroep stelt vader dat hij hier wel een verschoonbare reden voor heeft en verwijst hij naar wat hij in het aanvullend gehoor heeft verklaard, namelijk dat hij de advocaatkosten niet kon betalen en dat het COA, DT&V en sociale werkers hem hebben verteld dat hij Nederland moest verlaten en geen opvang meer zou krijgen. In het voornemen is verweerder daar al op ingegaan. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het voornemen en dus het bestreden besluit op dit punt onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat vader in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Vader is na de afwijzing in 2016 meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken richting Duitsland. Vaders herhaling in beroep van zijn verklaring uit het gehoor, namelijk dat hij zich onder druk gezet voelde door verschillende instanties en dat hij pas opnieuw asiel heeft aangevraagd nadat hij door de politie werd gehoord, treft geen doel. In het voornemen is verweerder daar al op ingegaan. Uit wat vader in beroep aanvoert blijkt niet waarom hij van mening is dat het voornemen en dus het bestreden besluit op dit punt onjuist is. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
10. Zoals overwogen in rechtsoverwegingen 6. tot en met 9. heeft verweerder eisers gestelde problemen vanwege het inter-kaste huwelijk ongeloofwaardig mogen vinden. Verweerder heeft dan ook kunnen stellen dat eiser voor wat betreft dit asielmotief geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade [11] . De beroepsgronden die zien op dit asielmotief slagen daarom al niet.
Mocht verweerder de asielaanvraag van de ouders afwijzen als kennelijk ongegrond?
11. De rechtbank stelt vast dat eisers geen gronden hebben aangevoerd tegen de kennelijk ongegrondheid van hun aanvraag. De rechtbank zal dit daarom onbesproken laten.
Moest verweerder de kinderen een reguliere vergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro op humanitaire gronden verlenen?
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kinderen niet voldoen aan de voorwaarden voor de afgifte van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder heeft terecht bij dit oordeel betrokken dat eisers geen overige bijzondere individuele omstandigheden hebben aangevoerd. Ook hebben eisers tot op heden geen documenten over de medische problematiek van [minderjarige 1] overlegd. Op zitting heeft vader nog verklaard dat hij documenten op zijn telefoon heeft en deze kan overhandigen aan de rechtbank. Dit aanbod acht de rechtbank tardief en in strijd met de goede procesorde. Eisers zijn gedurende de procedure gewezen op het belang van documenten, eisers worden bijgestaan door een gemachtigde en zij hebben zelf de keuze gemaakt om geen documenten over te leggen, terwijl het aan eisers is om hun aanvraag te onderbouwen met documenten en zij dit tot op heden hebben nagelaten.
Artikel 64 Vw Pro: uitstel voor vertrek voor [minderjarige 1]
13. De beroepsgrond over artikel 64 Vw Pro slaagt niet. Verweerder heeft mogen afzien van de inhoudelijke beoordeling of [minderjarige 1] in aanmerking komt voor uitstel van vertrek om medische redenen op grond van artikel 64 Vw Pro, omdat de ouders de gestelde medische situatie van hun dochter op geen enkele manier hebben onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

14. Verweerder heeft de aanvraag van de ouders terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De aanvraag van de minderjarige kinderen heeft verweerder terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, f en g van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 23 maart 2017, zaaknummers: NL16.3934 en NL16.3936, r.o. 15.
3.Artikel 31, zesde lid, onder a van de Vw.
4.Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
5.Artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw.
6.Artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw.
7.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a van de Vw.
8.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder f van de Vw.
9.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d van de Vw.
10.Rapport gehoor opvolgende aanvraag [de vader], p. 4, 6, 7, 8.
11.Als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.