Eiser, een Nigeriaanse man, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende vervolgingsvrees. Hij stelde dat hij in Nigeria sociaal was uitgesloten en gevaar liep vanwege zijn seksuele geaardheid. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het relaas, met name vanwege tegenstrijdige en wisselende verklaringen over zijn woonplaatsen, vertrekredenen, en persoonlijke relaties.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht rekening hield met het referentiekader van eiser, waaronder zijn culturele achtergrond en persoonlijke omstandigheden, maar dat de inconsistenties in zijn verklaringen niet voldoende waren opgehelderd. Ook werd onvoldoende concreet inzicht gegeven in het proces van bewustwording van zijn seksuele gerichtheid en de betekenis van zijn relatie met een partner. Medische klachten werden niet met bewijs onderbouwd.
Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag werd ongegrond verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels een besluit had genomen. Wel werd eiser een proceskostenvergoeding toegekend wegens de vertraging in de besluitvorming.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.412
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. Wouters),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Eiser heeft op 5 januari 2025 ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 16 augustus 2023.
Bij besluit van 6 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog een besluit genomen en de asielaanvraag van eiser ongegrond verklaard. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 16 augustus 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Hij is in 2011 door zijn familie betrapt terwijl hij met een jongen zoende. Zijn moeder heeft hier een melding van gemaakt bij de dorpsraad waarna hij sociaal is uitgesloten door zijn omgeving. Eiser voelde zich niet langer veilig in zijn dorp en heeft daarom zijn woonplaats verlaten. Verder is zijn vader overleden en dit houdt verband met zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft in 2015 Nigeria verlaten en vreest bij terugkeer naar Nigeria te worden gedood vanwege zijn seksuele gerichtheid.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voorvloeiende problemen acht verweerder niet geloofwaardig. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hij heeft op essentiële onderdelen inconsistent en onduidelijk verklaard. Zo heeft eiser tegenstijdig verklaard over zijn laatste woonplaats en het moment en de reden van zijn vertrek uit het dorp. Ook heeft hij wisselend verklaard over het overlijden van zijn vader en het gestelde verband daarvan met zijn seksuele gerichtheid. Verder heeft eiser onvoldoende inzichtelijk verklaard over zijn relatie met [naam 2] en zijn relaties in Nederland. Nu eiser zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt, is er geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat verweerder zijn seksuele gerichtheid ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Daarbij is een onjuist referentiekader gehanteerd en is onvoldoende rekening gehouden met zijn opleidingsniveau, beperkte ontwikkeling en culturele achtergrond, in strijd met WI [2] 2019/17 en 2024/6. Verder is ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de gestelde inconsistenties in zijn verklaringen over het moment en de aanleiding van zijn vertrek uit het dorp, de gestelde uitsluiting door de dorpsgemeenschap en het overlijden van zijn vader. Deze inconsistenties zijn opgehelderd in de correcties en aanvullingen en zijn verklaarbaar vanuit zijn persoonlijke omstandigheden en culturele achtergrond. Ook zijn verklaringen over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid, zijn relatie met [naam 2] en zijn relaties en activiteiten in Nederland heeft verweerder onjuist beoordeeld. Verweerder heeft daarbij onvoldoende gewicht toegekend aan zijn persoonlijke verklaringen en de verklaring van Rainbow Den Haag .
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De voorwaarden voor de beoordeling van een asielrelaas zijn neergelegd in artikel 4 vanPro de Kwalificatierichtlijn [3] en zijn overgenomen in artikel 31 vanPro de Vw. Uit deze bepalingen volgt dat het uitgangspunt is dat de vreemdeling de door hem gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk maakt. Daarbij wordt betrokken dat verklaringen niet altijd volledig met documenten kunnen worden onderbouwd en dat ook andere bronnen, zoals landeninformatie, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling een rol spelen.
5. Voormelde uitgangspunten zijn uitgewerkt in paragraaf C1/4.4 van de Vc [4] en WI 2024/6. Daarin is onder meer bepaald dat verweerder bij de beoordeling rekening houdt met het referentiekader van de vreemdeling, waaronder zijn leeftijd, achtergrond, opleidingsniveau en overige persoonlijke omstandigheden. Ook uit WI 2019/17 volgt dat bij de beoordeling van verklaringen over seksuele gerichtheid rekening moet worden gehouden met de persoonlijke en culturele context van de vreemdeling en zijn vermogen om hierover te verklaren.
6. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser op essentiële onderdelen van zijn relaas wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft eiser aanvankelijk verklaard dat [woonplaats] zijn laatste woonplaats in Nigeria was. Later heeft eiser verklaard dat hij in 2011 [woonplaats] had verlaten en dat hij vervolgens in [plaats] verbleef, van waaruit hij in 2015 Nigeria heeft verlaten. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat onduidelijkheid is ontstaan over de volgorde van zijn verblijfplaatsen en de omstandigheden van zijn vertrek uit zijn woonplaats. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van zijn vertrek uit zijn dorp door enerzijds te stellen dat hij door de dorpsraad was verbannen en anderzijds dat hij zelf is vertrokken omdat niet langer met hem werd gecommuniceerd.
7. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment dat eiser stelt te zijn betrapt en over de rol van zijn ouders daarbij. Zo heeft eiser verklaard dat zijn ouders hem hebben betrapt in 2011, terwijl hij aanvankelijk heeft verklaard dat zijn vader al in 2009 was overleden. Daarbij heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser ook over het overlijden van zijn vader wisselend heeft verklaard, onder meer over het moment waarop dit heeft plaatsgevonden en over de wijze waarop hij daarvan op de hoogte is geraakt. Nu eiser het overlijden van zijn vader in verband heeft gebracht met zijn seksuele gerichtheid en de gestelde problemen die hij daardoor zou hebben ondervonden, heeft verweerder deze tegenstrijdigheden in redelijkheid van belang mogen achten voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn relaas.
8. Anders dan eiser stelt, volgt uit de motivering van het bestreden besluit niet dat de beoordeling uitsluitend is gebaseerd op onduidelijkheid over exacte jaartallen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser op essentiële onderdelen van zijn relaas tegenstrijdig heeft verklaard, waardoor geen duidelijk en consistent beeld ontstaan van de volgorde en samenhang van de gebeurtenissen die zouden hebben geleid tot zijn vertrek uit zijn woonplaats en uiteindelijk uit Nigeria.
9. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende concreet en persoonlijk inzicht heeft gegeven in het proces van bewustwording van zijn seksuele gerichtheid en in de betekenis van zijn relatie met [naam 2] . Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat eiser wel heeft verklaard dat hij gevoelens had voor [naam 2] en dat zij een relatie hadden maar dat hij beperkt concreet heeft kunnen verklaren over hoe zijn gevoelens zich hebben ontwikkeld, wanneer en waardoor hij tot het besef is gekomen dat hij op mannen viel, en wat zijn relatie met [naam 2] persoonlijk voor hem betekende. Eiser heeft immers gesteld dat zijn relatie met [naam 2] een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid en in de problemen die hij vervolgens heeft ondervonden.
10. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten, waaronder PTSS en concentratieproblemen, volgt de rechtbank hem daarin niet. Eiser heeft zijn gestelde klachten niet met medische stukken onderbouwd. Daarnaast volgt uit het verslag van MediFirst niet dat eiser niet in staat was om te worden gehoord of dat bij het horen beperkingen moesten worden aangenomen. Verweerder heeft deze informatie kenbaar bij de beoordeling betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden niet verklaren dat eiser op meerdere essentiële onderdelen van zijn relaas wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard.
11. Ook de omstandigheid dat eiser eerder in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend, maakt niet dat verweerder daarin aanleiding heeft hoeven zien om tot een ander oordeel te komen. Verweerder is gehouden om de door eiser in Nederland aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zelfstandig te beoordelen. Dat de Duitse autoriteiten in een eerdere procedure tot een andere beoordeling zijn gekomen of andere elementen van zijn relaas geloofwaardig hebben geacht, betekent niet dat verweerder deze beoordeling moest overnemen. Daarbij wordt opgemerkt dat verweerder de beschikbare informatie uit Duitsland kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken.
12. Anders dan eiser stelt, blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder de door eiser gestelde relaties en activiteiten in Nederland bij zijn beoordeling heeft betrokken. Hoewel eiser een verklaring van Rainbow Den Haag heeft overgelegd, heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser beperkt en wisselend heeft verklaard over zijn gestelde relaties in Nederland en dat de verklaring van Rainbow Den Haag een verklaring van derden betreft die geen inzicht geeft in eisers persoonlijke beleving.
13. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep gericht tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is ongegrond.
14. Omdat verweerder alsnog op eisers asielaanvraag heeft beslist, hoeft verweerder daartoe niet meer te worden gedwongen. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag zal het beroep daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen wel terecht is ingediend, nu verweerder te lang heeft gedaan over het besluit, krijgt eiser wel een proceskostenvergoeding.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).