ECLI:NL:RBDHA:2026:3426

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 februari 2026
Zaaknummer
C/09/689640 / HA RK 25-405
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidDecreet 276 uit 1969 SyriëArt. 8 lid 1 Wet op het Turkse staatsburgerschapArt. 11 e.v. Wet op het Turkse staatsburgerschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met Palestijnse achtergrond

Verzoeker, geboren in 2004 in het buitenland, heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland en verzoekt de rechtbank om vaststelling van zijn staatloosheid. De rechtbank betrekt de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije bij haar beoordeling, aangezien verzoeker Palestijnse roots heeft, in Syrië is geboren en een jaar in Turkije verbleef.

De rechtbank beoordeelt de overgelegde documenten, waaronder een identiteitskaart voor Palestijnen uit Syrië en diverse uittreksels, als authentiek. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving verleent nationaliteit via de vader, wat hier niet aannemelijk is, en naturalisatie is voor Palestijnen in Syrië niet mogelijk. Ook de Turkse nationaliteit is niet van toepassing, omdat verzoeker niet aan de wettelijke criteria voldoet.

De rechtbank concludeert dat verzoeker niet als onderdaan van enige staat wordt beschouwd en stelt zijn staatloosheid vast. Het verzoek tot veroordeling van de Staat in proceskosten wordt afgewezen. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-405
Zaaknummer: C/09/689640
Datum beschikking: 21 januari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 29 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.C. Blomjous te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 19 november 2025 van de Staat;
- de brief van 28 november 2025 van de zijde van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker en tot veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Staat adviseert het verzoek ten aanzien van de vaststelling van staatloosheid toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
- Verzoeker is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel, geldig tot 11 september 2027.
- Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
- identiteitskaart voor Palestijnen, afgegeven in Damascus, Syrië;
- UNRWA document;
- individueel uittreksel uit bet bevolkingsregister te Syrië;
- uittreksel uit het geboorteregister te Syrië;
- Familie uittrekstel uit het register voor Arabische Palestijnen.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn*haar verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Verzoeker stelt een Palestijn uit Syrië te zijn en heeft van april 2021 tot april 2022 in Turkije verbleven alvorens hij Nederland is ingereisd.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoeker beschikt ook over een Syrische identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoeker beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoeker heeft van april 2021 tot april 2022 in Turkije verbleven als vluchteling uit Syrië.
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw).
Van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker kan worden vastgesteld.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2026.