ECLI:NL:RBDHA:2026:3538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/09/667563 / FA RK 24-4060
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:84 BWArt. 1:93 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd sinds 2003 en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de vrouw vastgesteld, met een zorgregeling waarbij de kinderen om de week bij de man verblijven, aangepast aan hun wensen en belangen.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op basis van het netto besteedbaar inkomen van partijen, rekening houdend met de draagkracht en zorgkorting. De man betaalt kinderalimentatie vanaf 1 februari 2025, maar partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt vastgesteld met toedeling van diverse activa en passiva, waaronder de garagebox, eenmanszaak, bank- en beleggingsrekeningen, crypto’s, auto, fietsen, kleding en een schuld aan de ouders van de vrouw. De man heeft geen vergoedingsrecht wegens schenking omdat het geschonken bedrag aan huishoudkosten is besteed.

De rechtbank verwijst partijen naar een ouderschapstraject en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-4060 (scheiding) / FA RK 25-3091 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/667563 (scheiding) / C/09/684183 (verdeling)
Datum beschikking: 23 januari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 4 juni 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Vellekoop te Honselersdijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P. Friperson te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 4 juni 2024;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens houdende aanvullende verzoeken van de zijde van de vrouw, ingekomen op 1 april 2025;
  • de brief van 8 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • de brief van 8 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • de brief van 11 december 2025, met bijlage, van de zijde van de man.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden. [minderjarige 2] heeft ook nog een brief aan de rechter geschreven.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat, alsmede
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de man is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft zich gerefereerd aan het verzoek tot echtscheiding en verzoekt zelfstandig de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en:
- te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw, althans bij de man zullen hebben;
- een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen bij de man zullen zijn om de week van vrijdag tot vrijdag en de helft van de vakanties en feestdagen, een en ander conform het als productie 1 bij het verweerschrift met zelfstandige verzoeken overgelegde schema;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de man,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de zelfstandige verzoeken aangaande de zorgregeling en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Daarnaast verzoekt de vrouw aanvullend:
- te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
- te bepalen dat de kinderen zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man willen verblijven, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank na het gesprek met de kinderen passend acht;
- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 469,- per maand per kind;
- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen van € 903,- per maand;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de vrouw,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.
Hoofdverblijfplaats kinderen
Partijen zijn het erover eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Zorgregeling
De man verzoekt een week-op-week-af-regeling vast te stellen met het wisselmoment op vrijdag na school. De vrouw heeft geen specifieke zorgregeling verzocht. Zij vindt het belangrijk dat wordt geluisterd naar wat de kinderen zelf willen.
Vóór de zitting heeft de kinderrechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij evenveel tijd bij beide ouders wil doorbrengen. [minderjarige 2] zou op zich ook best de helft van de tijd bij zijn vader willen verblijven, maar voor hem is het erg bezwaarlijk dat hij vanaf het huis van de man ruim drie kwartier moet fietsen naar school terwijl dat vanaf het huis van de vrouw een half uur fietsen is. Hij heeft later in een brief aangegeven dat hij toch liever een weekendregeling wil.
De rechtbank zal voor [minderjarige 1] conform het verzoek van de man beslissen. Hoewel het gezien de leeftijd van [minderjarige 1] voor de hand zou liggen om haar zelf te laten bepalen wanneer zij bij welke ouder verblijft, acht de rechtbank het in dit geval, waarin alle betrokkenen behoefte hebben aan duidelijkheid, van belang om ook voor [minderjarige 1] een vaste regeling vast te stellen. Voor [minderjarige 2] zal de rechtbank een andere regeling vastleggen. Gelet op de bezwaren van [minderjarige 2] , acht de rechtbank het niet in zijn belang als hij een hele week bij zijn vader is. Hoewel de man op de zitting heeft aangegeven dat hij [minderjarige 2] voor wat betreft de reisafstand naar school tegemoet wil komen door hem regelmatig te brengen en te halen, acht de rechtbank dit geen werkbare oplossing. De rechtbank vindt een weekendregeling echter te weinig. Daarom zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige 2] bij de vader is in de week dat [minderjarige 1] bij haar vader is van vrijdag na school tot woensdagochtend voor school.
De vrouw heeft ingestemd met de door de man voorgestelde verdeling van de vakanties, met dien verstande dat zij wenst dat de kinderen elk jaar met oud en nieuw bij haar verblijven.
De rechtbank zal bepalen dat de vakanties worden verdeeld conform het door de man opgestelde schema, welk schema aan deze beschikking zal worden gehecht. Volgens dit schema verblijven de kinderen in de tweede week van de kerstvakantie (de week waarin oud en nieuw valt) het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om een afwijkende regeling vast te stellen voor oud en nieuw.
Verwijzing ouderschapstraject
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan een ouderschapstraject. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen hieraan deel te nemen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Door de gemeente zal moeten worden beoordeeld welke vorm van hulpverlening (ouderschapsbemiddeling of parallel solo ouderschap) het beste past bij de situatie van ouders.
De rechtbank zal partijen bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De rechtbank acht het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van
1 februari 2025 omdat de man blijkens de door hem overgelegde overzichten tot die datum nog een groot deel van de kosten van het gezin heeft betaald.
Behoefte van de kinderen
Voor de vaststelling van de behoefte van een kind is bepalend het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders op het moment van hun feitelijk uiteengaan. Partijen zijn eind 2024 feitelijk uit elkaar gegaan.
Tijdens het huwelijk van partijen werkte de vrouw niet. De man had tot eind 2024 een eenmanszaak. In de jaren 2023 en 2024 werd er niet of nauwelijks winst gemaakt en hebben partijen geleefd van hun vermogen. Tussen partijen lijkt niet in geschil te zijn dat de levensstandaard van het gezin hetzelfde is gebleven als in de jaren daarvoor. De rechtbank acht het gelet daarop redelijk om voor de berekening van de behoefte van de kinderen uit te gaan van het gemiddelde NBI over de jaren 2021 en 2022.
In 2021 bedroeg de winst uit onderneming € 26.429,-. Daarnaast heeft de man een
WW-uitkering van € 27.472,- bruto ontvangen. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en een kindgebonden budget van € 185,- per maand berekent de rechtbank het NBI op
€ 3.745,- per maand.
In 2022 bedroeg de winst uit onderneming € 81.184,-. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en een kindgebonden budget van € 86,- per maand berekent de rechtbank het NBI op
€ 4.724,- per maand.
Het gemiddelde NBI over de jaren 2021 en 2022 bedraagt € 4.235,- per maand. Bij een NBI van € 4.235,- per maand bedraagt de behoefte van de kinderen op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 uit het Rapport Alimentatienormen € 988,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 1.052,- per maand.
De behoefte van kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. Conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2025 moet de financiële draagkracht van de ouders in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - ((0,3 x NBI) + € 1.310)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht van de man
Sinds eind 2024 is de man directeur-grootaandeelhouder van [bedrijfsnaam] BV. Op dit moment keert de man zichzelf een salaris uit van € 4.666,67 bruto per maand exclusief vakantiegeld (gebaseerd op het minimum DGA-loon voor 2025). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende onderbouwd dat dit voor nu een redelijk salaris is, onder meer door het overleggen van een toelichting van zijn accountant.
Rekening houdend met voormeld salaris, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.398,- per maand.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget. Uit een door de man overgelegde brief van de verhuurder blijkt dat hij een bedrag van € 1.587,53 per maand aan huur betaalt en een bedrag van € 113,- per maand aan servicekosten. De werkelijke woonlasten van de man bedragen dus € 1.701,- per maand, terwijl het woonbudget € 1.019,- per maand (0,3 x NBI) bedraagt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende aangetoond dat zijn woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget. Anders dan door de vrouw is betoogd, kan – mede gelet op de huidige woningmarkt – niet van de man worden verwacht dat hij binnen afzienbare tijd een goedkopere woning betrekt waar ook voldoende ruimte is voor de twee kinderen van partijen. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de werkelijke woonlasten van de man.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule (afgerond) € 271,- per maand, te weten 70% x [3.398 - (1.701 + 1.310)].
Draagkracht van de vrouw
De vrouw heeft op dit moment geen inkomen anders dan het kindgebonden budget. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw niet aangetoond dat zij niet in staat is om te gaan werken. Het feit dat de vrouw een posttraumatische-stressstoornis heeft en daarvoor behandeling volgt, maakt dit niet anders. Op de zitting heeft de man aangegeven dat de vrouw werkzaamheden verricht als nagelstyliste. Dit is door de vrouw niet betwist.
Alles overziende acht de rechtbank het redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit van € 1.500,- bruto per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en een kindgebonden budget van € 9.347,- per jaar berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.399,- per maand.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule (afgerond) € 258,- per maand, te weten 70% x [2.399 - (0,3 x 2.399 + 1.310)].
Conclusie
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 529,- per maand (€ 271,- + € 258,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan het maken van een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 523,- per maand.
Op de door de man te betalen bijdrage moet in beginsel een zorgkorting in mindering worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. De rechtbank zal voor de periode tot de datum van deze beschikking uitgaan van een zorgkorting van 5% van de behoefte (te weten € 52,- per maand) en voor de periode vanaf de datum van deze beschikking van een zorgkorting van 35% (te weten € 368,- per maand).
Voor de periode tot de datum van deze beschikking geldt dat het tekort aan draagkracht ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting. Dit betekent dat de zorgkorting van de man vervalt en dat partijen maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.
Voor de periode vanaf de datum van deze beschikking geldt dat het tekort van € 523,- per maand aan beide ouders voor de helft wordt toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij in de periode vanaf de datum van deze beschikking nog recht heeft op een zorgkorting van € 106,- per maand. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 165,- per maand.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de periode van 1 februari 2025 tot de datum van deze beschikking vaststellen op een bedrag van € 271,- per maand, ofwel € 136,- per maand per kind, en voor de periode vanaf de datum van deze beschikking op een bedrag van € 165,- per maand, ofwel € 82,- per maand per kind.
Vanaf 1 februari 2025 betaalt de man een bedrag van € 200,- per maand voor de kinderen aan de vrouw. Dit bedrag mag hij aftrekken van de door hem te betalen kinderalimentatie, zodat hij over de periode tot de datum van deze beschikking nog een bedrag van in totaal
€ 71,- per maand aan de vrouw moet betalen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partneralimentatie
Nu de volledige draagkracht van de man moet worden aangewend voor de kosten van de kinderen, resteert aan de zijde van de man geen draagkracht meer voor het betalen van partneralimentatie. De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw kunnen dan ook onbesproken blijven. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie zal worden afgewezen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat.
Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 4 juni 2024. Als peildatum voor de waardering geldt in het beginsel de datum van feitelijke verdeling.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap naar voren gebracht:
1. de echtelijke woning;
2. de garagebox aan de [adres 1] te [plaats 2] (waarvan partijen voor de helft eigenaar zijn);
3. de eenmanszaak van de man;
4. de bankrekeningen;
5. de beleggingsrekeningen;
6. de crypto’s;
7. de auto van het merk Volvo;
8. de inboedel;
9. de fietsen;
10. de kleding en lijfgoederen;
11. de schuld aan de ouders van de vrouw.
Ad 1. De echtelijke woning
De echtelijke woning is inmiddels verkocht en geleverd aan een derde, zodat hierover geen beslissing meer hoeft te worden genomen. Ieder van partijen heeft recht op de helft van de gerealiseerde overwaarde.
Ad 2. De garagebox aan de [adres 1] te [plaats 2]
Partijen zijn voor de helft eigenaar van een garagebox. Zij zijn het erover eens dat de helft van de eigendom van de garagebox zal worden toegedeeld aan de man, onder verrekening van een kwart van de waarde van de garagebox met de vrouw. Omdat partijen het niet eens zijn over de waarde van de garagebox zullen zij de garagebox laten taxeren. Door de vrouw zijn drie taxateurs/makelaars voorgesteld, waarvan de man er één moet uitkiezen. De vrouw heeft recht op een kwart van de taxatiewaarde van de garagebox.
Ad 3. De eenmanszaak van de man
Op de peildatum van 4 juni 2024 had de man een eenmanszaak. Eind 2024 heeft de man zijn eenmanszaak beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man middels overlegging van de eindbalans per 20 december 2024 en de aangifte inkomstenbelasting 2024 voldoende aangetoond dat de eenmanszaak op de peildatum van 4 juni 2024 geen waarde meer vertegenwoordigde. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de activa op naam van de eenmanszaak aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting om de passiva op naam van die eenmanszaak in de onderlinge verhouding met de vrouw voor zijn rekening te nemen, een en ander zonder nadere verrekening met de vrouw. Hierbij geldt uitdrukkelijk dat onder de passiva op naam van de eenmanszaak ook de schuld aan de belastingdienst van € 1.787,- valt.
Ad 4. De bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen op naam van de man aan de man zullen worden toegedeeld en dat de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw zullen worden toegedeeld. Zij zijn het er echter niet over eens per welke datum de saldi moeten worden gedeeld. De vrouw wenst uit te gaan van de saldi per de datum van indiening van het verzoekschrift (4 juni 2024) en de man van de saldi per de datum van deze beschikking.
De rechtbank overweegt als volgt.
De hoofdregel bij de verdeling van bankrekeningen is dat moet worden uitgegaan van het saldo per de datum van indiening van het verzoekschrift. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om hiervan af te wijken en uit te gaan van 1 februari 2025 als peildatum voor de verdeling van de saldi. Daartoe acht zij redengevend dat de man blijkens de door hem overgelegde overzichten tot 1 februari 2025 nog allerlei kosten van de huishouding heeft voldaan en bedragen aan de vrouw heeft overgemaakt terwijl hij tot eind 2024 geen inkomsten had. Ook na 1 februari 2025 heeft de man nog gezamenlijke kosten betaald, maar niet meer zoveel als daarvoor. De man had toen ook weer inkomsten.
Ad 5. De beleggingsrekeningen
Tot de gemeenschap behoren een aantal beleggingsrekeningen op naam van de man. De rechtbank zal bepalen dat deze rekeningen zullen worden toegedeeld aan de man. Voor de verdeling van de saldi zal de rechtbank net als voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen uitgaan van 1 februari 2025 als peildatum.
Ad 6. De crypto’s
Partijen zijn het erover eens dat de crypto’s zullen worden toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw. De man wenst daarbij uit te gaan van de huidige waarde en de vrouw van de waarde per 4 juni 2024.
Aangezien de man na 4 juni 2024 niets met de crypto’s heeft gedaan en deze alleen vanwege de koersdaling minder waard zijn geworden, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van de huidige waarde. Door de man is een screenshot van een app overgelegd waaruit een totale waarde van € 260,77 blijkt. Op het screenshot is niet te zien van welke datum dit is. Nu de advocaat van de vrouw op de zitting het aanbod heeft afgeslagen om de app te bekijken, zal de rechtbank uitgaan van voormelde waarde. Dit betekent dat de man een bedrag van € 130,40 aan de vrouw moet betalen.
Ad 7. De auto van het merk Volvo
Partijen zijn het erover eens dat de auto zal worden toegedeeld aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde met de man. Zij zijn het echter niet eens over de waarde van de auto (de vrouw wenst uit te gaan van een waarde van € 7.900,- en de man van een waarde van € 10.000,-). De rechtbank zal conform het voorstel van de vrouw bepalen dat partijen de waarde van de auto moeten laten vaststellen door de garage waar de auto in onderhoud is.
Op de zitting hebben partijen met elkaar afgesproken dat de man bij de autoverzekering zal navragen of de schadevrije jaren aan de vrouw kunnen worden overgedragen. Als dit mogelijk is, zal de man hieraan meewerken.
Ad 8. De inboedel
Partijen hebben de inboedel inmiddels verdeeld, zodat daarover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.
Ad 9. De fietsen
Partijen zijn het erover eens dat de fiets van de man aan de man zal worden toegedeeld en dat de fiets van de vrouw aan de vrouw zal worden toegedeeld, een en ander zonder nadere verrekening. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen.
Ad 10. De kleding en lijfgoederen
Partijen zijn het erover eens dat de kleding en lijfgoederen van de man aan de man zullen worden toegedeeld en dat de kleding en lijfgoederen van de vrouw aan de vrouw zullen worden toegedeeld, een en ander zonder nadere verrekening. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen.
Ad 11. De schuld aan de ouders van de vrouw
Partijen hebben tot 2004 een bedrag van in totaal € 42.026,74 geleend van de ouders van de vrouw. Dit is vastgelegd in een onderhandse overeenkomst van 1 november 2004. Op
21 juni 2007 is een hypotheekakte verleden waarbij tot zekerheid voor de terugbetaling van voormeld bedrag ten behoeve van de ouders van de vrouw een recht van tweede hypotheek is gevestigd op de woning die partijen destijds in eigendom hadden. In de hypotheekakte is opgenomen dat vanaf dat moment over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente is verschuldigd van 2,5% per jaar. De ouders van de vrouw hebben afstand gedaan van het recht van hypotheek toen partijen zijn verhuisd.
Volgens de vrouw bedraagt de restant hoofdsom van de schuld € 32.026,74 omdat tijdens het huwelijk € 10.000,- is afgelost. De totale schuld inclusief rente zou per 31 maart 2025
€ 51.383,- bedragen.
De man is het er niet mee eens dat naast de restant hoofdsom van de schuld ook nog niet betaalde rente aan de ouders van de vrouw is verschuldigd.
De rechtbank overweegt als volgt.
In de leningsovereenkomst uit 2004 is geen rente opgenomen. Er is door partijen ook nooit rente betaald aan de ouders van de vrouw. Nog los van de vraag of een eventuele rentevordering inmiddels niet zou zijn verjaard, geldt dat de vrouw niet heeft aangetoond dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de voorwaarden uit de hypotheekakte uit 2007 van toepassing zouden zijn op de leningsovereenkomst. De hypotheekakte is al geruime tijd vervallen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan de ouders van de vrouw op de peildatum van 4 juni 2024 € 32.026,74 bedroeg (de man heeft niet betwist dat gedurende het huwelijk € 10.000,- op de schuld is afgelost). Voor zover deze schuld nog niet is voldaan vanuit de overwaarde van de echtelijke woning, zijn partijen hiervoor ieder voor de helft draagplichtig.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat partijen naast voormelde schuld ook nog een schuld van € 3.503,16 aan de ouders van de vrouw hebben vanwege het feit dat de ouders van de vrouw rondom de peildatum van 4 juni 2024 een aantal bedragen aan de vrouw hebben voorgeschoten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt nergens uit dat het hier gaat om aan de vrouw geleende bedragen.
Vergoedingsrecht man
De man stelt een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap te hebben omdat hij tijdens het huwelijk (vanaf 2005) schenkingen van zijn vader heeft ontvangen. In de schenkingsakte was een uitsluitingsclausule opgenomen. Het betreft aan de man schuldig erkende bedragen die in 2018 zijn afgelost. In totaal zou het gaan om een bedrag van € 105.811,66 aan schenkingen en rente. De man meent dat dit bedrag aan hem moet worden voldaan vanuit de bij de verkoop van de echtelijke woning gerealiseerde overwaarde.
De vrouw betwist de hoogte van het vergoedingsrecht van de man. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat de man zijn vergoedingsrecht niet te gelde kan maken omdat het geschonken bedrag is besteed aan de kosten van de huishouding.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat zowel de aan de man geschonken bedragen als de rente daarover volledig zijn besteed aan de kosten van de huishouding en dat daar niets meer van over is. Gedurende de periode dat partijen geen inkomen hadden, was de man op grond van artikel 1:84, eerste lid, BW gehouden om bij te dragen in de kosten van de huishouding vanuit zijn vermogen. Nu er een rechtsgrond bestond voor de man om het aan hem toekomende vermogen aan de gemeenschap ter beschikking te stellen, komt hem naar het oordeel van de rechtbank per saldo geen vergoeding ten laste van de gemeenschap toe.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2003 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat [minderjarige 1] bij de man zal zijn:
om de week met het wisselmoment op vrijdag na school;
bepaalt dat [minderjarige 2] bij de man zal zijn:
in de week dat [minderjarige 1] bij de man is van vrijdag na school tot woensdagochtend voor school,
alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, een en ander conform het aan deze beschikking gehechte schema;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] (de vader),
wonende te van [adres 2] , [postcode 1] [woonplaats 1] ,
en
[de vrouw] (de moeder),
wonende te [adres 3] , [postcode 2] [woonplaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan een ouderschapstraject en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar:
het Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de periode van
1 februari 2025 tot de datum van deze beschikking op € 136,- per maand per kind en voor de periode vanaf de datum van deze beschikking op € 82,- per maand per kind, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de helft van de eigendom van de garagebox aan de [adres 1] te [plaats 2] , onder verrekening van een kwart van de waarde van de garagebox met de vrouw, waarbij geldt dat de waarde van de garagebox zal worden vastgesteld door een taxateur/makelaar (door de vrouw zijn drie taxateurs/makelaars voorgesteld, waarvan de man er één moet uitkiezen);
1.2
de activa op naam van de eenmanszaak ‘[bedrijfsnaam 2]’, onder de verplichting om de passiva op naam van die eenmanszaak (waaronder de schuld aan de belastingdienst van € 1.787,-) in de onderlinge verhouding met de vrouw voor zijn rekening te nemen, een en ander zonder nadere verrekening met de vrouw;
1.3
de bankrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft van de saldi per 1 februari 2025 met de vrouw;
1.4
de beleggingsrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft van de saldi per 1 februari 2025 met de vrouw;
1.5
de crypto’s, onder de verplichting om daarvoor een bedrag van € 130,40 aan de vrouw te betalen;
1.6
de fiets van de man, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw;
1.7
de kleding en lijfgoederen van de man, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de bankrekeningen op naam van de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi per 1 februari 2025 met de man;
2.2
de auto van het merk Volvo, onder verrekening van de helft van de waarde met de man, waarbij geldt dat de waarde van de auto zal worden vastgesteld door de garage waar de auto in onderhoud is;
2.3
de fiets van de vrouw, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de man;
2.4
de kleding en lijfgoederen van de vrouw, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de man;
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schuld aan de ouders van de vrouw van € 32.026,74;
*
verklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 januari 2026.