ECLI:NL:RBDHA:2026:349

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63726
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Nigeriaanse eiser. De eiser had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 19 december 2025 was genomen, waarbij de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 was opgelegd. De rechtbank heeft de zaak op 7 januari 2026 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser op de juiste grondslag was staande gehouden, maar dat er gebreken waren in het voortraject met betrekking tot de ophouding en het gebruik van handboeien. Ondanks deze gebreken heeft de rechtbank geoordeeld dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was, omdat de belangen die met de bewaring gediend zijn, opwegen tegen de gebreken. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar heeft de minister wel veroordeeld in de proceskosten van de eiser tot een bedrag van € 1868,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk binnen één week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63726

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting in Breda behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1991 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
Grondslag staandehouding en ophouding
2. Eiser voert aan dat de grondslagen voor de staandehouding en de ophouding niet juist zijn. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/overdracht volgt dat eiser op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw is staande gehouden en op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is opgehouden. Er is echter sprake van een gericht optreden van de AVIM [1] tot staandehouding van eiser, nu zij in het bezit waren van een machtiging tot binnentreden. In die machtiging is de naam van eiser vermeld. Daarnaast is er een treffer in EU-VIS waaruit blijkt dat eiser door Frankrijk in het bezit is gesteld van een visum, waaraan het paspoort van eiser ten grondslag lag. De identiteit van eiser was derhalve bekend. De juiste grondslag was daarom artikel 50, derde lid, van de Vw geweest. Er is derhalve sprake van een gebrek in het voortraject.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser op de juiste grondslag staande gehouden. Er was immers sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf op grond waarvan eisers identiteitsdocument is gevorderd. De rechtbank volgt eiser wel in zijn stelling dat hij op onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is namelijk door een machtiging tot binnentreden staande gehouden. Hoewel eiser niet beschikte over identiteitsdocumenten blijkt uit de machtiging tot binnentreden en het proces-verbaal van staandehouding overbrenging/overdracht dat zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie bij verweerder bekend was, zodat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. De juiste grondslag is in dit geval artikel 50, derde lid, van de Vw. De rechtbank concludeert dat sprake is van een gebrek. Wat de gevolgen hiervan zijn zal de rechtbank onder punt 5 bespreken.
4. Eiser voert daarnaast aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom tijdens zijn overbrenging handboeien zijn gebruikt. Eiser was heel rustig, niet agressief, de veiligheid was niet in het geding en er was geen sprake van vluchtgevaar. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in het proces-verbaal van ophouding de reden van het aanleggen van handboeien onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt dit. Ook hier is sprake van een gebrek.
5. De rechtbank stelt vast dat, gelet op wat is overwogen onder de rechtsoverwegingen 2 en 3 sprake is van twee gebreken in het voortraject. Deze gebreken, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, leiden naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hun aard, echter niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Dat is pas het geval als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de gebreken en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt allereerst ten aanzien van de ophouding dat het gaat om een gering gebrek. Artikel 50, derde lid, van de Vw geeft namelijk de bevoegdheid om iemand als eiser, van wie bij de staandehouding de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld en die geen rechtmatig verblijf geniet, voor de duur van zes uren op te houden. De wettelijke grondslag voor de ophouding van eiser is dus zonder meer voorhanden. Er is geen reden om aan te nemen dat door het noemen van een onjuiste grondslag voor de ophouding eisers belangen zijn geschaad.
6. Ten aanzien van het motiveringsgebrek met betrekking tot het gebruik van de handboeien is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van verweerder uitvalt. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen over de gronden van de maatregel en het daaruit voortvloeiende onttrekkingsrisico. Daarnaast is aannemelijk dat eiser binnen afzienbare termijn zal kunnen worden overgedragen aan Frankrijk, gelet op de eerdere overdracht aan Frankrijk die gepland stond en waarbij eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht. Daarbij is verder van belang dat eiser niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij concreet in zijn belangen is geschaad doordat onvoldoende is gemotiveerd dat (alleen tijdens het transport) gebruik is gemaakt van handboeien tijdens zijn overbrenging.
7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de geconstateerde gebreken in het voortraject niet tot de onrechtmatigheid van de bewaring leiden. De ernst van deze gebreken wegen immers niet op tegen de belangen die met de bewaring van eiser zijn gediend.
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
10. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Omdat de rechtbank onder rechtsoverweging 5 een gebrek in het voortraject heeft geconstateerd, moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt
€ 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.