ECLI:NL:RBDHA:2026:345

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/680721 / HA ZA 25-175
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burengeschil over uitleg en uitvoering erfdienstbaarheden en het gebruik van camera's

In deze zaak, die op 7 januari 2026 door de Rechtbank Den Haag is behandeld, gaat het om een burengeschil tussen twee partijen, aangeduid als [eisers] c.s. en [gedaagde]. De eisers, eigenaren van een perceel sinds 1992, hebben een geschil met de gedaagde, die sinds 2000 eigenaar is van een aangrenzend perceel. De kern van het geschil betreft de uitleg en uitvoering van erfdienstbaarheden die zijn gevestigd in een leveringsakte uit 1969, met betrekking tot een hijskraan en het gebruik van een strook grond tussen de percelen. De eisers vorderen onder andere dat de gedaagde werkzaamheden aan de hijskraan verbiedt, de erfdienstbaarheden opheft en de camera's die gericht zijn op hun perceel verwijdert. De rechtbank oordeelt dat de hijskraan eigendom is van de eisers en dat de gedaagde slechts een erfdienstbaarheid heeft om de hijskraan te gebruiken. De rechtbank wijst de vorderingen van de eisers grotendeels toe, met uitzondering van het verbod op het gebruik van de hijskraan. De gedaagde vordert in reconventie onder andere een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de hijskraan, maar deze vordering wordt afgewezen. De rechtbank legt dwangsommen op voor het niet naleven van de beslissingen en veroordeelt de gedaagde tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/680721 / HA ZA 25-175
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] te [woonplaats] ,2. [eiser 2] te [woonplaats] ,

eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. C.J.R. van Binsbergen,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Talsma.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 februari 2025 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 5;
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 waarin een plaatsopneming en een mondelinge behandeling is bepaald;
- de door [eisers] voor de mondelinge behandeling overgelegde productie (eveneens genummerd met 5);
- het proces-verbaal van de plaatsopneming van 27 oktober 2025.
1.2.
Aansluitend op de plaatsopneming heeft op 27 oktober 2025 de mondelinge behandeling plaatsgevonden aan de [adres 1] . Hierbij waren partijen en hun advocaten aanwezig. Van hetgeen door partijen ter zitting naar voren is gebracht zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. Op verzoek van de rechtbank, en als ter zitting met partijen besproken, heeft [gedaagde] na afloop van de mondelinge behandeling screenshots van de camera’s die aan de zuidgevel van zijn pand hangen en een verklaring van zijn rechtsvoorganger overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[eisers] c.s. is sinds 1992 eigenaar van het perceel aan het [adres 2] (in onderstaande afbeelding perceel [perceelnummer 1] ). Op 26 november 2024 heeft [eisers] c.s. het aangelande stukje grond ten zuiden van zijn perceel (met nummer [perceelnummer 2] ) van de gemeente gekocht.
2.2.
[gedaagde] is sinds 2000 eigenaar van het perceel aan het [adres 3] (in onderstaande afbeelding perceel [perceelnummer 3] ). Op 20 juni 2023 heeft [gedaagde] het aangelande stukje grond ten zuiden van zijn perceel (met nummer [perceelnummer 4] ) van de gemeente gekocht.
Afbeelding verwijderd vanwege privacyredenen
2.3.
De percelen van [eisers] c.s. en [gedaagde] (zonder de later aangekochte stukjes grond) behoorden voorheen tot één perceel, waarop een dienstwoning (op het huidige perceel van [eisers] c.s.) en een bedrijf (op het huidige perceel van [gedaagde] ) waren gevestigd. De toenmalige eigenaar van het gehele perceel, [naam 1] , heeft het gedeelte waarop het bedrijf was gevestigd verkocht aan zijn zoon, [naam 2] . In de leveringsakte tussen deze partijen van 21 februari 1969 is vermeld dat hetgeen is verkocht het volgende omvat:
“a- een gedeelte ter grootte van ongeveer zes are van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [perceelnummer 5] , met langs dat gedeelte aan de Drecht liggende schoeiing (alles zoals op het terrein behoorlijk afgepaald; komende de erfscheiding evenwijdig aan de werkplaats langs een rechte lijn getrokken op een afstand van één meter, vijf en zestig centimeter van de werkplaats aan de zijde van het woonhuis);
b. een werkplaats met bedrijfsmachines, gereedschappen en voorraden, alsmede een hijskraan aan de Drecht;”
2.4.
Op het verkochte deel van het perceel, nu het perceel van [gedaagde] , stond een werkplaats. Uit de akte volgt dat de nieuwe erfgrens is bepaald op 1,65 meter vanaf de werkplaats. [gedaagde] heeft de werkplaats gesloopt en een nieuw (bedrijfs)pand gebouwd. Dit pand staat op meer dan 1,65 meter van de erfgrens, waardoor de ruimte tussen de woning (op het perceel van [eisers] c.s.) en [gedaagde] is verruimd. [gedaagde] heeft vervolgens ook het terrein rondom het pand (opnieuw) laten bestraten. Op het perceel van [eisers] c.s. staat een laag muurtje dat evenwijdig loopt aan de grens tussen beide percelen.
2.5.
Aan de zuidkant van het perceel [perceelnummer 1] (van [eisers] c.s.) staat een garage. In de zuidoost-hoek van het perceel staat een oude hijskraan. In deze hijskraan is het jaartal 1857 gegoten.
2.6.
In de hiervoor genoemde leveringsakte staat verder onder meer het volgende opgenomen:
“Ten laste van en ten behoeve van de strook grond gelegen tussen de werkplaats en het ten westen daarvan staande muurtje (staande respectievelijk op het verkochte en het aan verkoper verblijvend gedeelte van gemeld nummer [perceelnummer 5] ) wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de [straat] en de nieuw in aanbouw zijnde garage.
(…)
Voorts wordt nog gevestigd de navolgende erfdienstbaarheden:
a. Die tot het hebben en houden van de hijskraan op een klein stukje grond, uitmakende een gedeelte van het aan verkoper verblijvend deel van de grond nummer [perceelnummer 5] ;
b. Over en weder die tot het gebruik van de tuin tussen de garage en de erfafscheiding daarvan over een gedeelte ter breedte van anderhalve meter.”
2.7.
Onderstaande foto’s zijn genomen tijdens de plaatsopneming van 27 oktober 2025. De linkerfoto is genomen vanaf de openbare weg (noordzijde van de percelen). Aan de rechterzijde is het perceel van [eisers] c.s., aan de linkerzijde het perceel van [gedaagde] . De erfgrens loopt evenwijdig aan de betonnen rand, ter hoogte van de overgang naar het grindpad. Aan het einde van deze strook is aan de rechterkant de (witte) garage zichtbaar. Op de rechterfoto is naast de garage, vrijwel tegen de waterkant aan, de hijskraan zichtbaar.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisers] c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] verbiedt werkzaamheden uit te voeren aan de hijskraan, de hijskraan te gebruiken, of deze geheel of gedeeltelijk door een andere te vervangen, zonder voorafgaande toestemming van [eisers] c.s.;
II. de erfdienstbaarheden met betrekking tot (i) het hebben en houden van de hijskraan en (ii) het gebruik van een gedeelte van de tuin van [eisers] c.s. opheft;
III. [gedaagde] beveelt onmiddellijk na betekening van dit vonnis alle vereiste medewerking te verlenen aan doorhaling van de onder II bedoelde erfdienstbaarheden in de openbare registers;
IV. [gedaagde] beveelt binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis de door of vanwege hem op het perceel van [eisers] c.s. geplaatste roerende zaken te verwijderen en verwijderd te houden en daar geen andere zaken op te slaan;
V. [gedaagde] beveelt binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis de door of vanwege hem op het overpad geplaatste roerende zaken te verwijderen en verwijderd te houden en daar geen andere zaken op te slaan;
VI. [gedaagde] verbiedt werkzaamheden uit te voeren aan de heg van [eisers] c.s., anders dan de werkzaamheden waarin artikel 5:44 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voorziet;
VII. [gedaagde] beveelt binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis gewone straattegels te plaatsen ter plaatse van de hijskraan, ter vervanging van de door hem verwijdere straattegels;
VIII. [gedaagde] beveelt de camera aan de westelijke gevel van het bedrijfspand verwijderd te houden en aan die gevel geen nieuwe camera te plaatsen, behoudens voor zover deze (na eventuele herplaatsing) zodanig fysiek wordt afgeschermd dat aanstonds duidelijk is dat deze niet in staat is beeld- en geluidsopnamen te maken van het perceel van [eisers] c.s.;
IX. [gedaagde] beveelt binnen 72 uur na betekening van dit vonnis de beeld- en geluidsopnamen die middels de onder VIII bedoelde camera zijn vervaardigd, blijvend te vernietigen, zonder zelf of door tussenkomst van anderen kopieën te behouden, en binnen 48 uur na deze vernietiging daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de advocaat van [eisers] c.s.;
X. te bepalen dat indien [gedaagde] handelt in strijd met het gevorderde onder I en III tot en met IX, hij een dwangsom verbeurt aan [eisers] c.s. ter hoogte van € 500 per dag, met een maximum van € 50.000, voor elk van de gevorderde bevelen en verboden afzonderlijk;
XI. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eisers] c.s. van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 925, vermeerderd met de wettelijke rente;
XII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eisers] c.s. legt aan de vorderingen ten grondslag dat de hijskraan door verticale natrekking zijn eigendom is geworden (artikel 5:20, eerste lid, onder e, BW). De gevestigde erfdienstbaarheid houdt slechts in dat hij de aanwezigheid van de hijskraan moet dulden. Zonder toestemming van [eisers] c.s. mag [gedaagde] de hijskraan daarom niet onderhouden en/of gebruiken. Nu [gedaagde] geen redelijk belang meer heeft bij de erfdienstbaarheid, dient deze te worden opgeheven (artikel 5:79 BW). Verder dient [gedaagde] de opgeslagen goederen aan beide zijden van de erfgrens over een breedte van anderhalve meter te verwijderen, omdat deze gedeelten volgens de erfdienstbaarheid over en weer gebruikt moeten kunnen worden. Daarnaast zijn de werkzaamheden, waaronder het verwijderen van de straattegels, rondom de hijskraan, een inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] c.s. Ten slotte heeft [gedaagde] met de camera die aan de westelijke gevel van zijn pand hing een onrechtmatige inbreuk op het privéleven van [eisers] c.s. gemaakt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] eigenaar is van de hijskraan;
II. voor recht verklaart dat het ‘hebben en houden van de hijskraan’ omvat het gebruiken van de hijskraan en het (gedeeltelijk) uitvoeren van werkzaamheden aan de hijskraan, zoals het restaureren, herstellen en vervangen van de hijskraan, voor zakelijke en privé doeleinden;
III. voor recht verklaart dat [eisers] c.s. zich bij het betreden van het perceel van [gedaagde] tijdens het op- en afrijden van hun perceel van en naar de garage vanaf de openbare weg moet beperken tot het gebruik van maximaal 1,50 meter van het perceel van [gedaagde] , gemeten vanaf de erfgrens;
IV. [eisers] c.s. hoofdelijk verbiedt om van meer dan 1,50 meter gebruik te maken van het perceel van [gedaagde] om te komen en te gaan van en naar hun garage en de openbare weg, op straffe van een dwangsom ineens van € 500 per overtreding, met een maximum van € 50.000;
V. de medewerking van [eisers] c.s. hoofdelijk gelast ten aanzien van het gebruik van de hijskraan en het uitvoeren van werkzaamheden aan de hijskraan, door hem onder andere te bevelen de nabije omgeving van de hijskraan vrij te maken binnen acht dagen na betekening van dit vonnis, en [eisers] c.s. te verbieden het gebruik van de hijskraan te hinderen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat zij hiermee in gebreke is met een maximum van € 50.000;
VI. [eisers] c.s. hoofdelijk verbiedt te parkeren op de met een erfdienstbaarheid belaste grond achter de hijskraan, alsmede verbiedt de vrije toegang tot dit stuk grond te verhinderen door het stallen van zaken, op straffe van een dwangsom ineens van € 500 per dag van overtreding, met een maximum van € 50.000;
VII. [eisers] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.6.
[gedaagde] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij sinds 2000 eigenaar is van de hijskraan (artikel 5:1 BW) en derhalve geen toestemming van [eisers] c.s. nodig heeft deze te gebruiken en er werkzaamheden aan uit te voeren. Verder geldt dat [gedaagde] op grond van verjaring (artikel 3:99 BW, dan wel artikel 3:105 BW) een recht van opstal (artikel 5:101 BW) heeft gekregen. De erfdienstbaarheid houdt voorts in dat over en weer 1,50 meter vanaf de erfgrens gebruikt mag worden, zodat [eisers] c.s. niet gerechtigd is buiten die grens te treden.
3.7.
[eisers] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt bij de behandeling van de vorderingen over en weer het volgende voorop.
4.2.
In deze zaak gaat het – onder meer – om twee stroken grond op de percelen van partijen. De eerste strook loopt, vanaf de openbare weg aan de noordzijde van de percelen, evenwijdig aan (beide zijden van) de erfgrens tot aan de noordpunt van de garage die op het perceel van [eisers] c.s. staat. Aan de zijde van het perceel van [eisers] c.s. loopt de strook tussen het (betonnen) muurtje naast de woning (zie hiervoor onder 2.4) en de erfgrens. Op dit gedeelte ligt grind. Aan de zijde van [gedaagde] is de strook betegeld. De hiervoor onder 2.6 genoemde erfdienstbaarheid van weg ziet, over en weer, op deze strook.
Omdat de strook, aan de zijde van [gedaagde] , ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid 1,65 meter breed was (de erfgrens is immers bepaald op 1,65 meter vanaf de toenmalige werkplaats, zodat een strook van 1,65 meter tussen de erfgrens en de werkplaats resteerde), is de rechtbank van oordeel dat de erfdienstbaarheid van weg ten gunste van (het perceel van) [eisers] c.s. uitsluitend ziet op de strook tussen de erfgrens en de denkbeeldige lijn op 1,65 meter van (en evenwijdig aan) de erfgrens. De grond verder dan 1,65 meter van de erfgrens, tot aan het nieuwe (verder van de erfgrens gebouwde) bedrijfsgebouw valt niet onder de erfdienstbaarheid. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de tekst van de akte blijkt dat de strook tot aan de garage loopt en niet tot aan het einde van het perceel van [gedaagde] . Er is voor (de rechtsvoorgangers van) [eisers] c.s. ook geen redelijk belang om voorbij de garage te kunnen rijden om van daaruit te komen en te gaan naar de openbare weg. In dit vonnis wordt de hiervoor beschreven strook verder “de eerste strook” genoemd.
4.3.
De tweede strook loopt vanaf de noordpunt van de garage op het perceel van [eisers] c.s. tot aan de grens van het aangelande stukje grond met perceelnummer [perceelnummer 2] . Deze strook is 1,50 meter breed vanaf de erfgrens en ligt geheel aan de zijde van [eisers] c.s. Hierop ziet de erfdienstbaarheid als hiervoor weergegeven onder 2.6 onder b. Aan de zuidkant van deze strook staat de hijskraan. Partijen hebben in de processtukken onderscheid gemaakt tussen het stuk grond waar de hijskraan staat en het stuk grond ten noorden daarvan, waar tijdens de plaatsopneming bouwmaterialen lagen opgeslagen en een auto geparkeerd stond. Voor dit vonnis is een onderscheid van deze stukjes grond niet relevant. Beide stukjes grond worden in dit vonnis gezamenlijk “de tweede strook” genoemd.
In de leveringsakte van 1969 zijn erfdienstbaarheden opgenomen
4.4.
Met betrekking tot “de eerste strook” is in de leveringsakte van 1969 een bepaling opgenomen om “te komen van en te gaan naar de [straat] en de nieuw in aanbouw zijnde garage”. Over de uitleg van die bepaling verschillen partijen niet van mening (zie hiervoor onder 4.2).
4.5.
Met betrekking tot “de tweede strook” zijn in de leveringsakte van 1969 twee bepalingen opgenomen die in die akte ‘erfdienstbaarheden’ zijn genoemd. Het gaat om (a)
die tot het hebben en houden van de hijskraan op een klein stukje grond, uitmakende een gedeelte van het aan verkoper verblijvend deel van de grond nummer [perceelnummer 5]en (b)
over en weder die tot het gebruik van de tuin tussen de garage en de erfafscheiding daarvan over een gedeelte ter breedte van anderhalve meter.
4.6.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van deze bepalingen. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden volgens artikel 5:73 lid 1 BW bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. [1] De ratio voor deze objectieve uitlegmaatstaf ligt in het voor registergoederen (zoals woningen) geldende stelsel van publiciteit en uiteindelijk de rechtszekerheid. Derden moeten kunnen afgaan op hetgeen in een - in de openbare registers ingeschreven - akte is vermeld over bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat in de leveringsakte het ‘hebben en houden van de kraan’ als een erfdienstbaarheid is gekwalificeerd, waarbij ook expliciet is overwogen dat ‘het stukje grond’ waar de kraan op staat bij het aan verkoper toekomende perceel (thans van [eisers] c.s.) blijft behoren. Daar staat tegenover dat in dezelfde akte is opgenomen dat hetgeen is verkocht mede omvat ‘een hijskraan aan de Drecht’. Desgevraagd hebben beide partijen aangegeven geen wetenschap te hebben van een andere kraan, wat doet vermoeden dat in beide gevallen op dezelfde kraan wordt gedoeld. De overdracht van een goed aan een ander verhoudt zich niet tot het vestigen van een erfdienstbaarheid ten behoeve van die ander om datzelfde goed te ‘gebruiken’. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een objectieve uitleg van de akte in dit gevel mee dat een ‘erfdienstbaarheid’ is gevestigd, zoals in de akte letterlijk is vermeld.
De hijskraan is eigendom van [eisers] c.s.
4.8.
Nu in de leveringsakte uit 1969 een erfdienstbaarheid is gevestigd, en geen recht van opstal, is de eigendom van de hijskraan bij (de rechtsvoorgangers van) [eisers] c.s. gebleven, ongeacht of in de leveringsakte beoogd is de kraan over te dragen. Aan (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] komt niet de eigendom, maar slechts een erfdienstbaarheid tot het ‘gebruik’ van de hijskraan toe. Wat dat gebruik inhoudt komt verderop in dit vonnis aan bod.
4.9.
Daarbij is het volgende van belang. Tussen partijen is niet in geschil dat de hijskraan staat op het perceel van [eisers] c.s. Verder staat vast dat de hijskraan aard en nagelvast met de grond is verbonden. Op grond van artikel 5:20 lid 1 sub e BW omvat de eigendom van de grond, voor zover de wet niet anders bepaalt, gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. In beginsel is de hijskraan (ook) door deze verticale natrekking eigendom van [eisers] c.s. Dit eigendomsrecht kan doorbroken worden als een uitdrukkelijk recht van opstal is gevestigd op de hijskraan. Van een dergelijk uitdrukkelijk gevestigd opstalrecht is niet gebleken. Slotsom is dus dat de eigendom van de hijskraan aan [eisers] c.s. toebehoort. Dit houdt tevens in dat de rechtsvoorganger van [gedaagde] geen eigenaar was van de hijskraan en deze ook niet in 2000 aan [gedaagde] over heeft kunnen dragen. Wat destijds tussen hen is overeengekomen is in zoverre dan ook niet relevant.
[gedaagde] is niet op grond van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de hijskraan
4.10.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of [gedaagde] eigenaar is geworden van de hijskraan op grond van verkrijgende verjaring.
4.11.
Van verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 lid 1 BW is sprake als een bezitter te goeder trouw een onroerend goed gedurende een onafgebroken periode van tien jaar bezit. De verjaringstermijn begint te lopen als sprake is van bezit (artikel 3:101 BW). Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Hieronder moet worden verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de bedoeling rechthebbende te zijn. Het houden voor zichzelf sluit uit dat een ander als rechthebbende wordt erkend.
4.12.
Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld (artikel 3:108 BW). Inbezitneming vindt plaats doordat iemand zich de feitelijke macht over het goed verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). Uit vaste jurisprudentie volgt dat de machtsuitoefening zodanig moet zijn dat daardoor naar verkeersopvatting het bezit van de ander teniet wordt gedaan. Bezit moet voor derden voldoende kenbaar zijn, wat onder meer betekent dat de rechthebbende uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen objectief gezien moet kunnen opmaken dat zijn eigendomsrecht wordt bedreigd. Er is namelijk anders geen reden voor de rechthebbende om actie te ondernemen. Uit de handelingen moet een ondubbelzinnige intentie naar buiten blijken om de zaak voor zichzelf te houden. Het laten aanvangen van bezit vereist een daad van inbezitneming van degene die zich op verjaring beroept. Daarnaast is uitsluitend geen gebruik meer maken van het betwiste perceel(sgedeelte) voor bezitsverlies onvoldoende. Voor bezitsverlies is immers kennelijk prijsgeven vereist (artikel 3:117 lid 1 BW). Voor bezit van (een gedeelte van) een onroerende zaak, die kadastraal als eigendom van een ander te boek staat, is meer nodig dan het plegen van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen. [2]
4.13.
In dit verband stelt [gedaagde] dat hij bezitsdaden heeft gepleegd door de hijskraan te onderhouden, terwijl [eisers] c.s. in het geheel geen onderhoud heeft uitgevoerd. Dat ook hij de laatste jaren geen onderhoud meer heeft gepleegd komt door de onderlinge verhoudingen, aldus [gedaagde] .
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om vast te kunnen stellen dat sprake is van verkrijgende verjaring. Geoordeeld is dat [gedaagde] in 2000 geen eigenaar is geworden van de hijskraan. Ten behoeve van hem bestond slechts een erfdienstbaarheid op het ‘gebruik’ van de hijskraan. Het onderhouden van de hijskraan is geen daad van inbezitneming. Dit geldt temeer nu [eisers] c.s. zich niet in zijn eigendom bedreigd hoefde te voelen. Gelet op de erfdienstbaarheid was het vanzelfsprekend dat [gedaagde] handelingen rondom de hijskraan uitvoerde. Dit was voor [eisers] c.s. redelijkerwijs geen reden actie te ondernemen. [gedaagde] is dus ook niet op grond van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de hijskraan. [gedaagde] heeft evenmin een opstalrecht ‘in bezit genomen’. Hij heeft immers nooit het eigendom van de kraan gehad, dus kan hij ook niet met de kraan een opstalrecht in bezit hebben genomen.
De uitleg van het ‘hebben en houden’ van de hijskraan
4.15.
Tussen partijen is in geschil wat de erfdienstbaarheid op de hijskraan inhoudt. Volgens [eisers] c.s. duidt het ‘hebben en houden’ van de hijskraan slechts op het dulden van de aanwezigheid van de hijskraan in die zin dat zij de kraan niet mag verwijderen. Het gaat om een hijskraan uit 1857 die niet door [gedaagde] gebruikt wordt en feitelijk ook niet meer gebruikt kan worden, aldus [eisers] c.s. Volgens [gedaagde] zou hij de hijskraan mogen gebruiken, onderhouden en vervangen.
4.16.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtsvoorganger van [gedaagde] heeft in 1969 het deel van het perceel verkregen dat bestond uit een werkplaats met bedrijfsmachines, gereedschappen en voorraden. Daarbij is ten behoeve van dit perceel een erfdienstbarheid gevestigd op de nabij gelegen hijskraan waarmee last op de kade kan worden in- en uitgeladen. Een voor de hand liggende uitleg van het ‘hebben en houden’ van de hijskraan is dat die kraan gebruikt mag worden voor de bedrijfsactiviteiten. De hijskraan is geen visueel, (kunst)object maar een functioneel object. De uitleg dat de hijskraan niet gebruikt mag worden maar slechts ‘moet blijven staan’, is naar het oordeel van de rechtbank te beperkt, mede in het licht van het feit dat met de akte uit 1969 een werkplaats met bedrijfsmachines en voorraden en dergelijke is overgedragen. Dat wil zeggen dat [gedaagde] de hijskraan mag gebruiken. Dit houdt redelijkerwijs in dat met de hijskraan boten in en uit het water gehaald mogen worden en de kraan gebruikt mag worden voor het laden en lossen van zaken in en uit een boot.
4.17.
Naast het gebruik van de hijskraan, maakt [gedaagde] aanspraak op het mogen uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de kraan. De rechtbank stelt voorop dat klein onderhoud waardoor de hijskraan kan blijven functioneren, redelijkerwijs door [gedaagde] uitgevoerd mag worden. Dit gaat bijvoorbeeld om het oliën van de kraan en het aandraaien van schroeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat de hijskraan ingrijpend gerenoveerd moet worden. Dergelijke ingrijpende onderhoudswerkzaamheden zijn voorbehouden aan de eigenaar van de hijskraan, ofwel aan [eisers] c.s. [gedaagde] mag dus niet uit eigen beweging onderhoudswerkzaamheden uitvoeren aan de hijskraan, daar heeft hij toestemming voor nodig van [eisers] c.s. als eigenaar. Daarbij geldt dat [eisers] c.s. onderhoudswerkzaamheden niet op onredelijke gronden mag weigeren. De erfdienstbaarheid die op de hijskraan is gevestigd houdt mede in dat de kraan gebruikt moet kunnen worden en dus in een staat moet blijven bestaan waarin dat mogelijk is. [eisers] c.s. mag de hijskraan dus niet laten verpieteren. De leveringsakte van 1969 zwijgt over de vraag wie de kosten van dergelijke werkzaamheden moet dragen. Het is aan partijen daar onderlinge afspraken over te maken.
4.18.
Over het mogen vervangen van de hijskraan heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dit niet aan de orde is, als geoordeeld wordt dat [eisers] c.s. eigenaar is van de kraan. Die situatie doet zich voor, zodat de rechtbank daar niet meer over hoeft te oordelen.
Het gebruik van “de tweede strook”
4.19.
Een redelijke uitleg van de erfdienstbaarheid die op de hijskraan is gevestigd, is dat de kraan gebruikt mag worden. Hieronder moet worden verstaan dat laden en lossen van goederen met behulp van de kraan mogelijk moet zijn. Voor de duur van die activiteiten mogen die goederen op de “tweede strook” geplaatst worden op grond van de hiervoor onder 2.6 onder b. genoemde erfdienstbaarheid. Ook als er onderhoudswerkzaamheden aan de kraan worden uitgevoerd, mogen de daarvoor bestemde materialen op deze strook worden geplaatst, mits de werkzaamheden met de nodige voortvarendheid plaatsvinden.
4.20.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat de erfdienstbaarheid van ‘het gebruik van de tuin’ niet zover dat [gedaagde] permanent zaken mag opslaan op de strook. Een redelijke uitleg van de akte brengt mee dat het gebruik van de strook in relatie moet staan tot het (min of meer) directe gebruik van de hijskraan. Het plaatsen van bouwmaterialen zonder dat er werkzaamheden plaatsvinden, zoals tijdens de plaatsopneming het geval was, is dus niet toegestaan. Anderzijds moet [eisers] c.s. [gedaagde] in staat stellen de erfdienstbaarheid uit te kunnen oefenen. [eisers] c.s. mag de strook dus niet gebruiken voor de permanente stalling van voertuigen, zoals momenteel gebeurt. Op de momenten dat [gedaagde] de kraan niet gebruikt om te laden en te lossen, mag [eisers] c.s. de tweede strook wel gebruiken om tijdelijk een auto te parkeren of goederen te plaatsen. Waar het om gaat is dat beide partijen deze strook ‘over en weder’ moeten kunnen gebruiken. [eisers] c.s. mag de strook, in beginsel, als zijn eigendom gebruiken zoals hem goeddunkt, [gedaagde] moet zijn erfdienstbaarheid uit kunnen oefenen.
4.21.
Ten slotte staat de hijskraan op een stukje grond waar straattegels lagen en waarachter een heg staat. [gedaagde] heeft een aantal van de straattegels verwijderd. Deze tegels zijn eigendom van [eisers] c.s. en komen hem toe. [gedaagde] moet de tegels dus teruggeven. Ook de heg is eigendom van [eisers] c.s. De wijze van onderhoud van die heg is in beginsel aan [eisers] c.s. Deze vrijheid wordt beperkt door artikel 5:75 lid 1 BW. Volgens dat artikellid is de eigenaar van het heersende erf (in dit geval [gedaagde] ) bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf (in dit geval het erf van [eisers] c.s.) alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. Dit houdt in dat [gedaagde] de bevoegdheid heeft op zijn kosten werkzaamheden aan de heg uit te voeren, voor zover die noodzakelijk zijn om gebruik te kunnen maken van de hijskraan. Dat daarvan thans sprake is, is niet gebleken.
Beoordeling van de vorderingen
4.22.
Het voorgaande leidt tot de volgende oordelen ten aanzien van de vorderingen over en weer.
in conventie
De vorderingen met betrekking tot de erfdienstbaarheden
4.23.
Onder I vordert [eisers] c.s. dat de rechtbank [gedaagde] verbiedt zonder voorafgaande toestemming werkzaamheden uit te voeren aan de hijskraan, de hijskraan te gebruiken of deze te vervangen. Op de hijskraan is een erfdienstbaarheid gevestigd die [gedaagde] toestaat de hijskraan te gebruiken. Daarvoor heeft hij geen toestemming nodig van [eisers] c.s. Dat deel van de vordering wordt daarom afgewezen. [gedaagde] is op grond van de erfdienstbaarheid niet bevoegd tot het uitvoeren van werkzaamheden (in de zin van een ingrijpende renovatie) of het vervangen van de hijskraan. Dat deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.
4.24.
Vervolgens vordert [eisers] c.s. op grond van artikel 5:79 BW opheffing van de erfdienstbaarheid van het hebben en houden van de kraan en het gebruik van de “tweede strook”. Volgens het genoemde artikel kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf ( [eisers] c.s.) een erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan blijvend onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf ( [gedaagde] ) geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening, en niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren. De erfdienstbaarheid is gevestigd in 1969 onder de regels van het Oud BW. Artikel 5:79 BW heeft op grond van artikel 68a Overgangswet onmiddellijke werking voor erfdienstbaarheden die zijn gevestigd voor de inwerkingtreding van het huidige BW op 1 januari 1992. Dit betekent dat [eisers] c.s. een beroep kan doen op artikel 5:79 BW. Dat beroep slaagt echter niet. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] heeft [eisers] c.s. onvoldoende onderbouwd waarom [gedaagde] de hijskraan niet meer kan gebruiken of daar geen redelijk belang meer bij zou hebben. Dat [gedaagde] de kraan in de afgelopen periode niet of nauwelijks heeft gebruikt is daarvoor onvoldoende. [gedaagde] heeft als productie 5 enkele foto’s overgelegd waarop een recente tewaterlating van een boot met behulp van de hijskraan zichtbaar is. Bovendien staat vast dat de verhoudingen tussen partijen erg zijn verslechterd en partijen in onzekerheid verkeerden over het wel of niet toegestane gebruik van de hijskraan door [gedaagde] . De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de hijskraan niet meer gebruikt kan worden. Vordering II wordt daarom afgewezen.
4.25.
Nu de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheden wordt afgewezen, zal de rechtbank ook vordering III (het doorhalen van de erfdienstbaarheden in de openbare registers) afwijzen.
4.26.
Partijen moeten er voor zorgdragen dat zij over en weer de strook grond ten noorden van de hijskraan kunnen gebruiken. [gedaagde] mag daar dus niet permanent roerende zaken plaatsen. Wat hem wel is toegestaan is geschetst in overweging 4.19 van dit vonnis. Vordering IV wordt toegewezen voor zover [gedaagde] deze strook gebruikt op een manier die buiten de geschetste bandbreedte valt.
4.27.
Vordering V ziet op het door [gedaagde] verwijderen en verwijderd houden van roerende zaken op “de eerste strook”. [gedaagde] heeft ter zitting gemotiveerd betwist roerende zaken te plaatsen of te hebben geplaatst op “de eerste strook”. Dit is door [eisers] c.s. bevestigd, wel is verklaard dat [gedaagde] spullen heeft geplaatst naast de garage. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] hiermee niet in strijd met het recht van overpad heeft gehandeld. De rechtbank heeft overwogen dat de “eerste strook” loopt tot aan de garage en niet daar voorbij. Het stuk grond naast de garage is eigendom van [gedaagde] en dat deel is niet bezwaard met een erfdienstbaarheid ten gunste van [eisers] c.s. Ook het betegelde gedeelte verder dan 1,65 meter van de erfgrens valt buiten het recht van overpad. Het is [gedaagde] daarom toegestaan daar zaken te plaatsen. Vordering V wordt daarom afgewezen.
4.28.
Onder VI vordert [eisers] c.s. dat het [gedaagde] wordt verboden werkzaamheden uit te voeren aan de heg, anders dan de werkzaamheden waarin artikel 5:44 BW in voorziet. Zoals in overweging 4.21 van dit vonnis is overwogen, is de wijze van onderhoud van de heg in beginsel aan [eisers] c.s. [gedaagde] mag dus niet uit eigen beweging werkzaamheden aan de heg uitvoeren. Hij zal [eisers] c.s. moeten verzoeken de heg te onderhouden. Pas als [eisers] c.s. hier geen gehoor aan geeft, en [gedaagde] de hijskraan hierdoor redelijkerwijs niet meer kan gebruiken, mag [gedaagde] op grond van artikel 5:75 lid 1 BW zelf werkzaamheden aan de heg uitvoeren. Met die restrictie wordt deze vordering toegewezen.
4.29.
Ten slotte vordert [eisers] c.s. onder VII dat [gedaagde] gewone straattegels plaatst ter plaatse van de hijskraan, ter vervanging van de door hem verwijdere tegels. [gedaagde] heeft erkend de tegels te hebben weggenomen. De tegels zijn eigendom van [eisers] c.s. [gedaagde] moet de tegels daarom teruggeven. Gevorderd is dit binnen dertig dagen na dit vonnis te doen. De rechtbank neemt dit over en bepaalt dat [gedaagde] binnen die termijn de tegels moet teruggeven aan [eisers] c.s. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard in dat geval de tegels zelf terug te plaatsen rondom de hijskraan. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] die toezegging nakomt.
De vorderingen met betrekking tot de camera’s
4.30.
[eisers] c.s. heeft twee vorderingen ingesteld over de camera’s die [gedaagde] heeft geplaatst aan de westelijke en de zuidelijke gevel van het bedrijfspand en die zijn gericht op het perceel van [eisers] c.s. Aan de westgevel hing, halverwege “de eerste strook” een camera die inmiddels is verwijderd. Aan de zuidgevel van het bedrijfspand hangen twee camera’s. [eisers] c.s. vordert het verwijderen en het verwijderd houden van deze camera’s (vordering VIII) en het vernietigen van de beelden die daarmee zijn gemaakt (vordering IX).
4.31.
De rechtbank stelt voorop dat een camera die is gericht op de woning of de leefomgeving van een derde in beginsel inbreuk maakt op de privacy van die derde en daarmee onrechtmatig is. Een rechtvaardigheidsgrond kan de onrechtmatigheid wegnemen. Daarvoor moet een afweging worden gemaakt tussen enerzijds de ernst van de inbreuk op het privacyrecht en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Daarbij kan worden meegewogen of de belangen ook op een andere, minder verstrekkende manier, bereikt kunnen worden.
4.32.
[gedaagde] heeft als productie 22 enkele screenshots overgelegd, waarvan onderstaande afbeelding er één is. Te zien is “de eerste strook”. Aan de linker bovenzijde van de afbeelding bevindt zich de woning van [eisers] c.s. Dit deel is niet zichtbaar omdat er een zwart vlak over de woning is geprojecteerd. [gedaagde] heeft verklaard dat via de instellingen van de camera een deel van het zichtveld zwart gemaakt kan worden, zoals in dit geval is gebeurd.
4.33.
Uit deze afbeelding blijkt dat de camera gedeeltelijk is gericht op de woning en de leefomgeving van [eisers] c.s. Dit is onrechtmatig. Het belang van [gedaagde] is gelegen in bescherming van zijn eigendommen. Zijn eigendom loopt echter tot de erfgrens, terwijl de helft van het beeld van de camera de eigendom van [eisers] c.s. omvat. [gedaagde] heeft geen belang bij het kunnen zien van dat deel. [gedaagde] dient deze camera verwijderd te houden. Een eventueel nieuw te installeren camera mag slechts zijn eigendom filmen, ofwel uitsluitend de betegelde strook grond tot aan de betonnen rand.
4.34.
Voor de twee camera’s die aan de zuidgevel hangen geldt het volgende. Eén van deze camera’s (waarvan na afloop van de mondelinge behandeling een screenshot is verstrekt waarop “CAM 4” staat), filmt het zuidelijke gedeelte van het perceel van [gedaagde] en niet het perceel van [eisers] c.s.. Die camera blijft in dit vonnis buiten beschouwing. De andere camera aan de zuidgevel (“CAM 3”) laat onderstaand beeld zien.
4.35.
Naast het deel van de zuidpunt van het perceel van [gedaagde] is “de tweede strook” te zien, met daarop de hijskraan en de garage. Ook voor deze camera geldt dat de eigendommen van [eisers] c.s. zichtbaar zijn en [gedaagde] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom zijn belang zou moeten prevaleren boven dat van [eisers] c.s. [gedaagde] dient deze camera dus zo in te stellen dat alleen zijn erf zichtbaar is.
4.36.
Vordering VIII wordt toegewezen, voor zover het gaat om camera’s waarmee [gedaagde] (ook) het perceel van [eisers] c.s. kan filmen. Het is [gedaagde] wel toegestaan camera’s op te hangen waarmee hij uitsluitend zijn eigen perceel kan filmen.
4.37.
Hieruit volgt dat ook vordering IX wordt toegewezen. [gedaagde] dient binnen drie dagen na dit vonnis de gemaakte beelden te verwijderen van de camera’s waarmee een gedeelte van het perceel van [eisers] c.s. gefilmd kan worden. De advocaat van [gedaagde] doet hiervan binnen twee dagen na de verwijdering, schriftelijk mededeling aan de advocaat van [eisers] c.s.
De dwangsommen
4.38.
[eisers] c.s. vordert een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 50.000 per overtreding. De rechtbank acht oplegging van dwangsommen aangewezen, als stimulans tot nakoming van de hierdoor weergegeven beslissingen. De op te leggen dwangsommen worden gematigd en daaraan wordt een maximum verbonden, een en ander zoals in de beslissing wordt vermeld.
De buitengerechtelijke kosten
4.39.
[eisers] c.s. vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het gaat hier om vorderingen van onbepaalde waarde, waarvoor een bedrag van € 925 kan worden toegewezen. [eisers] c.s. vordert de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten indien deze niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis zijn betaald. De rechtbank wijst dit toe.
De proceskosten
4.40.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × tarief II van € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.925,45
4.41.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
De vorderingen met betrekking tot de erfdienstbaarheden
4.42.
De door [gedaagde] onder I gevorderde verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de hijskraan wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.8 en verder is overwogen afgewezen.
4.43.
Onder II vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat het ‘hebben en houden van de hijskraan’ inhoudt dat hij de kraan mag gebruiken, (restauratie-) werkzaamheden mag uitvoeren en de kraan mag vervangen. Onder verwijzing naar hetgeen in dit vonnis is overwogen in 4.15 tot en met 4.18 oordeelt de rechtbank dat dit kan worden toegewezen, voor zover het gaat om het gebruik van de hijskraan en voor het overige moet worden afgewezen.
4.44.
Vervolgens vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eisers] c.s. zich bij het betreden van het perceel van [gedaagde] tijdens het rijden van de openbare weg naar de garage en omgekeerd, moet beperken tot een afstand van maximaal 1,50 meter vanaf de erfgrens (vordering III). Bij overtreding hiervan vordert [gedaagde] een dwangsom ineens van € 500 met een maximum van € 50.000 (vordering IV).
4.45.
De verklaring voor recht volgt uit de tekst van de leveringsakte uit 1969 en hetgeen hierover onder 4.2 is overwogen en wordt toegewezen, zij het tot 1,65 meter in plaats van 1,50 meter. De rechtbank verbindt geen dwangsom aan overtreding hiervan. [eisers] c.s. heeft verklaard zich aan deze strook te houden. Mocht bij het rijden van en naar de garage incidenteel de afstand van 1,65 meter vanuit de erfgrens overschreden worden, ondervindt [gedaagde] hier niet direct noemenswaardig nadeel van. Het zou de verhouding tussen partijen niet ten goede komen als iedere stuurfout van [eisers] c.s. direct tot een dwangsom zou leiden. Het is in ieders belang als partijen in de toekomst juist minder op elkaar zouden letten dan wanneer continue gecontroleerd wordt of de wederpartij een denkbeeldige lijn overschrijdt.
4.46.
[gedaagde] vordert onder V de medewerking van [eisers] c.s. ten aanzien van het gebruik van de hijskraan, op straffe van een dwangsom. Zoals reeds geoordeeld mag [gedaagde] de hijskraan gebruiken en dient [eisers] c.s. daaraan medewerking te verlenen. De op te leggen dwangsom wordt gematigd en daaraan wordt een maximum verbonden, een en ander zoals in de beslissing wordt vermeld. [gedaagde] vordert tevens dat [eisers] c.s. medewerking verleent aan het uitvoeren van werkzaamheden aan de hijskraan, door haar onder andere te bevelen de nabije omgeving van de kraan vrij te maken binnen acht dagen na dit vonnis. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd welk belang hij heeft bij deze vordering. Ten tijde van de plaatsopneming was de nabije omgeving van de hijskraan vrij. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
4.47.
Vordering VI van [gedaagde] wordt ten slotte als volgt toegewezen. Partijen dienen er over en weer voor te zorgen dat “de tweede strook” gebruikt kan worden. Daar hoort niet bij dat de vrije toegang wordt verhinderd door het langdurig stallen van goederen, zoals hiervoor onder 4.20 overwogen. Het is [eisers] c.s. daarom niet toegestaan permanent te parkeren op deze strook grond of daar zaken te stallen. Oplegging van een dwangsom acht de rechtbank in dit geval aangewezen. De op te leggen dwangsom wordt gematigd en daaraan wordt een maximum verbonden, een en ander zoals in de beslissing wordt vermeld.
De proceskosten
4.48.
[eisers] c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × tarief II van € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.406,00
4.49.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
verbiedt [gedaagde] werkzaamheden uit te voeren aan de hijskraan of deze geheel of gedeeltelijk door een andere te vervangen, zonder voorafgaande toestemming van [eisers] c.s., met veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 50 per overtreding, tot een maximum van € 2.000;
5.2.
beveelt [gedaagde] binnen dertig dagen na de betekening van dit vonnis de door of vanwege hem op het perceel van [eisers] c.s. geplaatste roerende zaken te verwijderen en verwijderd te houden en daar geen andere zaken op te slaan, voor zover dit het gebruik zoals geschetst in overweging 4.19 van dit vonnis verhindert, met veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 75 per overtreding, tot een maximum van € 3.000;
5.3.
verbiedt [gedaagde] werkzaamheden uit te voeren aan de heg, anders dan de werkzaamheden waarin artikel 5:44 BW in voorziet, met dien verstande dat het [gedaagde] wel is toegestaan noodzakelijke werkzaamheden aan de heg uit te voeren indien [eisers] c.s. dit ondanks een verzoek van [gedaagde] daartoe nalaat en [gedaagde] de hijskraan daardoor redelijkerwijs niet meer kan gebruiken, met veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 50 per overtreding, tot een maximum van € 2.000;
5.4.
beveelt [gedaagde] de straattegels die rondom de hijskraan waren geplaatst binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis aan [eisers] c.s. terug te geven, met veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 50 per dag als [gedaagde] hieromtrent in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.000;
5.5.
beveelt [gedaagde] de camera’s die aan zijn pand hangen te verwijderen en verwijderd te houden, voor zover die camera’s zicht hebben op het perceel van [eisers] c.s., althans de camera’s zo af te stellen dat deze niet langer het perceel van [eisers] c.s. filmen, en veroordeelt [gedaagde] de met de bedoelde camera’s gemaakte beeld- en geluidsopnamen (alsmede eventuele kopieën daarvan) binnen drie dagen na betekening van dit vonnis blijvend te vernietigen en hiervan binnen twee dagen nadien schriftelijk mededeling te doen aan de advocaat van [eisers] c.s., met veroordeling van [gedaagde] om aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 100 per dag als [gedaagde] hieromtrent in gebreke blijft, tot een maximum van € 5.000;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van € 975 aan buitengerechtelijke kosten te betalen binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis wordt gewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien [gedaagde] hier niet tijdig aan voldoet;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.925,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.11.
verklaart voor recht dat het ‘hebben en houden van de hijskraan’ inhoudt dat [gedaagde] de hijskraan mag gebruiken;
5.12.
verklaart voor recht dat [eisers] c.s. maximaal 1,65 meter van het perceel van [gedaagde] mag gebruiken, gemeten vanaf de erfgrens, om te komen en te gaan van de openbare weg naar de garage;
5.13.
beveelt dat [eisers] c.s. medewerking verleent aan [gedaagde] voor het gebruik van de hijskraan, met veroordeling van [eisers] c.s. om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 50 per dag als [eisers] c.s. hieromtrent in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.000;
5.14.
verbiedt [eisers] c.s. permanent te parkeren op de “tweede strook” alsmede de vrije toegang hiervan te verhinderen door het langdurig stallen van zaken, voor zover dit het gebruik zoals geschetst in overweging 4.19 van dit vonnis verhindert, met veroordeling van [eisers] c.s. om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 75 per overtreding, tot een maximum van € 3.000;
5.15.
veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten van € 1.406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.16.
veroordeelt [eisers] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.17.
verklaart de onderdelen 5.13 tot en met 5.16 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.18.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
3425

Voetnoten

1.vgl. HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4410, r.o. 3.5.1 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148.
2.zie HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7601 en HR 6 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7836.