ECLI:NL:RBDHA:2026:3492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696646 / JE RK 25-2183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 22 januari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige verlengd voor de duur van zes maanden. De minderjarige verblijft sinds 2 januari 2026 bij een jeugdhulpaanbieder die een perspectief biedende woonplek biedt met rust, structuur en intensieve begeleiding. De moeder voert verweer en stelt dat de minderjarige dagelijks bij haar verblijft en dat de communicatie tussen haar, de instelling en de gecertificeerde instelling niet goed verloopt.

De kinderrechter overweegt dat de minderjarige een onrustige periode heeft doorgemaakt met meerdere verblijfsplekken en dat zij momenteel geen school of dagbesteding heeft. De minderjarige reist dagelijks bijna twee uur met het openbaar vervoer naar de moeder, wat zorgelijk wordt geacht. Daarnaast is er sprake van escalaties tussen moeder en minderjarige en zorgen over de gezondheid van de moeder, die mogelijk een operatie moet ondergaan.

Gezien deze omstandigheden acht de kinderrechter verlenging van de machtiging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Er is een overleg gepland om afspraken te maken over school, begeleiding en communicatie. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek voor het overige wordt aangehouden. De gecertificeerde instelling wordt verzocht een schriftelijke update te geven voorafgaand aan de volgende zitting.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd voor zes maanden en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/696646 / JE RK 25-2183
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. C. Arslaner uit Den Haag.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 6 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 23 januari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 6 januari 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
Op 22 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 6 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft sinds 2 januari 2026 bij [instelling] . Dit wordt gezien als een perspectief biedende woonplek waar zij de rust, structuur en intensieve begeleiding kan krijgen die zij nodig heeft. Eerder is bepaald dat het niet in het belang is van [de minderjarige] om op te groeien bij de moeder. De gecertificeerde instelling wil de moeder in haar kracht zetten, zodat zij op een prettige wijze haar moederrol vorm kan geven. Het is niet de bedoeling dat [de minderjarige] dagelijks naar de moeder blijft gaan. De gecertificeerde instelling is bezig met het regelen van onderwijs, waardoor [de minderjarige] een dagbesteding zal hebben. [de minderjarige] is één keer eerder niet naar een meeloopdag gegaan, omdat zij zich verslapen had. Er worden nu op twee verschillende scholen meeloopdagen georganiseerd, waarna [de minderjarige] een van de scholen mag kiezen. Zodra zij dit gedaan heeft, kan zij gelijk beginnen. VUHP zal nog enkele weken bij het gezin betrokken blijven en dan afsluiten. In de toekomst zal worden gekeken naar aanvullende hulpverlening voor [de minderjarige] met betrekking tot wat zij heeft meegemaakt, maar het is van belang dat er eerst een rustige en stabiele situatie is

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. [de minderjarige] verblijft en eet elke dag bij de moeder en er is geen reden waarom [de minderjarige] niet weer bij de moeder kan wonen. [de minderjarige] luistert beter en maakt elke dag grapjes. De moeder maakt zich zorgen over dat [de minderjarige] niet naar school wil. De moeder spreekt hierover met [de minderjarige] om haar te motiveren. De moeder zit in dezelfde Cloud als [de minderjarige] en kan meekijken wat [de minderjarige] in haar telefoon opzoekt of verstuurd. De moeder is daarover vaak erg bezorgd en daarom belt zij naar vaak [instelling] om te controleren waar [de minderjarige] is en of zij de waarheid spreekt over waar zij heengaat. Namens de moeder is aangevoerd dat de communicatie tussen de moeder, [instelling] en de gecertificeerde instelling niet goed verloopt. Zo is er onduidelijkheid over wie [de minderjarige] naar belangrijke afspraken brengt. Het is het niet passend dat [de minderjarige] als twaalfjarige elke dag lang met het openbaar vervoer naar de moeder reist. Ook krijgt [de minderjarige] niet de noodzakelijke sturing en begeleiding, onder meer bij het opstaan. De advocaat van de moeder heeft daarnaast nog naar voren gebracht dat het gelet op de gezondheid en de persoonlijke situatie van de moeder, mogelijk goed zou zijn dat [de minderjarige] voorlopig uit huis geplaatst blijft en regelmatig contact heeft met de moeder. Er is momenteel nog te veel onduidelijkheid voor de moeder en [de minderjarige] en de situatie is nog niet stabiel.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De afgelopen periode is voor [de minderjarige] een onrustige periode geweest. Zij heeft in een korte tijd op meerdere verblijfsplekken verbleven. Eerst bij de vader, daarna bij de moeder, vervolgens op een crisisplek en sinds enkele weken verblijft zij bij het [instelling] . Op dit moment heeft [de minderjarige] nog geen school of andere dagbesteding. [de minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat zij daarom nauwelijks bij het [instelling] is en bijna elke dag bijna twee uur met het openbaar vervoer naar haar moeder reist om daar te verblijven. De kinderrechter acht dit zorgelijk. Niet zo heel lang geleden is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst omdat tussen de moeder en [de minderjarige] verschillende escalaties hebben plaatsgevonden en [de minderjarige] is meerdere keren is weggelopen. In het verleden is gezien dat dit helaas een terugkerend patroon is. Daarnaast heeft de kinderrechter zorgen over de gezondheidstoestand van de moeder, zij heeft veel pijn en moet mogelijk op korte termijn een operatie ondergaan. Daarom kan [de minderjarige] niet terug naar de moeder. Het is van belang dat [de minderjarige] op korte termijn dagbesteding, in de vorm van onderwijs krijgt en bij het [instelling] de begrenzing, begeleiding en nabijheid gaat krijgen die zij nodig heeft. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting naar voren gebracht dat er op 26 januari 2026 een overleg staat gepland met de moeder, VUHP, [instelling] en de gecertificeerde instelling. In dit overleg zullen afspraken gemaakt worden en gesproken worden over de zorgen rondom [de minderjarige] , school, begrenzing, toezicht en communicatie. Het is belangrijk dat [de minderjarige] de komende zes maanden een stabiele verblijfplek heeft, zodat ook de moeder, gelet op haar gezondheidssituatie, ontlast wordt en tot rust kan komen. De kinderrechter gaat ervan uit dat het [instelling] dit aan [de minderjarige] kan bieden.
5.3.
Aangezien de kinderrechter op de hoogte wil worden gehouden van hoe het met [de minderjarige] gaat en of [instelling] een passende plek voor haar is, ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor een periode van zes maanden. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk
twee wekenvoorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan
tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 23 juli 2026, bij voorkeur bij mr. N.B. Haverhoek;
6.4.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder en haar advocaat;
- [de minderjarige] , voor het kindgesprek;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling
uiterlijk twee wekenvoorafgaand aan de voornoemde zitting een
schriftelijke updatezoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbende te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.