ECLI:NL:RBDHA:2026:3405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7727
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in asielprocedure wegens risico op onttrekken toezicht

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft tegen het besluit van 11 februari 2026 beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die aan hem is opgelegd in het kader van een asielprocedure. De maatregel is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij verweerder stelt dat bewaring noodzakelijk is voor het verkrijgen van gegevens en vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken.

Eiser betwist de grondslag van de maatregel, onder meer omdat zijn identiteit en nationaliteit bevestigd zouden zijn door een laissez-passer van de Marokkaanse autoriteiten, en voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank oordeelt dat de LP niet als identiteitsdocument kan dienen en dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn, omdat eiser geen paspoort of visum heeft en zich niet heeft gemeld voor illegaal verblijf.

De rechtbank stelt vast dat verweerder voldoende voortvarend handelt gezien de geplande aanmeld- en nader gehoor data. Ook is niet gebleken dat een lichter middel doeltreffend zou zijn, mede omdat eiser niet heeft onderbouwd dat hij rechtmatig verblijf in Spanje heeft. De ambtshalve toets leidt niet tot onrechtmatigheid van de maatregel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7727

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting in Breda behandeld. Eiser is verschenen via telehoorverbinding, bijgestaan door mr. [persoon 1] , als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Grondslag en maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag en er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of
belemmert. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn [4] , (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder de maatregel van bewaring niet mag baseren op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat eisers identiteit en nationaliteit reeds is bevestigd door middel van de afgifte van de LP [5] door de Marokkaanse autoriteiten. Verder betwist eiser alle zware en lichte gronden.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring (mede) heeft mogen baseren op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat eiser 10 februari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend. Voor de beoordeling van deze asielaanvraag zijn niet enkel de identiteit en nationaliteit noodzakelijk, zodat de LP hiervoor onvoldoende is. Daar komt bij dat een LP slechts dient als een vervangend reisdocument en niet als identiteitsdocument.
5. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [6] dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3a en 3b alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. [7] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt immers niet over een paspoort of visum. Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn illegaal verblijf. Dat hij onder meer bij familie verbleef en daarom traceerbaar was, leidt niet tot een andere conclusie. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
Voortvarend handelen
6. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, stelt de rechtbank vast dat eisers aanmeldgehoor staat gepland op 18 februari 2026 en het nader gehoor op 20 februari 2026. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt.
Lichter middel
7. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft namelijk eerder in Spanje verbleven en Spanje gaat een groot aantal mensen dat op dit moment geen rechtmatig verblijf heeft, voorzien van een verblijfsvergunning. Hij heeft eerder tijdens de gehoren aangegeven dat hij naar Spanje wil om zijn verblijf daar te legaliseren. Verweerder had dan ook moeten onderzoeken welke mogelijkheden eiser heeft om naar Spanje te gaan of hem in de gelegenheid te stellen om in vrijheid zelf te onderzoeken of (en aan te tonen dat) hij in aanmerking komt voor rechtmatig verblijf in Spanje, aldus eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verder heeft eiser niet onderbouwd dat hij op dit moment rechtmatig verblijf heeft in Spanje dan wel daarvoor in aanmerking komt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien dit verder te onderzoeken.
Ambtshalve toets
9. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Richtlijn 2008/115/EG.
5.Laissez-passer.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.