Eiser werd op 31 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 11 februari 2026.
Eiser voerde aan dat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en dat de maatregel op een onjuiste naam was opgelegd, wat onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat eiser geen identificerende documenten bij zich had bij ophouding en dat hij bekend stond onder verschillende aliassen, waardoor de ophouding op de juiste grondslag plaatsvond en de naamkeuze gerechtvaardigd was.
Verder betwistte eiser het risico op onttrekking aan toezicht en stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend was gezien zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank stelde dat de zware gronden 3a en 3b voldoende waren om de bewaring te dragen en dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste, mede vanwege het eerdere vertrek van eiser met onbekende bestemming en het ontbreken van officiële documenten.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder voortvarend had gehandeld bij de overdracht van eiser aan Duitsland en Zweden. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel en het belang van het familie- en gezinsleven leverde geen onrechtmatigheden op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.