ECLI:NL:RBDHA:2026:3527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/09/676628 / FA RK 24-8648
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 3 Protocol 23 november 2007Art. 1:100 BWArt. 1:102 BWArt. 1:84 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap in gemeenschap van goederen

Partijen zijn gehuwd in 2000 in gemeenschap van goederen en hebben drie meerderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 6 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, waaronder het gebruik van de echtelijke woning door de man en voorlopige partneralimentatie.

De vrouw verzoekt om echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder partneralimentatie van €2.068,99 bruto per maand en verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man verzet zich deels en heeft ook een zelfstandig verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en spreekt de echtscheiding uit.

De partneralimentatie wordt vastgesteld op €1.723 bruto per maand, gebaseerd op een berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man, waarbij rekening is gehouden met inkomensgegevens uit 2023 en 2024, kosten van kinderen en fiscale heffingskortingen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats op basis van de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank bepaalt dat bank- en cryptorekeningen bij helfte worden verdeeld, de auto aan de man wordt toegewezen met een vergoeding aan de vrouw, en vergoedingsrechten van de man wegens investeringen uit een erfenis worden erkend. Schulden worden niet verdeeld vanwege hun aard en omstandigheden.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding zelf, en partijen worden verplicht tot inzage in bankrekeningen over een bepaalde periode.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €1.723 bruto per maand en huwelijksgemeenschap verdeeld met vergoedingsrechten en toedeling van goederen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8648 (echtscheiding)
FA RK 25-2527 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/676628 (echtscheiding)
C/09/683021 (verdeling)
Datum beschikking: 23 januari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 29 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P.J. Frederiks te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.E. de Geus te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het betekeningsexploot, overgelegd bij F9-formulier van 15 januari 2025 van de
zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 8 april 2025 van de zijde van de vrouw;
- de brief van 9 december 2025 van de zijde van de vrouw met bijlagen;
- de brief van 9 december 2025 van de zijde van de man met gewijzigde/aanvullende
verzoeken, met bijlagen;
- de brief van 17 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 19 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2000 te [plaats 1] , [land] .
- Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige kinderen:
  • [meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2000 te [geboorteplaats] ;
  • [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats] ;
  • [meerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats] .
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 6 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
  • dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [postcode] [plaats 2] , [adres] , en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden behoudens voorafgaande instemming van de man tijdens de dagen dat zij (aantoonbaar) nachtdiensten heeft;
  • dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van afgifte van deze beschikking voorlopig een partneralimentatie van € 1.700, - per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt, na wijziging/aanvulling, tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 2.068,99,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een dusdanig bedrag vast te stellen die de rechtbank juist acht;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw, inhoudende:
  • dat partijen reeds bij helfte in overwaarde van de woning hebben gedeeld;
  • dat het saldo van de op naam van partijen staande bank- en cryptorekeningen per peildatum bij helfte dient te worden verdeeld;
  • voor wat betreft de op eigen naam staande bankrekening de man te gelasten inzage te geven in het saldiverloop tot zes maanden voor de peildatum, waarbij de man gehouden is de door hem van deze bankrekening onttrokken bedragen aan de gemeenschap te vergoeden;
  • dat de man de vrouw ter zake de verdeling van de inboedel en de toedeling van de auto aan de man een overbedelingsvergoeding dient te voldoen van resp. € 5.000,- en € 1.750,- derhalve in totaal € 6.750,-, dan wel zodanige overbedelingsvergoeding als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht, na wijziging en aanvulling, om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • bepaling dat de man de huwelijkse schulden uit hoofde van regionale en gemeentelijke oz-heffingen met een beloop van € 1.713,98,- voor zijn rekening neemt en dat de vrouw gehouden is de helft ad € 856,99,- binnen twee weken na de te wijzen beschikking aan de man te voldoen;
  • veroordeling van de vrouw tot betaling van € 3.870,75,- aan de man in verband met zijn regresrecht voor de leningen van mevrouw [naam 1] ;
  • bepaling dat de vrouw de helft van de inleg van de spaarhypotheek ad € 1.523,16,- binnen twee weken na heden na de te wijzen beschikking dient te vergoeden;
  • bepaling dat de vrouw gehouden is de helft van het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap ad € 62.728,77,- te weten € 31.364,39,-, binnen twee weken na de te wijzen beschikking aan de man voldoet (zulks ter vervanging van punt 29 van het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoekschrift van de man nu de woning verkocht is en de opbrengst al bij helfte tussen partijen is verdeeld);
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing
.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheidingsverzoeken, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek van de vrouw.
Op het verzoek betreffende alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
Partijen zijn het niet eens over de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. De vrouw stelt zich op het standpunt dat moet worden aangesloten bij de huwelijksgerelateerde behoefte zoals die is vastgesteld in het kader van de voorlopige voorzieningen. De behoefte is destijds berekend op basis van de inkomensgegevens van partijen over het jaar 2024 en bedraagt volgens de vrouw € 4.191,- per maand.
De man stelt zich op het standpunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte dient te worden vastgesteld aan de hand van de inkomensgegevens over het jaar 2023. Volgens de man bedroeg het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) in 2023 € 6.312,- per maand. Hierop dienen de kosten van de twee jongste kinderen van partijen, ten bedrage van € 1.470,-, in mindering te worden gebracht, nu deze kosten ten tijde van het uiteengaan van partijen nog werden gemaakt. Op basis hiervan stelt de man de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 2.905,- netto per maand in 2023.
De man stelt zich overigens op het primaire standpunt dat de vrouw in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw werkt slechts 66,67%. Niets staat de vrouw in de weg om fulltime te werken.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zal de rechtbank, anders dan de vrouw stelt, uitgaan van de situatie in 2023. De rechtbank acht dit redelijk, omdat partijen uiteen zijn gegaan in een periode (2024) waarin er veel veranderde. Zo gingen de kinderen uit huis en is de vrouw meer gaan werken, waardoor het NBGI aanzienlijk is gestegen. De rechtbank acht het niet redelijk om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen op basis van het jaar 2024, nu dit jaar geen representatief beeld geeft van de financiële situatie van partijen in vergelijking met de situatie daar vlak voor. Daarnaast zal de rechtbank bij de berekening van de behoefte van de vrouw de kosten van de jongste twee kinderen in mindering brengen op het netto besteedbaar gezinsinkomen, nu deze kosten in 2023 daadwerkelijk werden gemaakt. Daarbij zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023.
De rechtbank zal hierna de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen.
Omdat partijen het niet eens zijn over het NBI van de vrouw, zal de rechtbank dat berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 22.806,- per jaar in 2023. Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2023 op € 1.828,- per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
Omdat partijen het ook niet eens zijn over het NBI van de man, zal de rechtbank dat berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 81.578,- per jaar in 2023. Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de man in 2023 op € 4.381,- per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt aldus € 6.209,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken, zijnde € 1460,- per maand, zodat een bedrag van € 4.749- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.849,- netto per maand (60% van € 4.749,- per maand). Geïndexeerd naar 2024 is dat € 3.026,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.02,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. De rechtbank zal aansluiten bij het huidige inkomen van de vrouw, nu zij gelet op de leeftijd van de vrouw en de onregelmatige diensten niet verwacht dat de vrouw heel veel meer uren zal kunnen gaan werken. De rechtbank gaat uit van de jaaropgave 2024. Rekening houdend met de fiscale heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2024 op € 2.237,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 789,- netto per maand in 2024. Dat is € 1.547,- bruto per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 1.723 per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen € 89.446,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2024.
De man stelt zich op het standpunt dat zijn IKB niet moet meewegen bij de vaststelling van zijn draagkracht, omdat hij een pensioentekort heeft. De rechtbank gaat aan dit standpunt van de man voorbij en zal wel rekening houden met IKB, omdat het aanwenden van IKB een vrije keuze van de man is die niet ten nadele van de vrouw mag worden gebracht.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in op € 4.839,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met de kosten voor de kinderen. De man heeft aangegeven dat hij momenteel alle kosten draagt voor [meerderjarige 3] , die bij hem woont. De man begroot deze kosten op € 615,- per maand. Daarnaast betaalt de man ten behoeve van [meerderjarige 2] , die nog studeert, een bedrag van € 153,95,- per maand. De vrouw is van mening dat geen rekening dient te worden gehouden met de kosten van de kinderen. Zij heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij eveneens bijdraagt in de verblijfsoverstijgende kosten van [meerderjarige 3] alsmede de kosten wanneer hij bij haar verblijft. Ten aanzien van de kosten van [meerderjarige 2] stelt de vrouw dat hiermee geen rekening dient te worden gehouden, nu [meerderjarige 2] inmiddels ouders is dan 21 jaar en deze kosten volgens haar niet horen voor te gaan op de vaststelling van partneralimentatie ten behoeve van de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat [meerderjarige 3] op dit moment geen opleiding of studie volgt. [meerderjarige 3] heeft in ieder geval recht op zorgtoeslag en daarnaast is niet gebleken dat hij niet in staat is om zelf inkomsten te verwerven. Voor zover [meerderjarige 3] al behoefte heeft aan een bijdrage, dienen beide partijen naar rato van draagkracht daarin bij te dragen en zou er dus bij beide partijen rekening moeten worden gehouden met kosten voor [meerderjarige 3] . De rechtbank zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de man (overigens net als bij de berekening van de behoefte van de vrouw) geen rekening houden met kosten ten behoeve van [meerderjarige 3] . Ten aanzien van [meerderjarige 2] overweegt de rechtbank dat zij inmiddels ouder is dan 21 waardoor de man niet meer onderhoudsplichtig jegens haar is. Daarom zal bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening worden gehouden met extra kosten voor haar.
Verder is tussen partijen in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget.
De rechtbank ziet geen reden om rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de man. Het woonbudget van de man wordt begroot op € 1.452,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat het verschil tussen de werkelijke woonlasten (€ 1.661,50,-) van de man en het woonbudget (€ 1.424,-) niet zodanig groot is dat dit ten nadele van de vrouw moet komen. De man kan het meerdere uit zijn vrije ruimte voldoen.
Omdat het netto besteedbaar inkomen van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270)] toepassen. Hierbij wordt, zoals hiervoor is overwogen, rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI.
Hieruit volgt een draagkrachtruimte van de man van € 2.051,- per maand en een draagkracht van (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)]). De man heeft een draagkracht beschikbaar van € 1.231. Gebruteerd kan de man de vrouw op basis van de gegevens en tarieven in 2024, een partneralimentatie betalen van € 1.953 per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de bruto draagkracht dan € 2.176.
Conclusie
De rechtbank heeft hiervoor de aanvullende behoefte van de vrouw in 2026 berekend op € 1.723 bruto per maand. Gelet op de draagkracht van de man wordt hij in staat geacht dit te kunnen betalen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum echtscheiding, een partneralimentatie moet betalen van € 1.723,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Partijen zijn op [datum] 2000 met elkaar gehuwd. Daarom is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Dit verdrag is immers van toepassing op huwelijken gesloten op of na 1 september 1992 tot 30 januari 2019.
Op grond van artikel 3 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 prevaleert een rechtskeuze vóór het huwelijk. Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt.
Bij gebrek aan een rechtskeuze is op grond van artikel 4 lid 1 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na de sluiting van het huwelijk van toepassing. Beide partijen geven aan dat zij na de huwelijkssluiting in Nederland woonden. Daarom is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensstelsel.
Algehele gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2000 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 29 november 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de saldi van de bankrekeningen;
de cryptorekeningen;
de inboedel;
de auto;
diverse schulden.
Ad 1. De saldi van de bankrekeningen
In beginsel zijn partijen het erover eens dat ieder de op zijn of haar naam staande bankrekening(en) behoudt, onder de verplichting om de helft van het saldo per peildatum aan de ander te voldoen.
De vrouw verzoekt echter om inzage in de op naam van de man staande bankrekening(en). Zij stelt dat de man voorafgaand aan de peildatum geldbedragen, zoals een belastingteruggave, van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening heeft overgemaakt.
De man heeft ter zitting erkend dat hij bedragen heeft overgemaakt naar een andere rekening. Hij heeft toegelicht dat hij dit heeft gedaan om te voorkomen dat de vrouw deze gelden zou aanwenden voor andere doeleinden dan de aflossing van de hypotheekschuld.
De rechtbank zal, om het wantrouwen tussen partijen weg te nemen, bepalen dat partijen over en weer inzage dienen te verschaffen in het verloop van de op hun naam staande privérekeningen over de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum tot en met de peildatum.
Verder zal de rechtbank bepalen dat de saldi van alle bank- en spaarrekeningen, zowel gezamenlijk als privé, bij helfte dienen te worden gedeeld.
Ad 2. De cryptorekeningen
Tijdens de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat zij per peildatum de punten van de Pi rekening bij helfte zullen verdelen, evenals de waarde van de Bitavo cryptorekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad 3. De inboedel
De vrouw stelt dat de man alle goederen met enige waarde heeft meegenomen. Zij acht het daarom redelijk dat de man haar een bedrag van € 5.000,- vergoedt.
De man heeft ter zitting aangegeven dat partijen hebben afgesproken dat hij, nu de vrouw ten tijde van het uiteengaan niet over een eigen woning beschikte, in eerste instantie de grote en de meeste inboedelgoederen zou meenemen. Daarbij is afgesproken dat de vrouw, zodra zij over een eigen woning beschikt, zelf mag aangeven welke inboedelgoederen zij van de man wenst te ontvangen.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de vrouw, met uitzondering van een laptop en een desktop, niet concreet heeft kunnen aangeven welke waardevolle inboedelgoederen de man zou hebben meegenomen en partijen bovendien zijn overeengekomen dat de vrouw op het moment dat zij over een woning beschikt inboedelgoederen bij de man kan uitkiezen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
Ad 4. De auto
De man heeft de auto op dit moment in zijn bezit en stelt dat de auto € 274,- waard is. De vrouw betwist de door de man gestelde waarde en stelt dat de auto, gelet op vergelijkbare advertenties, een waarde heeft van circa € 1.750,-.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu partijen van mening verschillen over de waarde van de auto, zal de rechtbank een waarde bepalen. Gelet op de door de man overgelegde taxatie en de door de vrouw overgelegde advertenties, stelt de rechtbank de waarde van de auto in redelijkheid vast op € 1000,- De rechtbank zal de auto toedelen aan de man, onder de verplichting om de helft van de waarde, te weten € 500,- aan de vrouw te voldoen.
Ad 5. Schulden
De man stelt dat er een gezamenlijke schuld bestaat in verband met het afbetalen van regionale en gemeentelijke OZ-heffingen in 2025, ter hoogte van € 1.713,98,-. De man is van mening dat de vrouw voor de helft van dit bedrag draagplichtig is.
Daarnaast stelt de man dat er een schuld bestaat aan [naam 2] , zijn zus, die de advocaatkosten van de man ter waarde van € 6.324,83,- (per peildatum) heeft voorgeschoten. Het geleende bedrag is inmiddels door de man terugbetaald, maar hij is van mening dat het een gezamenlijke schuld betreft, zodat de vrouw voor de helft hiervan draagplichtig zou zijn, te weten € 3.162,-.
Niet alleen ten aanzien van de advocaatkosten heeft de man geld moeten lenen bij zijn zus, hij heeft tevens een bedrag van € 7.741,49,- moeten lenen om de eerste alimentatiebedragen te kunnen betalen. Volgens de man betreft ook dit een gezamenlijke schuld, zodat de vrouw voor de helft hiervan draagplichtig zou zijn, te weten € 3.870,75.
De rechtbank overweegt allereerst dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van Pro het BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW Pro het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit.
De rechtbank overweegt als volgt. De schuld in verband met de regionale en gemeentelijke OZ-heffingen is geen schuld van de ontbonden huwelijksgemeenschap (deze dateren van na de peildatum), maar in beginsel wel een schuld die voortvloeit uit de gemeenschappelijk eigendom van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet redelijk de vrouw voor de helft van deze schuld draagplichtig te houden. Dit volgt uit het feit dat de man al sinds 2024 alleen in de woning verbleef, terwijl de vrouw deze al had verlaten; de man heeft derhalve het woongenot gehad zonder dat de vrouw is gecompenseerd met bijvoorbeeld een gebruiksvergoeding. Het verzoek van de man met betrekking tot de schuld bij de regionale en gemeentelijke OZ-heffingen zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Ten aanzien van de schuld van de man bij [naam 2] , zijn zus, overweegt de rechtbank als volgt. De lening van de man bij [naam 2] betreft zowel de voorgeschoten advocaatkosten als de door de man te betalen alimentatie aan de vrouw. Deze kosten zijn zodanig persoonlijk van aard (verknocht) dat zij niet als een gezamenlijke schuld kunnen worden aangemerkt waarvoor de vrouw voor de helft draagplichtig zou zijn. De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot de leningen bij [naam 2] dan ook afwijzen.
Vergoedingsrecht
Erfenis moeder van de man
De man stelt dat hij in 2019 een totaalbedrag van € 62.728,77 uit de nalatenschap van zijn moeder heeft ontvangen, onder een uitsluitingsclausule. Hij heeft dit bedrag in drie termijnen overgeboekt naar de gemeenschappelijke rekening. De man verzoekt thans dat wordt bepaald dat de vrouw gehouden is de helft van dit bedrag, te weten € 31.364,39, aan hem te vergoeden.
De man heeft vervolgens inzicht gegeven in de besteding van de gelden uit de erfenis. Een deel van het bedrag is besteed aan investeringen in de woning, te weten: zonnepanelen, een nieuwe cv-ketel, een nieuwe dakgoot en schilderwerkzaamheden. De totale kosten hiervan bedragen € 19.089,50. Als productie 15 heeft de man bewijs van deze uitgaven en de bijbehorende afschriften overgelegd. De man kwalificeert deze uitgaven als investeringen in de woning. Hij stelt dat hem op grond van artikel 1:87 BW Pro een vergoedingsrecht op de gemeenschap toekomt voor deze investering, zodat de vrouw gehouden is de helft van dit bedrag, te weten € 9.544,75, aan hem te vergoeden.
Ten aanzien van de overige uitgaven stelt de man dat deze gemeenschapsschulden betreffen waarvoor de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw. Het gaat dan om bijvoorbeeld uitgaven voor vakanties, hockeycontributie, studiekosten en onderhoud van de auto. De man stelt dat, ook al kwalificeren de bestedingen van zijn erfenis deels als kosten van de huishouding, deze op grond van artikel 1:84 BW Pro ten laste komen van achtereenvolgens gemeenschappelijk inkomen, privéinkomen, gemeenschappelijk vermogen en pas daarna privévermogen. Omdat de man zijn privégelden heeft aangewend voor deze uitgaven, is de gemeenschap bevoordeeld, terwijl er gemeenschappelijk vermogen (de woning) aanwezig was. Naar het oordeel van de man leidt dit tot verrijking van de gemeenschap ten laste van hemzelf, zodat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap en, nu de gemeenschap inmiddels grotendeels tussen partijen bij helfte is verdeeld, op de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal allereerst het bedrag van € 19.089,50,- beoordelen.
Ten aanzien van de aanschaf van de zonnepanelen heeft de man tijdens de zitting erkend dat hij deze heeft aangeschaft voordat hij de erfenis van zijn moeder ontving. De vrouw heeft echter niet betwist dat de lening voor de aanschaf van de zonnepanelen is afgelost met gelden uit de erfenis. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de aanschaf van de zonnepanelen als een investering in de woning, gefinancierd met de erfenis die de man onder uitsluitingsclausule heeft verkregen.
Daarnaast heeft de man gesteld dat er schilderwerkzaamheden aan de woning zijn uitgevoerd. Op de door hem overgelegde factuur staat echter een ander adres dan dat van de echtelijke woning. De man heeft tijdens de zitting uitgelegd waarom dit het geval is. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk en kwalificeert ook het schilderwerk als investering in de woning, betaald uit de erfenis onder uitsluitingsclausule.
Verder stelt de man dat hij met het geld van de erfenis een nieuwe ketel en een nieuwe dakgoot heeft betaald. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank ook deze uitgaven aanmerkt als investeringen in de woning, gefinancierd met de erfenis onder uitsluitingsclausule.
De rechtbank is van oordeel dat de man, doordat hij voornoemde investeringen in de woning met middelen uit zijn onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis heeft betaald, een vergoedingsrecht heeft op de vrouw op grond van artikel 1:87 BW Pro. De vrouw is gehouden de helft van het bedrag van € 19.089,50, te weten € 9.545,- aan de man te vergoeden.
De man stelt verder dat het overige deel van de erfenis is besteed aan kosten van de huishouding en dat hij hiervoor zijn privévermogen heeft aangewend, terwijl er gemeenschappelijk vermogen aanwezig was. Hij stelt dat hem op grond van artikel 1:84 BW Pro een vergoedingsrecht toekomt voor dit deel van de erfenis.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:84 lid 1 BW Pro is bepaald dat de kosten van de huishouding achtereenvolgens ten laste komen van: (1) het gemene inkomen, (2) de eigen inkomens naar evenredigheid daarvan, (3) het gemeenschappelijk vermogen en (4) de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Tijdens de zitting is gebleken dat het gemene inkomen en de eigen inkomens destijds onvoldoende waren om de kosten van de huishouding te dekken. Volgens de man was er enkel gemeenschappelijk vermogen in de vorm van de echtelijke woning. Dit vermogen was echter niet liquide of beschikbaar, aangezien partijen in de woning verbleven. De rechtbank overweegt dat de man ingevolge artikel 1:84 BW Pro gehouden was zijn privévermogen aan te wenden voor de kosten van de huishouding. Gezien deze wettelijke verplichting bestaat er geen vergoedingsrecht voor het overige deel van de erfenis, noch jegens de gemeenschap, noch jegens de vrouw. Het verweer van de vrouw waarbij zij de hoogte van de nalatenschap betwist en voorts stelt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met door haar ontvangen schenkingen, kan daarmee onweersproken blijven.
Spaarhypotheek
De man stelt dat hij nog een vergoedingsrecht heeft vanwege het na de peildatum tot aan de verkoop van de woning doorbetalen van de maandelijkse inleg van de spaarhypotheek ad € 380,79,- per maand, met een beloop van € 3.046,32,-. Volgens de man is de vrouw gehouden de helft hiervan, te weten € 1.523,16,-, te vergoeden aan de man .
De vrouw heeft de echtelijke woning al voor de peildatum verlaten, zodat alleen de man vanaf de peildatum tot aan de verkoop van de woning in de woning verbleef. De rechtbank acht het niet redelijk dat de vrouw de helft van de spaarhypotheek moet vergoeden terwijl zij geen gebruik heeft gemaakt van de echtelijke woning gedurende deze periode en evenmin een gebruiksvergoeding heeft ontvangen. Het verzoek van de man met betrekking tot de spaarhypotheek zal derhalve worden afgewezen.
Pensioenverevening
De vrouw wenst het door partijen opgebouwde ouderdomspensioen (tijdens het huwelijk) te verevenen.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:155 BW Pro na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet de toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten. Nu het recht op pensioenverevening rechtstreeks uit de wet volgt, zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de pensioenverevening bij gebrek aan belang afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2000 te [plaats 1] , [land] ;
*
bepaalt de door de man met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.723,- bruto per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
de man en de vrouw dienen elkaar inzage te verschaffen in het verloop van de saldi op alle op zijn/haar naam staande bankrekeningen over de periode vanaf 29 mei 2024 tot en met 29 november 2024, en vervolgens dienen partijen de saldi per 29 november 2024 op alle (dan wel privé als gezamenlijke) bank- en spaarrekening(en) bij helfte te verdelen;
de punten van de Pi rekening evenals de waarde van de Bitavo cryptorekening zullen per 29 november 2024 bij helfte worden verdeeld;
de auto wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting de helft van de waarde, te weten € 500,- aan de vrouw te voldoen;
stelt vast dat de man jegens de vrouw een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van € 9.545,-;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 januari 2026.