ECLI:NL:RBDHA:2026:3519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/09/689118 / JE RK 25-1319
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting uithuisplaatsing van minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij beschikking van 30 juli 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie tot 30 januari 2026. De Raad verzoekt verlenging van deze machtiging voor de resterende zes maanden tot 30 juli 2026, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De minderjarige verblijft sinds 20 december 2025 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, waar zij positieve gedragsontwikkelingen vertoont. Zij volgt Dialectische gedragstherapie (DGT) en toont verbeteringen in emotiebeheersing en communicatie met ouders en behandelaars. De ouders en de gecertificeerde instelling steunen het verzoek tot verlenging.

De kinderrechter overweegt dat ondanks eerdere tegenslagen de minderjarige zich positief ontwikkelt en dat de voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor haar verzorging en opvoeding. De beschikking wordt dan ook toegewezen en direct uitvoerbaar verklaard. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 30 juli 2026 en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/689118 / JE RK 25-1319
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 30 juli 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 juli 2026 en een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 januari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 30 juli 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 15 januari 2026;
  • de schriftelijke update van de Raad van 21 januari 2026.
1.3.
Op 23 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] , namens de Raad;
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader;
- de moeder;
- [de minderjarige] .
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter voorafgaand aan de zitting en verzocht of zij bij de zitting aanwezig mocht zijn. Gelet op het feit dat [de minderjarige] als procespartij aanwezig was bij de eerdere zitting en de uitdrukkelijke wens van [de minderjarige] , heeft de kinderrechter hier toestemming voor gegeven.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [accommodatie 1] .
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 30 juli 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek, dat strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende duur van zes maanden, te weten tot 30 juli 2026, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft sinds 20 december 2025 bij [accommodatie 1] . De plaatsing bij [accommodatie 1] en beschikbare begeleiding is passend bij de ontwikkelbehoefte van [de minderjarige] . Er wordt een positieve ontwikkeling gezien in het gedrag van [de minderjarige] . Ze maakt meer verstandige keuzes en zoekt sneller contact met de ouders en behandelaar. Ook lukt het haar beter om haar grenzen aan te geven en die te signaleren. [de minderjarige] volgt Dialectische gedragstherapie (DGT) bij Youz en zet zich hiervoor actief in. In de thuissituatie wordt gezien dat [de minderjarige] minder heftig is in haar emoties. Er zal nog worden onderzocht of er behoefte is aan systemische hulpverlening. Doordat de plaatsing van [de minderjarige] bij [accommodatie 1] en de positieve ontwikkelingen die zij laat zien nog pril zijn vindt de Raad het van belang dat het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitgesproken. [de minderjarige] kan zich bij [accommodatie 1] verder ontwikkelen en werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling.

4.De standpunten

4.1.
Door de ouders is ingestemd met het verzochte. De ouders ervaren veel steun van de ondertoezichtstelling en de jeugdbeschermer. [de minderjarige] heeft grote stappen gezet. Ze heeft sinds de plaatsing bij [accommodatie 1] meer rust om verder te groeien met behulp van therapie. Ook thuis is te zien dat [de minderjarige] groeit.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. [de minderjarige] heeft lang moeten wachten voordat zij terecht kon bij [accommodatie 1] en heeft ondanks deze tegenslag een ongelooflijke groei doorgemaakt. [de minderjarige] is therapietrouw en heeft baat bij het DGT-traject. De ouders en [de minderjarige] zijn gestart met systeemtherapie, mogelijk kunnen de andere kinderen van het gezin ook betrokken worden bij de behandeling. De komende periode zal verder gewerkt worden aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Ook zal de gecertificeerde instelling onderzoeken waar [de minderjarige] naar toe kan vanaf haar meerderjarigheid. Het is momenteel nog niet duidelijk of thuisplaatsing dan wel zelfstandig wonen meer passend is voor [de minderjarige] . Bij [accommodatie 1] kan zelfstandigheidstraining worden aangeboden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Ondanks dat [de minderjarige] op [accommodatie 2] veel heeft meegemaakt en het lang duurde voordat er een plek bij [accommodatie 1] voor haar beschikbaar was, heeft [de minderjarige] de afgelopen maanden positieve ontwikkelingen laten zien. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] zowel bij de gedragstherapie bij Youz als bij [accommodatie 1] en in de thuissituatie positieve veranderingen laat zien. Het is van belang dat [de minderjarige] de komende periode verder kan werken aan haar ontwikkeling bij [accommodatie 1] . Bij [accommodatie 1] is de ondersteuning en begeleiding beschikbaar die [de minderjarige] nodig heeft. Ook zal de komende tijd worden onderzocht waar [de minderjarige] vanaf haar meerderjarigheid kan worden geplaatst, dit zou ook een zelfstandigheidstraject kunnen zijn.
5.3.
De kinderrechter zal het restant van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing dan ook toewijzen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 januari 2026 tot 30 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. C.M. Koole, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 2 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.