ECLI:NL:RBDHA:2026:3598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7298
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het KindArt. 8 EVRMArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens schending familie- en gezinsleven bij terugkeerbesluit

Eiser, van Senegalese nationaliteit, verbleef illegaal in Nederland en werd geconfronteerd met een maatregel van bewaring en een terugkeerbesluit naar Senegal. Hij voerde aan dat hij een beschermenswaardig familie- en gezinsleven heeft met zijn partner en minderjarig kind, die in Spanje wonen, en dat het terugkeerbesluit en de bewaring daarmee in strijd zijn.

De rechtbank stelde vast dat eiser het bestaan van het gezinsleven voldoende had onderbouwd met documenten en foto’s, en dat de minister dit niet langer betwistte. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom een minder ingrijpende maatregel niet volstond en waarom het terugkeerbesluit niet in strijd zou zijn met het familie- en gezinsleven, mede omdat het kind de Spaanse nationaliteit heeft en een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht kan ontlenen.

De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte verlangde dat het kind de vader in Senegal zou bezoeken, wat het recht op vrij verkeer en verblijf van het kind zou aantasten. Omdat eiser pas op 18 februari 2026 aanvullende stukken over het gezinsleven had ingediend, was de maatregel van bewaring vanaf die datum onrechtmatig.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 20 februari 2026, kende een schadevergoeding toe voor drie dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de minister in de proceskosten.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig vanaf 18 februari 2026 en wordt opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7298

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Esen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P.M Wuite).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.D. Garcia Celma. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
De gronden van de maatregel
Wat is het betoog van eiser?
2. Eiser voert aan dat de grond onder 4a onvoldoende is gemotiveerd omdat er geen nadere toelichting van het risico op onttrekking is gegeven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden onder 3a, 3b, 3d, 3g, 4c, 4d en 4e niet heeft betwist. Deze gronden kunnen de maatregel al dragen. Wat eiser aanvoert over de grond onder 4a behoeft daarom geen bespreking.
Lichter middel
Wat is het betoog van eiser?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft een dochtertje van 22 maanden oud. De motivering gaat niet in op het belang van het kind bij contact met de vader in de vormende jaren, op de sterke binding met Spanje waar zijn partner en kind wonen en op het feit dat de partner recent een operatie heeft ondergaan waardoor eiser voor zijn kind en herstellende partner moet zorgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De minister heeft terecht overwogen dat eiser expliciet heeft verklaard dat hij direct zal terugkeren naar Spanje bij invrijheidsstelling. Een lichter middel is mogelijk als aannemelijk is dat eiser zich in Nederland beschikbaar zal houden voor terugkeer naar het land dat in het terugkeerbesluit is genoemd. Zijn toelichting dat hij veel belang heeft om naar Spanje te gaan, kan daarom niet tot een lichter middel leiden. De minister heeft verder terecht overwogen dat eiser bewust een identiteitsdocument van zijn broer heeft gebruikt, geen vaste verblijfplaats heeft en dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij niet voornemens is terug te keren naar Senegal. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan.
Mag het terugkeerbesluit worden uitgevoerd?
Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser voert aan dat zijn uitzetting in strijd is met de belangen van het kind [2] en familie- en gezinsleven [3] . Hij woont en werkt namelijk al twaalf jaar in Spanje met zijn partner en samen hebben zij een minderjarig kind met de Spaanse nationaliteit voor wie hij mede de zorg draagt. Eiser heeft ter onderbouwing van het verwantschap tussen hem en zijn kind stukken overgelegd; namelijk een Spaanse geboorteakte waarop eiser als vader staat vermeld, inschrijvingen in het bevolkingsregister en de Spaanse identiteitskaart van het dochtertje. Ook heeft eiser foto’s overgelegd die het dagelijkse gezinsleven onderbouwen. Eiser wijst op verschillende uitspraken waaruit volgt dat er een substantiële proportionaliteitstoets moet worden uitgevoerd waarbij ook de belangen van het kind zorgvuldig worden afgewogen. In de maatregel ontbreekt een fair balance tussen de belangen van eiser en zijn kind en de belangen van Nederland. Er had een evenwichtige afweging moeten worden gemaakt ten aanzien van het gedrag van eiser. Eiser stelt dat hij verblijfsrecht heeft in Spanje, zoals bedoeld in het arrest Chavez Vilchez [4] van het Hof. [5] Eiser wil de mogelijkheid krijgen om een nieuw paspoort aan te vragen, zodat hij daarna in Spanje een aanvraag kan doen voor een verblijfsvergunning.
Wat is het standpunt van de minister?
7. De minister heeft in de maatregel overwogen dat eiser geen identificerende documenten heeft en dat hij het bestaan en/of het verwantschap van zijn gezinsleden niet heeft onderbouwd. Ook heeft hij niet aangetoond in hoeverre de maatregel van invloed is op zorgtaken of het onderhouden van contact. De minister laat tijdens de zitting weten dat hij, naar aanleiding van de overgelegde stukken, gelooft dat eiser een partner en minderjarig kind heeft in Spanje. Eiser heeft er echter zelf voor gekozen om naar Nederland te komen met gebruikmaking van het paspoort van zijn broer. Eiser zal naar Senegal moeten worden uitgezet, omdat hij de Senegalese nationaliteit heeft en niet is gebleken dat hij een verblijfsvergunning heeft in Spanje. Eiser kan vanuit Senegal een verzoek doen bij de Spaanse autoriteiten voor een verblijfstitel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 [6] geoordeeld dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven [7] zich verzetten tegen de uitzetting als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Voor wat betreft het familie- en gezinsleven geeft het Hof aan dat deze rechten [8] niet absoluut zijn en wijst het Hof op de plicht tot loyale samenwerking die op de illegale derdelander rust en hem gebiedt om de bevoegde nationale autoriteit onverwijld in kennis te stellen van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven. Het belang van het kind moet een eerste overweging zijn en door de minister actief en zichtbaar worden meegewogen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat in het terugkeerbesluit van 16 december 2025 is overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij zijn kind heeft erkend en dat uit navraag bij Spanje blijkt dat eiser geen rechtmatig verblijf en geen lopende procedures heeft. Ook is overwogen dat, als ervan uit wordt gegaan dat tussen eiser en zijn gezin in Spanje familieleven bestaat, de inmenging in dat familieleven gerechtvaardigd is vanwege het illegale verblijf van eiser en omdat niet is gebleken dat het onmogelijk is om het familieleven op andere wijze in te vullen, bijvoorbeeld door een bezoek van de partner en het kind aan Senegal. De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan de zitting op 18 februari 2025 aanvullende stukken heeft ingediend. Hoewel deze stukken niet zijn vertaald, vormen deze stukken een aanwijzing dat eiser het bestaan van en het verwantschap aan het kind heeft onderbouwd. Tijdens de zitting heeft de minister laten weten dit niet langer te betwisten. Ook heeft de minister niet betwist dat eiser zorg- en opvoedingstaken draagt voor het kind. De rechtbank overweegt dat dit gewijzigde omstandigheden zijn ten opzichte van het moment dat het terugkeerbesluit is genomen en dat deze vanwege de in 4 genoemde ambtshalve verplichting moeten worden beoordeeld.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit in dit geval niet in strijd is met het familie- en gezinsleven van eiser. Dat maakt dat ook de bewaringsmaatregel op dit moment niet op de terugkeer naar Senegal kan zijn gericht en dat hierom het zicht op uitzetting naar Senegal ontbreekt. Immers is niet langer in geschil dat er tussen eiser en zijn partner en kind beschermenswaardig familie- en gezinsleven bestaat. Het standpunt van de minister dat die inmenging gerechtvaardigd zou zijn, volgt de rechtbank niet. Het enkele feit dat eiser illegaal in Nederland verblijft, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast mag de minister niet verlangen dat eisers kind hem door middel van kort verblijf in Senegal bezoekt. Dat zou immers het nuttig effect van artikel 20 VWEU Pro [9] ondermijnen en een rechtstreekse aantasting zijn van het aan het Unieburgerschap ontleende recht van vrij verkeer en verblijf van het kind, dat de Spaanse nationaliteit heeft. Nu niet langer is betwist dat er gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn kind, heeft eiser er terecht op gewezen dat hij op grond van het arrest Chavez-Vilchez in Spanje een afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan het Unierecht. Dit is een declaratoir verblijfsrecht en is dus niet afhankelijk van de bevestiging daarvan door de autoriteiten van Spanje. De enkele stelling van de minister dat eiser de toegang tot Spanje zal worden ontzegd is onvoldoende, omdat daar geen onderzoek naar is gedaan op basis van de nu overgelegde stukken. Op voorhand kan niet worden gezegd dat hem de toegang zal worden ontzegd, als eiser bij de Senegalese ambassade zijn paspoort laat vernieuwen. Hij kan dan in Spanje een aanvraag doen op basis van een afgeleid verblijfsrecht. De minister had eiser daarom een aanzegging moeten doen Nederland te verlaten en naar Spanje terug te keren.
8.3.
Omdat eiser pas op 18 februari 2026 de onderbouwing heeft overgelegd van zijn stelling dat hij een beschermenswaardig gezinsleven heeft in Spanje, heeft de minister deze omstandigheden niet eerder kunnen meewegen en is de maatregel van bewaring pas vanaf die datum onrechtmatig.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 18 februari 2026 onrechtmatig.
10. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 februari 2026.
11. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank als zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 3 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 3 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 360,-.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 februari 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 360,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
3.Artikel 8 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.ECLI:EU:C:2017:354.
5.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.ECLI:EU:C:2025:647.
7.Als bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn).
8.Die zijn gewaarborgd in artikel 7 en Pro 24 van het Handvest.
9.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.