ECLI:NL:RBDHA:2026:3532

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695164 / FA RK 25-8913
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen echtscheiding: toewijzing woning, zorgregeling en alimentatie

In deze zaak verzocht de vrouw om voorlopige voorzieningen in het kader van haar echtscheiding, waaronder het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toewijzing van het minderjarige kind aan haar, en vaststelling van partner- en kinderalimentatie. De man voerde verweer tegen enkele verzoeken en stelde ook eigen verzoeken.

De rechtbank stelde vast dat het verzoek tot voorlopige toewijzing van het kind aan de vrouw gegrond was en wees dit toe. De zorgregeling werd beperkt vastgesteld vanwege de autistische kenmerken van het kind en lopend onderzoek door Veilig Thuis, waarbij de man het kind om de twee weken op zaterdagmiddag mag zien.

Het uitsluitend gebruik van de woning werd toegewezen aan de vrouw, met het bevel aan de man om de woning te verlaten. Een gebruiksvergoeding werd afgewezen omdat deze niet in de wet is voorzien. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €743 per maand en de partneralimentatie op €221 per maand, met ingangsdata respectievelijk 1 september 2025 en 26 november 2025. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot uitsluitend gebruik van de woning, voorlopige toewijzing van het kind aan de vrouw, een beperkte zorgregeling en vaststelling van partner- en kinderalimentatie toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8913
Zaaknummer: C/09/695164
Datum beschikking: 23 januari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 26 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.D. Bakker te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 17 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift, tevens verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9-formulier van 7 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de rechter laten weten wat hij van de verzoeken vindt.
Op 9 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, vergezeld van de doventolk M. de Vreede en bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- het minderjarige kind van partijen aan de vrouw wordt toevertrouwd;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 338,-- per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, wordt vastgesteld, met ingang van 1 september 2025, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 786,-- per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, wordt vastgesteld, met ingang van 1 september 2025, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door de vrouw en de kinder- en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de man zelfstandig:
- te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , onder de verplichting dat de vrouw aan de man een vergoeding zal voldoen van € 152,-- per maand;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast stellen, in die zin dat het minderjarige kind bij de man zal verblijven in de oneven weken van vrijdag na schooltijd tot zondag 14.00 uur waarbij de man het minderjarige kind bij de vrouw zal halen en brengen, althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank in de gegeven omstandigheden rechtvaardig acht;
- te bepalen dat elk der partijen de eigen proceskosten zal dragen.
De vrouw voert verweer tegen de verzochte gebruiksvergoeding en verdeling van de zorg en opvoedingstaken, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige toevertrouwing [de minderjarige]
Het verzoek van de vrouw om [de minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen kan als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Voorlopige zorgregeling
Tot eind juli 2025 gold een in onderling overleg overeengekomen zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] om het weekend bij de man en diens ouders verbleef. De vrouw heeft de overeengekomen zorgregeling gestaakt naar aanleiding van een Veilig Thuis melding. Volgens de vrouw waren de weekenden dat [de minderjarige] bij de man verbleef erg belastend voor [de minderjarige] en zijn er diverse incidenten geweest tijdens de zorgregeling waarbij de man zich niet kon aanpassen aan wat [de minderjarige] nodig heeft, te weten op voorhand duidelijkheid geven over de activiteiten in het weekend. De vrouw heeft hierbij aangegeven dat in verband met de autistische kenmerken die [de minderjarige] laat zien, duidelijkheid voor [de minderjarige] zeer belangrijk is. De vrouw stelt zich op het standpunt dat eerst het vertrouwen van [de minderjarige] in de man moet worden hersteld voordat er weer een zorgregeling kan worden vastgesteld.
Tijdens het gesprek met de rechtbank heeft [de minderjarige] aangegeven dat hij veel last heeft van de echtscheiding. [de minderjarige] heeft veel moeite met veranderingen. Er hebben zich een drietal impactvolle momenten tussen de man en [de minderjarige] voorgedaan, die voor [de minderjarige] ingewikkeld waren en waardoor hij nu niet wil slapen bij de man. De telefonische belmomenten met de man – naar de rechtbank heeft begrepen 2 keer in de week – verlopen volgens [de minderjarige] goed. [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij het niet erg vindt om af en toe op zaterdag iets samen met de man te doen.
Op de zitting is gebleken dat er nog geen rapport is geschreven in het onderzoek dat Veilig Thuis is gestart en waarbij ook een gedragswetenschapper “Intieme Terreur” zal worden betrokken en dat daarom de benodigde hulpverlening nog niet kan worden gestart.
Het bovenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat de door de man verzochte voorlopige zorgregeling op dit moment niet kan worden toegewezen. Bij [de minderjarige] is daarvoor onvoldoende draagkracht en de rechtbank wil niet vooruitlopend op het rapport van Veilig Thuis en de nog in te schakelen hulpverlening nu al een uitgebreide voorlopige zorgregeling vaststellen. Nu [de minderjarige] heeft aangegeven wel af en toe op zaterdag iets met de man te willen doen, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij de man [de minderjarige] bij zich heeft om de twee weken op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [de minderjarige] zal halen en brengen bij de vrouw. Op deze manier krijgt de man de kans om het vertrouwen van [de minderjarige] in de man te herstellen. Daarbij is van groot belang dat de man deze voorlopige zorgregeling nakomt. Hetzelfde geldt voor genoemde belmomenten.
De rechtbank zal wat meer of anders is verzocht afwijzen.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De man kan zich vinden in het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te wijzen. Wel verzoekt de man daarbij te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man verschuldigd is van € 152,-- per maand.
Nu de man geen bezwaar heeft tegen het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door de vrouw, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw daartoe toewijzen.
Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank echter bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij en/of het kind toegewezen.
Ter zitting is met partijen besproken dat de grondslag voor het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding vast te stellen ontbreekt. Immers, de mogelijke voorlopige voorzieningen zijn limitatief opgesomd in artikel 822 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De door de man verzochte verbruiksvergoeding is in dit artikel niet opgenomen. Het verzoek van de man tot vaststelling van een verbruiksvergoeding zal daarom worden afgewezen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
De ouders zijn het erover eens dat de kosten van [de minderjarige] op basis van de tabel ‘eigen aandeel ouders in de kosten van de kinderen’ 2024 € 808,-- per maand bedragen. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 900,-- per maand. De ouders zijn er hierbij van uitgegaan dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw ten tijde van het uiteengaan in 2024 € 1.671,-- per maand bedroeg en het NBI van de man € 3.877,-- per maand. De vrouw had het NBI van de man aanvankelijk op € 4.307,-- per maand gesteld, maar op de zitting heeft zij erkend dat bij de berekening van het NBI van de man de bijtelling auto in mindering moet worden gebracht op het loon volgens jaaropgaaf, zoals de man heeft gedaan. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) komt daarmee uit op € 5.548,-- per maand. De rechtbank zal de ouders volgen in deze berekening van de behoefte van [de minderjarige] .
Draagkracht vrouw
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw berekend moet worden op basis van haar WIA-uitklering van € 2.166,-- per maand, exclusief vakantietoeslag, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Op de zitting heeft de man toegezegd dat hij zich zal uitschrijven op het BRP-adres van de vrouw, zodat de vrouw aanspraak zal kunnen maken op deze toeslagen. De rechtbank berekent het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop aan de hand van bovenstaande uitkeringsgegevens. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.262,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 2.262 – (€ 679 + € 1.365)] = € 153,-- per maand.
Draagkracht man
De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de man berekend moet worden op basis van zijn inkomen van € 6.049,-- per jaar, exclusief vakantietoeslag. De rechtbank zal dat volgen. De rechtbank zal geen rekening houden met de fiscale bijtelling van de auto. De rechtbank zal wel de ANW-premie, de pensioenpremies, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting in aanmerking nemen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 4.156,-- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De rechtbank gaat in het kader van de voorlopige voorzieningen uit van het gebruikelijke woonbudget. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 4.156 – (€ 1.247+ € 1.365)] = € 1.081,-- per maand.
De draagkracht van de ouders gezamenlijk bedraagt € 1.234,-- per maand (€ 153 + € 1.081). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.081 /1.234 x 900 = € 788,--
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 153 /1.234 x 900 =
€ 112,--
samen € 900,--
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt dus een gedeelte van € 788,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 112,-- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Gezien de voorlopige vast te stellen zorgregeling, geldt een zorgkortingspercentage van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 45,-- per maand (5% van € 900). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 743,-- per maand (€ 788 -/- € 45).
De rechtbank zal de door de man aan de vrouw voorlopig te betalen kinderalimentatie daarom vaststellen op € 743,-- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum van de voorlopig door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen, zoals door de vrouw verzocht, op 1 september 2025. De man is per die datum gestopt met het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , omdat de vrouw de zorgregeling had stopgezet. De alimentatieverplichting moet echter los gezien worden van de zorgregeling en de man had kunnen weten dat zijn alimentatieverplichting bleef bestaan.
De rechtbank zal wat meer of anders is verzocht afwijzen.
Partneralimentatie
Ook bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
In geschil is de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.
Behoefte vrouw
De behoefte van de vrouw zal worden berekend aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatie vastgesteld op 60% van het NBGI ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten voor de kinderen.
De rechtbank heeft het NBGI hiervoor bij de kinderalimentatie berekend op € 5.548,-- per maand in 2024. Hiervan moeten de kosten van [de minderjarige] in 2024 worden afgetrokken, zodat een bedrag van (€ 5.548,-- -/- € 808,- =) € 4.740,-- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm (60% x € 4.740,- =) € 2.844,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dit € 3.168,-- netto per maand.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.168,- per maand moet haar huidig NBI in mindering worden gebracht. Gelet op de bijgevoegde berekening die de rechtbank heeft gemaakt in het kader van de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie bedraagt het NBI van de vrouw ten behoeve van de partneralimentatie € 1.763,- per maand.
Gelet op het NBI van de vrouw van € 1.763,-- per maand, bedraagt de aanvullende behoefte (€ 3.168,-- -/- € 1.763,--) € 1.405,- netto per maand, zijnde, blijkens de aangehechte berekening, € 2.697,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor de partneralimentatie uit van dezelfde relevante financiële gegevens als zij hiervoor heeft gebruikt bij de berekening van de draagkracht voor de kinderalimentatie. De rechtbank berekent het NBI van de man voor partneralimentatie op € 4.156,-- per maand.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365)] toepassen. De rechtbank gaat in het kader van de voorlopige voorzieningen uit van het gebruikelijke woonbudget. De draagkracht van de man bedraagt dan: 60% x [€ 4.156 – (€ 1.247 + € 1.365)] = € 926,-- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 788,-- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 138,-- per maand. Gebruteerd komt dit blijkens de aangehechte draagkrachtberekening neer op € 221,-- per maand. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw voorlopig te betalen partneralimentatie daarom vaststellen op € 221,-- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum vaststellen op de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 26 november 2025, nu de man vanaf deze datum rekening heeft kunnen houden met een eventueel aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie.
De rechtbank zal wat meer of anders is verzocht afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te 2733 BB Zoetermeer, Olijfgaarde 49, en beveelt mitsdien dat de man die woning moet verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarige:
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,
aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige] bij zich te hebben eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [de minderjarige] zal halen en brengen bij de vrouw;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 26 november 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 221,-- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 september 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 743,-- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2026.