ECLI:NL:RBDHA:2026:3475

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695307 / FA RK 25-8986
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening exclusief gebruik echtelijke woning en partneralimentatie bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd sinds 1999 en bevinden zich in een echtscheidingsprocedure. De vrouw verzoekt om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe te kennen en de man te bevelen deze te verlaten. De man verzoekt het tegenovergestelde en vraagt tevens voorlopige partneralimentatie.

De rechtbank constateert onoverkomelijke spanningen tussen partijen in de woning en weegt de belangen af. Gezien het zorgaspect voor de vader van de vrouw en het ontbreken van alternatieve woonruimte voor haar, wordt het uitsluitend gebruik aan de vrouw toegekend met ingang van 5 februari 2026. De man krijgt een termijn van veertien dagen om de woning te verlaten.

Ten aanzien van de partneralimentatie stelt de rechtbank vast dat de lotsverbondenheid niet is verbroken ondanks spanningen. Op basis van inkomensgegevens en de Hofnorm wordt een voorlopige partneralimentatie van €2.083 bruto per maand aan de man opgelegd, ingaande op dezelfde datum. Verzoeken tot afgifte van persoonlijke goederen en kosten tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Uitkomst: De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en moet vanaf 5 februari 2026 een voorlopige partneralimentatie van €2.083 bruto per maand aan de man betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8986
Zaaknummer: C/09/695307
Datum beschikking: 22 januari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 28 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens in [plaats].
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.Y.M. Renken in Zoeterwoude.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlage;
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
  • het bericht van 7 januari 2026 van de man, met bijlagen.
Op 8 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. B. Beekman als waarnemend advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Namens de man zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgehouden
.
Op de zitting is afgesproken dat partijen de rechtbank uiterlijk 12 januari 2026 zullen berichten of het hen is gelukt om alsnog in onderling overleg tot overeenstemming te komen. De rechtbank heeft van geen van partijen een reactie ontvangen.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1999 in [geboortedatum], [land].
  • Partijen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, bij wijze van voorlopige voorzieningen en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij het uitsluitend gebruik krijgt van de echtelijke
woning aan de [adres] in [plaats], met het bevel dat de man de woning binnen een week na de beschikking moet verlaten en hierin niet meer mag terug keren.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man, bij wijze van voorlopige voorzieningen en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zoals dat na wijziging nu luidt en naar de rechtbank begrijpt:
- te bepalen dat hij bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel aan de [adres] in [plaats] en dat de vrouw wordt bevolen die woning te verlaten en deze verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de man;
en voorwaardelijk, in het geval het verzoek van de vrouw wordt toegewezen:
  • te bepalen dat de man nog tot 21 dagen na betekening van deze beschikking in de echtelijke woning van partijen in [plaats] kan verblijven om zijn spullen bijeen te zoeken en in te pakken en de vrouw te bevelen dat zij aan de man na die 21 dagen na betekening van deze beschikking beschikbaar stelt en aan hem afgeeft de goederen die tot zijn dagelijks gebruik strekken en de goederen die strekken tot zijn bedrijf;
  • te bepalen dat de vrouw zal bijdragen in het levensonderhoud van de man met € 2.673,-
bruto per maand, bij vooruitbetaling per maand aan hem te voldoen, althans een bijdrage door de rechtbank in goede justitie te vernemen;
- te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de verzoeken van de man voor rekening van de vrouw komen, voor zover deze door haar veroorzaakt worden.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De rechtbank overweegt dat het hier gaat om het treffen van een ordemaatregel van voorlopige aard in het kader van de echtscheiding. De vrouw vindt de situatie in de woning niet meer houdbaar, Volgens de man is de situatie niet optimaal, maar kunnen zij nog wel een periode samen inde woning verblijven. De rechtbank is gebleken dat tussen partijen sprake is van onoverkomelijke spanningen die om een ordemaatregel vragen. Partijen hebben ieder een andere kijk op wat precies tussen hen is voorgevallen, maar uit wat zij daarover hebben toegelicht blijkt dat de situatie in de echtelijke woning zeer spanningsvol is en zij regelmatig in verhitte discussies met elkaar raken, zonder dat één van beide partijen tot op heden actief naar andere (woon)mogelijkheden heeft gezocht. De rechtbank is van oordeel dat niet langer van de vrouw, die beëindiging van deze situatie wenst, kan worden gevergd dat zij in deze spanningsvolle situatie woont. De impasse moet worden doorbroken. De rechtbank zal daarom een voorlopige voorziening over het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning treffen.
De rechtbank stelt voorop dat partijen grotendeels gelijke belangen hebben bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Voor beiden is de woning hun thuis, zij verrichten allebei werkzaamheden vanuit de echtelijke woning en geen van beiden heeft (zicht op) een andere woning. Alle belangen van partijen tegen elkaar afwegende, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij het toekennen van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de man. Daarbij hecht de rechtbank met name waarde aan het feit dat de vrouw – anders dan de man – geen familie in Nederland heeft wonen waar zij (al dan niet tijdelijk) kan verblijven. Daarentegen heeft zij wel de zorg voor haar vader die bij partijen in de echtelijke woning woont en die na een recent ongeluk gedeeltelijk afhankelijk is van de vrouw. De man heeft de zorgbehoefte van de vader van de vrouw weersproken, maar uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de vader van de vrouw weliswaar klaar is met revalideren in het revalidatiecentrum, maar dat hij wel degelijk nog zorg nodig zal hebben, omdat het opgelopen letsel op korte en middellange termijn beperkingen met zich brengen in de mobiliteit en het zelfstandig functioneren. De rechtbank acht het alleszins aannemelijk dat de vrouw hierin een rol zal moeten spelen, niet in de laatste plaats omdat de vader van de vrouw tot aan zijn ongeval bij partijen in de echtelijke woning woonde en hij dus niet over een eigen woning in Nederland beschikt. Dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vrouw een hoger inkomen heeft dan de man en dat het daarom voor haar mogelijk makkelijker is om (al dan niet tijdelijk) andere woonruimte te betrekken, doet aan het voorgaande niet af. Daarbij speelt mee dat aan de man een voorlopige partneralimentatie zal worden toegekend, zoals hierna zal worden overwogen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen en het verzoek van de man afwijzen.
De rechtbank zal de man een redelijke termijn van veertien dagen na de datum van deze beschikking gunnen om vervangende woonruimte te vinden en zijn persoonlijke goederen bijeen te zoeken. Voor een langere termijn ziet de rechtbank geen aanleiding. Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning wordt daarom met ingang van 5 februari 2026 aan de vrouw toegekend.
Afgifte persoonlijke goederen en goederen tot het dagelijks gebruik strekkend
De man heeft om een bevel tot afgifte van zijn persoonlijke goederen en goederen tot het dagelijks gebruik strekkend. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek van de man toe te wijzen, omdat niet is gebleken dat de vrouw zich ertegen verzet dat de man deze spullen meeneemt. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Voorlopige partneralimentatie
Ontbreken lotsverbondenheid
De vrouw beroept zich op het ontbreken van de lotsverbondenheid waardoor er geen grondslag meer is voor de man om voorlopige partneralimentatie te vragen. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat zij zich ondermijnd en bedreigd voelt door de man en dat het in die situatie niet redelijk is dat zij aan hem een financiële bijdrage moet leveren.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere (ex-)echtgenoot kan worden gevergd, en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook niet-financiële factoren te verstaan, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende (ex-)echtgenoot. De vraag die daarbij speelt is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van de gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting, een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet (langer) gevergd kan worden.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden. De situatie tussen partijen is weliswaar spanningsvol, maar niet van dusdanige aard dat daarmee de lotsverbondenheid is weggevallen. Aan het beroep van de vrouw op het ontbreken van de lotsverbondenheid wordt daarom voorbij gegaan.
Behoefte
De man stelt dat hij behoefte heeft aan een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud. De vrouw betwist dit.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat slechts summier onderzoek wordt gedaan en dat wordt uitgegaan van de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Uit de door partijen overgelegde financiële stukken blijkt een dusdanig inkomensverschil tussen partijen, dat op grond daarvan reeds aannemelijk is dat de man behoefte heeft aan een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud. De rechtbank zal de behoefte van de man hierna berekenen.
Bij het bepalen van de behoefte aan voorlopige partneralimentatie hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie. Voor het bepalen van die behoefte zal de rechtbank eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen tijdens het huwelijk bepalen. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen.
De rechtbank zal voor de berekening van het NBI van de man in 2026, bij gebreke aan meer recente financiële gegevens, uitgaan van het rapport Inkomstenbelasting 2024 en rekening houden met:
  • loon: € 26.723,- bruto per jaar;
  • winst uit onderneming: € 335,- bruto per jaar.
De rechtbank zal verder rekening houden met de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, maar – anders dan de man wel heeft gedaan – niet met de zelfstandigenaftrek, omdat uit de stukken niet is gebleken dat de man hier recht op heeft.
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 2.152,- per maand in 2026.
De rechtbank zal voor de berekening van het NBI van de vrouw in 2026, bij gebreke aan meer recente financiële gegevens, uitgaan van het rapport Inkomstenbelasting 2024 en rekening houden met:
  • loon: € 40.150,- bruto per jaar;
  • winst uit onderneming: € 52.681,- bruto per jaar.
De rechtbank zal verder rekening houden met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 5.047,- per maand in 2026.
Aldus berekent de rechtbank het NBGI van partijen ten tijde van het huwelijk op (2152 + 5047 =) € 7.199,- per maand in 2026.
De rechtbank zal de behoefte van de man berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde – in dit geval de man – vastgesteld op 60% van het NBGI ten tijde van het huwelijk.
De behoefte van de man bedraagt dan (0,6 x 7199 =) € 4.319,- netto per maand in 2026.
Aanvullende behoefte
Tussen partijen is voorts in geschil of de man een aanvullende behoefte heeft. De rechtbank zal daarom beoordelen in hoeverre de man redelijkerwijs zelf in zijn behoefte kan voorzien.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man geen aanvullende behoefte heeft, omdat hij een verdiencapaciteit heeft. Zoals hiervoor al is overwogen, sluit de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure zo veel mogelijk aan bij de actuele situatie van partijen. Niet aannemelijk is dat de man zijn inkomen op korte termijn wezenlijk kan vergroten. Of de man op de langere termijn in staat moet worden geacht zijn inkomen te vergroten is iets wat in de echtscheidingsprocedure moet worden uitgezocht.
Zoals hiervoor bij de behoefte al is berekend, bedraagt het NBI van de man € 2.152,- per maand in 2026. Volgens de aangehechte behoefteberekening resteert een aanvullende behoefte van € 2.167,- netto per maand. Dit is € 4.171,- bruto per maand.
Draagkracht vrouw
Zoals hiervoor bij de behoefte al is berekend, bedraagt het NBI van de vrouw € 5.047,- per maand in 2026.
Anders dan de man van mening is, ziet de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire woonbudget van 30% van het NBI.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van haar draagkracht de draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de vrouw van afgerond € 1.301,- netto per maand. Dit is € 2.083,- bruto per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de vrouw door voldoening van een voorlopige partneralimentatie aan de man niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de man, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat er geen reden is om op grond van de inkomensvergelijking een lager bedrag op te leggen aan voorlopige partneralimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de datum waarop de man de echtelijke woning moet hebben verlaten, te weten 5 februari 2026, als ingangsdatum hanteren.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw aan de man, met ingang van 5 februari 2026, een voorlopige partneralimentatie moet betalen van € 2.083,- bruto per maand. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Kosten tenuitvoerlegging
De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat de eventuele kosten van de tenuitvoerlegging van de verzoeken van de man voor rekening van de vrouw komen, voor zover deze door haar veroorzaakt worden, afwijzen. Dit verzoek valt immers niet onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw, met ingang van 5 februari 2026, bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats] aan de [adres], en beveelt mitsdien dat de man die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van 5 februari 2026,
voorlopigeen partneralimentatie van € 2.083,- bruto per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 januari 2026.