ECLI:NL:RBDHA:2026:3604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL25.56278
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.109c Vreemdelingenbesluit 2000Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde dat het voornemen niet rechtsgeldig was kenbaar gemaakt omdat zijn gemachtigde niet kon optreden na het niet verschijnen van eiser bij een afspraak, wat volgens hem in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat het voornemen correct aan de advocaat van eiser was toegezonden en dat de minister ook het besluit rechtstreeks aan eiser had uitgereikt toen de advocaat niet meer kon optreden.

De rechtbank concludeerde dat het niet verschijnen van eiser voor eigen rekening en risico was en dat de minister zorgvuldig had gehandeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56278

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.56279).
3. Omdat partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven dat zij op zitting willen worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
De beroepsgronden en de beoordeling daarvan door de rechtbank
Eiser betoogt dat het voornemen niet rechtsgeldig kenbaar is gemaakt. Het voornemen is kenbaar gemaakt aan zijn gemachtigde, maar deze kon niet namens eiser als gemachtigde optreden omdat eiser niet op een gemaakte afspraak was komen opdagen. Hierdoor is de zienswijzeprocedure verloren is gegaan. Dit is strijdig met het beginsel van fair play, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de minister het voornemen op de juiste manier kenbaar heeft gemaakt. De gemachtigde van eiser is op 13 oktober 2025 aan hem toegevoegd, waarna het voornemen op 16 oktober 2025 aan de gemachtigde is toegezonden. Eiser heeft op dat moment dus een advocaat die hem bijstaat, zodat het voornemen terecht aan deze advocaat is toegezonden. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 3.109c Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf C1/2.6 ‘De Dublinprocedure’ van de Vreemdelingencirculaire 2000. Bovendien heeft de minister, toen op 13 november 2025 werd aangegeven dat eisers advocaat niet meer als zijn gemachtigde kan optreden omdat er geen contact kan worden gekregen, het bestreden besluit aan eiser uitgereikt. Ook dat is in overeenstemming met voornoemde bepalingen. Dat eiser niet is komen opdagen op een gemaakte afspraak komt voor rekening en risico van eiser zelf en leidt niet tot het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.