ECLI:NL:RBDHA:2026:3382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL24.9622
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 6 TerugkeerrichtlijnRichtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2009/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense ontheemde

Deze zaak betreft het terugkeerbesluit dat de minister van Asiel en Migratie op 28 juli 2025 aan eiser heeft opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) was beëindigd. Eiser, een derdelander met de Algerijnse nationaliteit die vanuit Oekraïne naar Nederland was gekomen, betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat het terugkeerbesluit prematuur was en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit niet prematuur is, omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtmatig is beëindigd en het verblijf van eiser sindsdien illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De bevriezingsmaatregel die verblijf tot 4 september 2025 toestond, verlengde de tijdelijke bescherming niet, maar was slechts een opschorting van rechten. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalt, mede gelet op eerdere uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak.

Verder is geen individuele belangenafweging vereist bij het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het privéleven van eiser, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €934,-.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9622
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. de Bonth).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 28 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 31 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL23.40786. De minister heeft vervolgens het besluit van 31 augustus 2023 ingetrokken.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.9622.
6. Op 28 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 28 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. Eiser heeft vervolgens aanvullende gronden ingediend.
8. De rechtbank heeft beide beroepen op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn – met kennisgeving voorafgaand aan de zitting – niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
9. De rechtbank heeft partijen in het beroep met zaaknummer NL24.9622 tijdig uitgenodigd. De rechtbank heeft pas kort voorafgaand aan de zitting onderkend dat het beroep tegen het inmiddels ingetrokken terugkeerbesluit van 31 augustus 2023 met zaaknummer NL23.40786 samenhangt met het beroep tegen de terugkeerbesluiten erna. Gelet op deze samenhang heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat deze zaken gelijktijdig behandeld zullen worden op de zitting. Eiser heeft laten weten in het beroep met zaaknummer NL24.9622 niet ter zitting te zullen verschijnen en daarnaast uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de gelijktijdige behandeling van het beroep met zaaknummer NL23.40786.
10. Mede in aanmerking genomen dat de uitnodiging voor de zitting ten aanzien van zaaknummer NL23.40786 niet tijdig is verzonden, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit van 31 augustus 2023 als apart beroep aan te merken. In deze uitspraak wordt dus niet beslist op het beroep met zaaknummer NL23.40786. Het onderzoek in die zaak zal worden heropend en eiser zal in de gelegenheid worden gesteld een nadere reactie in te dienen, onder meer over welk belang nog bestaat bij het beroep tegen dit ingetrokken besluit.
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Ontvankelijkheid
11. Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit laatste terugkeerbesluit.
12. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 23.
Het standpunt van eiser
13. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 prematuur is opgelegd, omdat hij nog tot en met 4 september 2025 rechtmatig verblijf had door de bevriezingsmaatregel. Hij verwijst in dit verband naar artikel 6 van Pro de richtlijn 2009/115/EG (de Terugkeerrichtlijn), waaruit volgt dat pas bij illegaal verblijf een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en het Unierecht, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, het beginsel van proportionaliteit en artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband voert eiser aan dat de Nederlandse autoriteiten hebben toegezegd de facultatief beschermden gelijk te behandelen als de verplicht beschermden. Eiser verwijst hierbij naar de kamerbrief van 30 maart 2022, waarin de minister heeft toegelicht hoe hij de RTB en het Uitvoeringsbesluit in Nederland op de ontheemden uit Oekraïne zal toepassen. De brief vermeldt dat de minister de RTB ruimhartig wil toepassen en gebruik zal maken van de mogelijkheid om de tijdelijke bescherming uit te breiden tot andere groepen ontheemden dan de aangewezen categorieën. Daarom mocht eiser erop vertrouwen dat hij tijdelijke bescherming zou genieten voor de voor de maximale duur van de RTB zonder dat er onderscheid zou worden gemaakt tussen beide groepen. Ook heeft de minister volgens eiser nagelaten om een individuele belangenafweging te maken, waaruit blijkt wat het belang is om de tijdelijke bescherming te beëindigen. In dit kader wijst hij erop dat hij al meer dan drie jaar rechtmatig verblijf heeft in Nederland en hier privéleven heeft opgebouwd. Hij woont en werkt sinds 2022 in Nederland en heeft sindsdien lasten afgedragen. Eiser heeft perspectief in Nederland, vrienden en een relatie. Niet kan worden verwacht dat mensen hun leven drie jaar ‘on hold’ zetten. Ten slotte stelt eiser dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat hij terecht beroep heeft ingesteld tegen het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024.
Het oordeel van de rechtbank
Is het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 prematuur?
14. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 20244 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.

4.ECLI:EU:C:2024:1038.

15. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit niet prematuur opgelegd. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025.5 Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting.

Is er sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel?

16. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraak van 17 januari 2024 heeft geoordeeld dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel niet aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming in de weg staat, en dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne met tijdelijke bescherming.6 De Afdeling komt in haar uitspraak tot het oordeel dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is.7 In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

Ontbreekt er een individuele belangenafweging of een evenredigheidstoetsing?

17. Dat de minister, buiten de verplichting die volgt uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn, een individuele belangenafweging had moeten maken, volgt de rechtbank ook niet. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning, en dat daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming.8

Artikel 8 van Pro het EVRM

18. Artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof9 volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.

5.ECLI:NL:RVS:2025:1829.

6 Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, r.o. 10.2.
7 In de uitspraak van 23 april 2025 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 januari 2024, overwogen dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen.
8 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, r.o. 10.3.
19. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten.10 Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
20. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met onder meer het privéleven van de derdelander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiser is in het voornemen van 4 juni 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. De minister heeft de persoonlijke situatie van eiser, zoals naar voren gebracht in de zienswijze, uitdrukkelijk in het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 betrokken. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het privéleven dat eiser gedurende zijn verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. In beroep wordt in wezen verwezen naar dezelfde persoonlijke situatie. Dit leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Verder gaat het niet om langdurig verblijf en waren de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard en moet dit geacht worden voor hem ook duidelijk te zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk.
22. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 28 juli 2025, is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
23. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor van 1).
9 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 92
10 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 ongegrond; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.