ECLI:NL:RBDHA:2026:3476

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 februari 2026
Zaaknummer
C/09/680740 / FA RK 25-1360
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Behoud eenhoofdig gezag moeder wegens conflicten en verschillende levensovertuigingen

De vader verzocht de rechtbank om samen met de moeder het gezag over hun minderjarige kind te verkrijgen. De moeder was het hier niet mee eens en voerde verweer. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 1:253c lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, tenzij er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem komt te zitten tussen de ouders.

De rechtbank concludeerde dat het in het belang van het kind noodzakelijk is het verzoek af te wijzen. Dit vanwege het gebrek aan vertrouwen in het vermogen van de ouders om samen goede gezagsbeslissingen te nemen, gebaseerd op de negatieve ervaringen uit hun relatie en de verschillende levensovertuigingen die leiden tot conflicten.

De moeder heeft spanningsklachten en hulp gezocht vanwege de relatie met de vader, die gekenmerkt werd door controlerend gedrag en mogelijk huiselijk geweld. De vader heeft zich bekeerd tot het Hare Krishna-geloof, wat tot conflicten leidt over de opvoeding en leefregels van het kind. De rechtbank achtte het onwaarschijnlijk dat de ouders binnen afzienbare tijd tot een goede samenwerking zullen komen.

Daarom blijft het eenhoofdig gezag bij de moeder, wat volgens de rechtbank het beste is voor het welzijn van het kind. De beschikking is uitgesproken op 22 januari 2026 door kinderrechter C. van Hees.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen wordt afgewezen en het eenhoofdig gezag blijft bij de moeder.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1360
Zaaknummer: C/09/680740
Datum beschikking: 22 januari 2026

Gezag

Beschikking op het op 20 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te [geboorteplaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder
het verzoekschrift;
- het bericht van 24 juni 2025 namens de vader met bijlage(n);
- het verweerschrift.
[de minderjarige] heeft op 13 januari 2026 met de rechter gesproken.
Op 15 januari 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, met zijn advocaat;
de moeder, met mr. De Roo als waarnemer van haar advocaat;
M. Wamelink, namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
- Zij zijn de ouders van het volgende meerderjarige kind:
- [de meerderjarige] ( [de meerderjarige] ), geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats 1] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum 2] 2014 te
[geboorteplaats 2] .
- De vader heeft [de meerderjarige] en [de minderjarige] erkend.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
- [de minderjarige] woont bij de moeder en is om het weekend en iedere woensdag bij de vader.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] . De moeder is het daar niet mee eens en voert verweer.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek verzoekt de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten. Het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezagsuitoefening van de ouders in het belang van de kinderen is. Op grond van artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wijst de rechtbank het verzoek daarom alleen af als:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt; of
dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen, omdat dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. De belangrijkste reden daarvoor is dat de rechtbank geen vertrouwen heeft in het vermogen van de ouders om samen goede gezagsbeslissingen te nemen. Dat komt door de tegenovergestelde ervaring van de relatie uit het verleden en de verschillende levensovertuigingen van de ouders.
Ervaring van de relatie
De ouders zijn in 2015 uit elkaar gegaan, nadat zij ongeveer 15 jaar een relatie hebben gehad. De moeder beschrijft dat de relatie werd gekenmerkt door jaloezie en controlerend gedrag van de man. Ook was volgens de vrouw sprake van huiselijk geweld. Nadat de vrouw de relatie had beëindigd zou het controlerende gedrag zijn gebleven.
Uit de door de moeder overgelegde stukken van zorgverleners blijkt dat zij in ieder geval sinds 2020 hulp heeft gezocht voor spanningsklachten. Uit de stukken blijkt dat die klachten samenhangen met de relatie met de vader (zowel tijdens als na de relatie). Zo staat in een behandelplan van Impegno:
Het betreft een 33 jarige alleenstaande moeder van twee jongens (12,5) die zich meldt met vermoeidheidsproblemen en Relationele problemen met ex-partner en tevens vader van de kinderen. De klachten lijken zich te uiten in spanningshoofd en rugpijn, vermoeidheid, stress en overmatig zorgen maken. Tevens meldt cliënte klachten op het gebied van emotieregulatie en geheugen.
Volgens cliënte werden de klachten veroorzaakt door het voortdurend waakzaam zijn en overmatig piekeren tijdens de relatie met haar ex als daarna. Zij verteld over de relatie dat hij haar vanaf haar 14e zich ontfermd heeft over haar en haar min of meer wegwijs heeft gemaakt in het leven. Al gauw werd hij erg kritisch en overheersend. Cliënte heeft zich grotendeels aan hem onderworpen, totdat het haar te veel werd. Vijf jaar geleden is ze bij hem weggegaan, maar probeerde de harmonie wel te bewaren. Dit lukt moeizaam en cliënte blijft het moeilijk haar grenzen hierin te bewaken. Deels omdat ze dit niet gewend is, maar ook doordat het problemen met haar ex oplevert. Ondanks dat ze uit elkaar zijn beheerst hij haar leven nog veel.
[…]
Omdat de stukken uit 2020 zijn en toen geen sprake was van een rechtszaak of openlijk conflict, heeft de rechtbank geen reden om aan de ervaring van de moeder te twijfelen.
De vader herkent zich niet in de ervaring van de vrouw. Zijn advocaat heeft op de zitting aangevoerd dat de ervaring van de vrouw niet betekent dat de man dwingend en controlerend was. Voor de rechtbank is de oorzaak van de ervaring van de vrouw echter niet doorslaggevend. De rechtbank is bang dat de ervaring van de vrouw in de weg staat aan goed overleg en discussie over moeilijke beslissingen, omdat zij die uit de weg zal gaan. Gelet op de ervaring van de relatie, neemt de rechtbank dat haar niet kwalijk.
Verschillende levensovertuigingen
De vader heeft zich, nadat partijen uit elkaar waren, bekeerd tot het Hare Krishna geloof. De moeder heeft geen religieuze levensovertuiging. Op de zitting bleek dat dit verschil in levensovertuiging op verschillende manieren doorwerkt in de verstandhouding tussen de ouders.
Zo heeft de moeder het gevoel dat de vader zijn geloof te veel aan [de minderjarige] opdringt, waardoor [de minderjarige] bijvoorbeeld ook bij de moeder thuis bepaalde eetwensen heeft (vasten of geen ei). [de minderjarige] zou ook in paniek raken als hij per ongeluk in de vastentijd iets heeft gegeten. De vader zegt juist dat hij de kinderen hierin vrij laat en vindt dat moeder de wensen van [de minderjarige] niet voldoende respecteert.
Ook de directe aanleiding voor deze procedure heeft te maken met het verschil in levensovertuiging. De vader wil met [de minderjarige] een reis naar [plaats] maken. Omdat dit buiten de schoolvakanties viel, heeft hij hiervoor eerst de school om toestemming gevraagd. Vervolgens heeft hij de moeder om toestemming gevraagd, waarbij op een formulier stond dat het om een pelgrimstocht ging. Dit gaf de moeder een slecht gevoel, waardoor zij geen toestemming wilde geven.
De rechtbank verwacht dat het verschil in levensovertuigingen een bron van discussie en conflict zal zijn. Hoewel een keuze voor een levensovertuiging geen gezagskwestie is, werkt dit wel door in gezagskwesties (zoals de reis naar [plaats] ).
Conclusie
De rechtbank heeft geen vertrouwen in het vermogen van de ouders om samen goed overleg of discussie over gezagskwesties te hebben en verwacht dat de verschillende levensovertuigingen tot discussie of conflict zullen leiden. Daarom acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen het gezag houdt.

BeslissingDe rechtbank:

wijst het verzoek af;
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, kinderrechter, bijgestaan door E. Verweij-Steen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2026.