ECLI:NL:RBDHA:2026:3379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder d, Vreemdelingenwet 2000Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek biseksuele Sierra Leoonse vreemdeling wegens ongeloofwaardigheid

Eiser, een Sierra Leoonse nationaliteit, verzocht op 8 mei 2023 om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn biseksuele geaardheid. Hij stelde dat hij in Sierra Leone vervolgd werd na betrapt te zijn met een partner, waarna hij vluchtte.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 18 december 2025 af wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief. De rechtbank behandelde het beroep op 11 februari 2026 en oordeelde dat de minister terecht vond dat eiser onvoldoende samenhangende en aannemelijke verklaringen gaf over zijn seksuele gerichtheid.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met wetenschappelijke inzichten over adolescentie en seksuele identiteit, maar de rechtbank vond dat deze argumenten onvoldoende onderbouwd waren en dat de minister de afwijzing deugdelijk motiveerde.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen reëel risico op vervolging loopt en verklaarde het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63322

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Volckmann),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. Eiser heeft op 8 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Cisse als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is en dat hij in Sierra Leone een relatie heeft gehad met [naam]. Eiser en [naam] zijn door twee buurmannen betrapt, waarna [naam] is gearresteerd. Het is eiser gelukt om te vluchten en hij heeft Sierra Leone een maand later verlaten.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De biseksuele gerichtheid.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt eisers biseksuele gerichtheid ongeloofwaardig. Redengevend daarvoor is dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. [2] Het asielmotief is niet alsnog geloofwaardig omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [3] Hiervoor zijn vier redenen, ten eerste dat eiser tegenstrijdig, ongerijmd en summier over zijn gevoelens en acceptatie omtrent zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. Ten tweede vindt verweerder de betrapping van [naam] en eiser en de gevolgen hiervan ongerijmd en eisers verklaringen hierover zijn tegenstrijdig. Ten derde verklaart eiser tegenstrijdig over zijn datum van vertrek. Tot slot weet hij vrijwel niets over LHBTI-organisaties in Sierra Leone. Eiser heeft daarom geen vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [4] en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Tot slot is aan eiser een terugkeerbesluit, gericht op Sierra Leone opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Ten aanzien van eisers verklaringen over zijn geaardheid vindt eiser dat hij wel voldoende inzicht heeft gegeven over zijn persoonlijke gevoelens en gedachten en hoe hierop is gereageerd door zijn moeder en over zijn proces van acceptatie. Verweerder is voorbijgegaan aan de wetenschappelijke informatie van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid [5] en een neurologisch onderzoek van de Harvard Medical School [6] . Eisers verklaringen gaan in op zijn ervaringen als vijftienjarige, waarbij hij niet besefte wat de bron van zijn verwardheid was. Verweerder gaat in de beoordeling van eisers verklaringen voorbij aan de complexiteit van de persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling in de adolescente fase. Uit eisers verklaringen blijkt wel degelijk het besef van angst, verwarring en bezorgdheid over zijn geaardheid. Verweerder heeft niet aangegeven wat eiser hierover nog meer had moeten kunnen verklaren. Over de acceptatie van zijn geaardheid voert eiser aan dat hij voldoende heeft verklaard over zijn gevoelsleven in zijn pubertijd. [7] Eiser handhaaft zijn standpunt uit de zienswijze dat het besluitvormingsniveau inadequaat is. Daarbij voert eiser aan dat hij het belang van een academische benadering van LHBTI-asielrelazen en het betrekken van wetenschappelijke onderzoeken op dit terrein inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte niet inhoudelijk gereageerd op de zienswijze en de daarin opgenomen wetenschappelijke onderzoeken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank oordeelt dat verweerder de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat de biseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Hierbij is het volgende van belang.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser alleen beroepsgronden heeft gericht tegen verweerders standpunt dat eiser tegenstrijdig, ongerijmd en summier over zijn gevoelens en acceptatie omtrent zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. Eiser heeft in zijn beroepsgronden vooral gewezen op artikelen over en wetenschappelijk onderzoek naar de persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling van adolescenten, al dan niet gericht op lhbti-gerichtheid. Deze verwijzingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat verweerder de verklaringen van eiser niet tegenstrijdig, ongerijmd en summier mocht vinden omdat eiser in zijn beroepsgronden en ter zitting niet heeft onderbouwd waarom de wetenschappelijke artikelen specifiek in de situatie van eiser relevant zijn of zouden moeten leiden tot de conclusie dat zijn verklaringen niet tegenstrijdig, ongerijmd en summier mogen worden gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit eiser dus kunnen tegenwerpen als onderdeel van verweerders standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter [8] de voorgaande conclusies niet anders maakt. In de eerste plaats is in die uitspraak juist benadrukt dat het zwaartepunt in lhbti-zaken moet liggen bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen, zonder daarbij uit te gaan van stereotiepe uitgangspunten. In de tweede plaats is de casus in die uitspraak niet vergelijkbaar met de casus in de onderhavige zaak. Daar was onvoldoende gemotiveerd waarom de antwoorden die de vreemdeling had gegeven op vragen over zijn gevoelens en de worsteling die hij had ervaren, tekortschoten, wat hier niet het geval is. Ook was de vreemdeling in de door eiser ingeroepen uitspraak 11 of 12 jaar oud toen hij voor het eerst gevoelens kreeg voor een man, terwijl eiser 15 jaar oud was. De beroepsgronden slagen niet.
6.2.
Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de overige tegenwerpingen die zien op de geloofwaardigheid van zijn seksuele gerichtheid, zodat deze geen bespreking behoeven.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
3.Artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw.
4.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.Richtlijn Jeugdhulp, de seksuele ontwikkeling van jeugdigen van 0 tot 23 jaar vanaf de start puberteit ongeveer 12 tot 23 jaar.
6.Eiser verwijst naar een onderzoek uit 2015 van Richard Schwartz en Jacqueline Olds, “Love and the Brain” in het Harvard Medical School.
7.Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2615.