Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 SchengengrenscodeArt. 3, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 94, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering en grensdetentie onrechtmatig wegens prematuur besluit

Eiser kreeg op 16 januari 2026 een besluit tot toegangsweigering en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Schengengrenscode. De toegangsweigering werd gegeven terwijl eiser nog rechtmatig verblijf had vanwege een lopende asielprocedure, die hij pas tijdens het gehoor introk. De rechtbank oordeelt dat de toegangsweigering prematuur en daarmee onrechtmatig was, omdat de intrekking van de asielaanvraag niet officieel en formeel was voorafgaand aan het besluit.

Verweerder stelde dat de intrekking al mondeling was medegedeeld en dat een belangenafweging de maatregel rechtvaardigde, maar de rechtbank verwierp dit omdat een gemachtigde niet zelfstandig een asielaanvraag kan intrekken en de formele procedure niet was gevolgd. Hierdoor was ook de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig opgelegd.

De rechtbank vernietigde beide besluiten, beval de onmiddellijke opheffing van de grensdetentie en kende eiser een schadevergoeding toe van €4.320,- voor 36 dagen onrechtmatige detentie. Tevens werden de proceskosten van eiser aan verweerder opgelegd. Tegen het besluit over de grensdetentie kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld, tegen de toegangsweigering binnen vier weken.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de prematuur opgelegde toegangsweigering en grensdetentie, beveelt opheffing van de detentie en kent schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7230

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 16 januari 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Pro Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
2. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;
- niet in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
2.1.
Eiser voert aan dat de toegangsweigering prematuur is. De toegangsweigering is om 14:29 ondertekend, terwijl eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had op grond van zijn asielprocedure. Eiser heeft zijn asielaanvraag namelijk pas ingetrokken tijdens het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de onderhavige maatregel. Dat gehoor ving aan om 15:00 uur. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw is de toegangsweigering prematuur geweest en daarmee onrechtmatig. Om die reden is er ook geen wettelijke grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel.
2.2.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel niet onrechtmatig is omdat de gemachtigde van eiser voor de toegangsweigering al aan een senior medewerker van verweerder had medegedeeld dat de asielaanvraag definitief werd ingetrokken. Op dat moment kan de asielaanvraag als ingetrokken worden beschouwd. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, voor zover er sprake is van een gebrek, er ruimte is voor een belangenafweging die - gelet op het belang van de grensbewaking en op de weinig meewerkende houding van eiser - in het voordeel van verweerder uit moet vallen, zodat moet worden geconcludeerd dat dit gebrek de grensdetentie niet onrechtmatig maakt.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat zij weliswaar voorafgaand aan de toegangsweigering bij de senior medewerker heeft aangegeven dat eiser de aanvraag waarschijnlijk wil intrekken, maar deze mededeling kan niet als officiële intrekking worden gezien. Een gemachtigde kan immers niet zelfstandig een asielaanvraag intrekken, evenmin als dat een gemachtigde een aanvraag kan indienen. Daartoe is het ondertekenen van het daartoe bestemde formulier nodig. Daarbij is ook van belang dat vreemdelingen soms van gedachten kan veranderen en de asielaanvraag bij nader inzien toch door willen zetten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit juist. Dat betekent dat eiser de toegang werd geweigerd voordat hij zijn asielaanvraag had ingetrokken en dus terwijl hij nog in de grensprocedure zat. Dit is in strijd is met artikel 3, vierde lid, van de Vw.
5. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond en de rechtbank vernietigt dat besluit. Daarmee is niet langer voldaan aan de voorwaarden voor het mogen opleggen van de grensdetentie voorzien in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw, zodat ook het beroep daartegen gegrond is en de vrijheidsontnemende maatregel vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig is. Nu niet aan de voorwaarden is voldaan is er geen ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van met ingang van vandaag.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 36 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 36 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 4.320,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.320,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.